Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 3 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21658Zaaknummer NL26.41436 en NL26.41446

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
3 augustus 2026
Publicatiedatum
3 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.41436 en NL26.41446
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

grensdetentie, toegangsweigering, 6a, ambtshalve toets, beroep ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.41436 en NL26.41446

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2026 (bestreden besluit 1, zaaknummer NL26.41446) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Schengengrenscode,[_eb5c5479-8001-44dd-9086-da7bda029dee] de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2, zaaknummer NL26.41436) is aan eiser op grond van artikel 6a, eerste lid, van de Vw[_48f05ae6-106c-4e92-a2c0-7530b9be4452] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling ene besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 met behulp van beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 29 juli 2026, waarna verweerder een aanvullende reactie heeft ingediend. Het onderzoek is vervolgens weer gesloten op 30 juli 2026.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1992 en heeft de Russische nationaliteit.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser heeft op 20 juni 2026 asiel aangevraagd. Nadat hij is gehoord, is aan hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw met AMB-Vo[_a8fbf40b-90e6-401b-ab58-9c954f87950a] aanknopingspunten. Eiser is in het bezit van een verlopen Schengenvisum, afgegeven door de Franse autoriteiten. Om die reden heeft verweerder op 29 juni 2026 de Franse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 13 juli 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk vanaf die datum vaststaat. Bij besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Vervolgens is aan eiser op 22 juli 2026 op grond van de artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode de toegang geweigerd en is de maatregel omgezet naar de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a, eerste lid, van de Vw.

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering van 22 juli 2026)

3. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;

- niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is.

4. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten.

Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel van 22 juli 2026)

Proces-verbaal van het gehoor

5. Uit het dossier blijkt dat voorafgaand aan de oplegging van de maatregel een gehoor heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt ambtshalve op dat er geen proces-verbaal is opgesteld van dit gehoor, maar dat de inhoud van het gehoor is opgenomen in de maatregel van vrijheidsontneming. Hierbij ontbreekt nog relevante informatie die vereist is om de rechtmatigheid van het gehoor te toetsen. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om nader te motiveren dat het gehoor rechtmatig heeft plaatsgevonden. Dit heeft verweerder op 30 juli 2026 per brief gedaan. Uit deze brief volgt dat eiser is gehoord voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van vrijheidsontneming, in het bijzijn van een tolk en dat de gemachtigde van eiser voorafgaand aan het gehoor is gecontacteerd maar tijdens het gehoor niet aanwezig was. Op basis van deze brief kan de rechtbank concluderen dat het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

De vrijheidsontnemende maatregel

6. Op grond van artikel 5.5, vierde lid, van het Vb[_755e8170-4c02-4d77-937c-894f964db80c] kan, met het oog op overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, onder meer indien er een onderduikrisico bestaat. Uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb volgt dat de maatregel als bedoeld in onder meer artikel 6a van de Vw kan worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien zich ten minste twee van de gronden als bedoeld in het tweede lid van dat artikel voordoen.

7. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat. Als gronden[_0186e549-ed8e-4e62-9d99-c1a57a23ec65] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:

- i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. De gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht.[_e0ed4dbc-b369-480c-a4ea-2fe518d84bd3] Voor deze gronden geldt dat zij de vrijheidsontnemende maatregel kunnen dragen.

Zicht op overdracht

9. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat een voortgangsrapportage ontbreekt in het dossier en dat daarmee ook de motivering van het zicht op overdracht ontbreekt. Verweerder heeft hierop gereageerd door erop te wijzen dat uit het dossier volgt dat het overnameverzoek is geaccepteerd door Frankrijk en dat er een vlucht naar Frankrijk gepland staat op 4 augustus 2026. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat er zicht op overdracht is aan de verantwoordelijke lidstaat.

Ambtshalve toets

10. Uit het voorgaande volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is, wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.