Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Amsterdam, 17 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9348Zaaknummer AMS 26/5535
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/5535
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Tegendemonstratie verplaatst door burgemeester. Vrees voor wanordelijkheden. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/5535
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
17 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekers], uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigden: mr. L. van der Linde en mr. R. Beets),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder (hierna: de burgemeester)
(gemachtigden: mr. M. Kappelhof en mr. T.C. Temminck Tuinstra).
Inleiding
Op [datum] 2026 vindt tussen [tijdstip 1] een pro-Israël demonstratie plaats op de [locatie 1]. Verzoekers hebben aan de burgemeester een kennisgeving gedaan van een tegendemonstratie op dezelfde dag en plaats tussen [tijdstip 2].
De burgemeester heeft op 15 september 2026 ter voorkoming van wanordelijkheden, op grond van artikel 5 van de Wet openbare manifestaties (Wom) voorschriften gegeven, in het bijzonder ten aanzien van de locatie waar de demonstratie mag plaatsvinden. De burgemeester heeft beslist dat de demonstratie van verzoekers niet op de [locatie 1] maar op een alternatieve locatie dient plaats te vinden, te weten de [locatie 2].
Verzoekers hebben hiertegen op 16 september 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van de beperking dat de demonstratie op de [locatie 2] dient plaats te vinden en/of te bepalen dat de demonstratie binnen gezichts- en gehoorafstand van de [locatie 1] mag plaatsvinden.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dat verzoek om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] en [de persoon 2] namens verzoekers, hun gemachtigden en de gemachtigden van de burgemeester. Daarnaast zijn aan de zijde van de burgemeester [de persoon 3] en [de persoon 4] van de politie, verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 17 september 2026 mondeling uitspraak gedaan. Dat oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wettelijk kader
Het recht op betoging is neergelegd in artikel 11, eerste lid, van het EVRM[_9940922b-8813-4f8c-8756-e4ac13af1b94] en artikel 9, eerste lid, van de Grondwet. Uit artikel 11, tweede lid, van het EVRM, volgt dat een beperking van het recht op betoging alleen is toegestaan als de beperking is voorzien bij de wet en die beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 9, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet volgt dat de wet regels kan stellen aan een betoging ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De Wom strekt onder meer tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet.
Op grond van artikel 2 van de Wom kunnen overheidsorganen het recht tot vergadering en betoging alleen beperken ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Daarbij bepaalt artikel 5, eerste lid, van de Wom, dat de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen kan stellen (of een verbod geven). Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, kunnen zulke voorschriften en beperkingen (of verboden) alleen worden gegeven indien een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.
De hiervoor genoemde bepalingen, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen met zich dat tot een beperking van het recht op betoging slechts in dwingende situaties kan worden besloten. Dit geldt niet alleen voor een verbod op een betoging, maar ook voor voorschriften en beperkingen, zoals die in deze zaak aan de orde zijn.
Standpunten partijen
De burgemeester heeft – kort gezegd – aan het besluit ten grondslag gelegd dat er vrees is voor confrontaties en wanordelijkheden. Er is sprake van een herhalend patroon van incidenten tussen pro-Israël en Pro-Palestina demonstranten. De politie heeft concrete signalen dat er ook ditmaal personen zich zullen aansluiten die escalerend gedrag vertonen of oproepen daartoe doen. De recente ervaringen met verzoekers’ achterban en omstanders bij hun demonstraties, bieden onvoldoende vertrouwen dat hun ordedienst op een juiste manier optreedt. Ook komen er mogelijk veel meer mensen dan aangekondigd. De locatie van de [locatie 1] is dan een onbeheersbare omgeving, vooral gelet op de inrichting ter plaatse, aanwezigheid van passanten, toeristen, dagjesmensen, het feit dat de demonstratie plaatsvindt in de avonduren, en er sprake is van koopavond en avondspits. Onder al deze omstandigheden is de [locatie 1] en de directe omgeving (zoals [locatie 3], [locatie 4] of begin [locatie 5]) ongeschikt.
Verzoekers hebben – kort gezegd – aangevoerd dat de door de burgemeester gemaakte beperking om de demonstratie op de [locatie 2] te laten plaatsen een ongerechtvaardigde inbreuk is op hun demonstratierecht. De locatie is niet binnen gezichts- en gehoorafstand van het doelpubliek van verzoekers waarmee het nut van de tegendemonstratie volledig teniet wordt gedaan. De grond voor de beperking, vrees voor wanordelijkheden, kan niet worden afgeschoven op verzoekers. Maar ook in dat geval moet een beperking noodzakelijk zijn. De burgemeester dient het demonstratierecht te faciliteren en actief te beschermen en de nodige politiebescherming bieden. Niet is gebleken dat dit onmogelijk is. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd dat de [locatie 1], maar in ieder geval ook de andere voorgestelde locaties niet geschikt zijn.
Overwegingen voorzieningenrechter
Vooropgesteld dient te worden dat dit een spoedprocedure betreft waarbij de voorzieningenrechter op zeer korte termijn een beslissing dient te nemen. Deze procedure leent zich dan ook niet voor een uitgebreid onderzoek naar en diepgaande overwegingen over de reikwijdte van het demonstratierecht.
De burgemeester is in beginsel gehouden een demonstratie te faciliteren. Het demonstratierecht mag in uitzonderlijke gevallen worden ingeperkt, zoals in het geval dat sprake is van reële vrees voor wanordelijkheden. Het is aan de burgemeester om te onderbouwen waarom een eventuele beperking noodzakelijk is. De voorzieningenrechter toetst of de burgemeester tot de verplaatsing van de locatie heeft kunnen komen.
De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat er wanordelijkheden zullen plaatsvinden. De burgemeester mocht dit baseren op de bestuurlijke rapportage van de politie en de onderliggende stukken. Daarin beschrijft de politie onder meer de wanordelijkheden in het verleden, en de berichten en oproepen op social media over de demonstraties op de avond van 17 september. De burgemeester heeft bij haar besluit ook mogen meewegen: de bescherming van alle demonstranten en van ander publiek dat zich op of rond de [locatie 1] bevindt, en het feit dat de [locatie 1] een moeilijker beheersbare locatie is. Daarom heeft de burgemeester mogen bepalen dat de demonstratie op de [locatie 2] kan plaatsvinden. Dat is weliswaar niet de locatie die verzoekers wilden voor hun demonstratie, maar is wel in de buurt van de [locatie 1].
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekers dienen te demonstreren op de [locatie 2], zoals door de burgemeester is bepaald.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn gewezen op het feit dat er tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.