Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 13 mei 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:16201Zaaknummer SGR 26/3217

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3217
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. Stellingen niet onderbouwd. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/3217

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 20 februari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.

Het Uwv heeft in het besluit van 20 februari 2026 bepaald dat het geen uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) uitbetaalt aan verzoeker omdat hij verwijtbaar werkloos is. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoeker voert aan dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat hij sinds het ontslag op staande voet niet over een inkomen beschikt en zijn spaargeld inmiddels op is. Hij heeft een bijstandsuitkering aangevraagd maar die is afgewezen. Hij heeft geen middelen meer om in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin te voorzien.

4. Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker in het geheel niet heeft onderbouwd dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit het besluit van 13 maart 2026 volgt dat de [gemeente] zijn aanvraag om een bijstandsuitkering heeft afgewezen omdat zijn eigen vermogen te hoog was. Dat zijn spaargeld nu op is en dat hij geen middelen meer heeft om in het levensonderhoud te voorzien heeft hij echter in het geheel niet onderbouwd.

6. De voorzieningenrechter vindt ook dat er in er in het geval van verzoeker geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Daarvoor is het volgende van belang.

7. Het bestreden besluit is volgens eiser evident onrechtmatig, omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat de gedragingen van verzoeker geen dringende reden vormen voor ontslag. Het UWV had dan ook nooit kunnen concluderen dat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden en op grond daarvan zijn WW-uitkering kunnen beëindigen.

8. De voorzieningenrechter acht de stelling van verzoeker niet zodanig dat hieruit - zonder meer en zonder nader onderzoek naar de relevante feiten of het recht - kan worden geconcludeerd dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De uitspraak van de civiele rechter waarnaar verzoeker verwijst, waarin wordt geoordeeld dat er geen gronden was voor een ontslag op staande voet, is niet bindend voor de bestuursrechter bij de beantwoording van de vraag of het UWV de WW-uitkering van verzoeker kon beëindigen omdat er sprake was van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24 van de WW. De voorzieningenrechter kan daarom niet uitsluiten dat de beslissing op bezwaar stand zal houden. Het besluit is dus niet evident onrechtmatig.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en moet daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.