Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 29 september 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10559Zaaknummer 13-112566-23

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
13-112566-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Procesafspraken: valsheid in geschrifte, oplichting, witwassen. Gevangenisstraf 42 maanden en geldboete € 50.000,-.

9 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen

verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 225 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2026.

[…]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Procesafspraken
  4. 4 De waardering van het bewijs
  5. 5 De bewezenverklaring
  6. 6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
  7. 7 De straf
  8. 8 De toepasselijke wettelijke voorschriften
  9. 9 De beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/112566-23

Datum uitspraak: 29 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ter zitting opgegeven postadres

[adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2026 en 29 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Haeringen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst van 6 juli 2026 en het addendum van 28 september 2026 met daarin de door hen gemaakte procesafspraken.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. medeplegen van het opzettelijk gebruik maken, afleveren en voorhanden hebben van valse geschriften in de periode van 1 maart 2017 tot en met 10 januari 2022 in Nederland en/of de Verenigde Arabische Emiraten;

2. medeplegen van het oplichten van de [naam bank 1] N.V. en de [naam bank 2] in de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 februari 2025 in Nederland;

3. medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 maart 2017 tot met 6 januari 2022 in Nederland, het Verenigde Koninkrijk, Frankrijk, Spanje en/of de Verenigde Arabische Emiraten.

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Procesafspraken

3.1.

De totstandkoming van de procesafspraken en de procesgang

Het Openbaar Ministerie en de raadsman hebben de mogelijkheid besproken van het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening van de strafzaak en de ontnemingszaak. Op 6 juli 2026 hebben partijen de procesafspraken ondertekend. Op 28 september 2026 is er een addendum op de procesafspraken opgesteld.

Tijdens de zitting van 11 september 2026 en de zitting van 29 september 2026 zijn de procesafspraken door de rechtbank aan de orde gesteld. Tevens zijn de procesafspraken ten aanzien van de ontneming aan de orde geweest. Daarvan is een separaat vonnis opgemaakt.

De procesafspraken zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3.2.

Inhoud procesafspraken

In de procesafspraken staat onder meer vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging door het maken van de procesafspraken beogen de behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak zo efficiënt mogelijk te maken. In aanloop naar de afspraken is nadrukkelijk acht geslagen op de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Beoogd is om efficiency en juridische kwaliteit bijeen te brengen.

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken van 6 juli 2026 en het addendum van 28 september 2026 - samengevat - overeengekomen dat:

het Openbaar Ministerie in het kader van deze afspraken:

  • zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3;
  • zal vorderen dat er een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 50.000,- wordt opgelegd;
  • de gevangenneming van verdachte ter zitting zal vorderen.

de verdediging in het kader van deze afspraken:

  • afziet van het indienen van onderzoekswensen;
  • geen verweren zal voeren;
  • zich niet zal verzetten tegen de vordering van de gevangenneming ter zitting;

Beide partijen zien af van hoger beroep als de bewezenverklaring en de strafoplegging in overeenstemming met de procesafspraken plaatsvindt.

3.3.

Beoordeling procesafspraken door de rechtbank

Gelet op het feit dat verdachte blijkens de procesafspraken afstand doet van bepaalde, hem

toekomende verdedigingsrechten, dient de rechtbank te onderzoeken of is voldaan aan de

eisen die voortvloeien uit het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op een eerlijk proces, alvorens zij deze afspraken in overweging nemen.[_711618c0-8738-4538-be37-100c411d48e8]

De rechtbank heeft op de zitting van 29 september 2026 de procesafspraken besproken met

verdachte en zijn raadsman. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij begrijpt waar de procesafspraken uit bestaan. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij akkoord gaat met de procesafspraken van 6 juli 2026 en het addendum van 28 september 2026. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen het

Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweer gevoerd.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier, die opgesomd zijn in de procesafspraken in bijlage II, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, zoals opgenomen in rubriek 5. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode vanaf 1 maart 2017 tot en met 10 januari 2022 in Nederland en/of in de Verenigde Arabische Emiraten, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen meerdere valse en/of vervalste geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

(zaaksdossier 4)

A) een werkgeversverklaring van [incassobureau] d.d. 12 november 2021 op naam van verdachte (p. ZD04.00119) en

B) een salarisspecificatie over de maand oktober 2021 d.d. 31 oktober 2021 afkomstig van [incassobureau] BV op naam van verdachte (p. ZD04.00118) en

(zaaksdossier 5)

C) een werkgeversverklaring van het bedrijf [bedrijf] B.V. d.d. 23 juni 2017 op naam van verdachte (p. ZD05.0264) en

D) 3 salarisspecificaties van 31 maart 2017, 30 april 2017 en 31 mei 2017 van het bedrijf [bedrijf] B.V. op naam van verdachte (p. ZD05.0266 t/m 268) en

E) een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf] B.V. d.d. 1 maart 2017 (p. ZD05.0260),

opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware deze echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte en zijn mededader(s) deze geschrift(en) heeft/hebben

overgelegd ad A en/of B: aan de [naam bank 1] N.V. teneinde een hypotheek aan te vragen en verstrekt te krijgen voor de aankoop van een woning aan de [adres 2] en

ad C, D en/of E: aan de [naam bank 2] teneinde een hypotheek aan te vragen en verstrekt te krijgen voor de aankoop van een woning aan de [adres 3],

en opzettelijk deze geschriften heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik;

2.

in de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met ander(en) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen, de [naam bank 1] N.V. heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten, een hypotheekovereenkomst met betrekking tot een geldlening ter hoogte van € 371.990,- en met een hypotheekrecht op de woning aan adres [adres 2], immers heeft hij, verdachte met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid:

voorgewend dat hij, verdachte, sinds 1 augustus 2020 een vast dienstverband had bij [incassobureau] en een hoger maand- en jaarinkomen uit arbeid genoot dan in werkelijkheid het geval was en hogere eigen financiële middelen had dan in werkelijkheid het geval was, waardoor de [naam bank 1] N.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, en

(zaaksdossier 5)

de [naam bank 2] heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten een hypotheek ter hoogte van een bedrag van € 250.000,- voor de aankoop van een woning aan de [adres 3] immers heeft hij, verdachte, met voren omschreven oogmerk –zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid:

voorgewend dat hij, verdachte, sinds 1 maart 2017 een vast dienstverband had bij van [bedrijf] B.V. een salaris ontving van € 4.067,51 bruto per maand, waardoor de [naam bank 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

in de periode van 1 maart 2017 tot en met 6 januari 2022 in Nederland, en/of in het Verenigd Koninkrijk en/of in Frankrijk en/of in Spanje en/of in de Verenigde Arabische Emiraten, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader(s) (van) meerdere voorwerp(en), te weten:

- een geldbedrag van in totaal ongeveer € 3.278.079,- (Euro) en £ 1.226.145,- (Britse Ponden) (met een totale omgerekende waarde van ongeveer € 4.504.224) (Zaaksdossier 3) en

- een geldbedrag van in totaal ongeveer € 169.235,- (bruto), bestaande uit salarisbetalingen van het bedrijf [incassobureau] B.V. (Zaaksdossier 4) en/of

- een geldbedrag van in totaal ongeveer € 22.041,- bruto, bestaande uit salarisbetalingen van het bedrijf [bedrijf] B.V. (Zaaksdossier 5),

de werkelijke aard en de herkomst verhuld en voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

7 De straf

7.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd. Onder het voorarrest valt ook de periode waarin verdachte heeft vastgezeten in de Verenigde Arabische Emiraten in het kader van zijn uitlevering.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig de procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft verzocht bij de berekening van het aantal dagen voorarrest rekening te houden met de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten in de Verenigde Arabische Emiraten.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de

persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens de zitting.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan hypotheekfraude door het gebruiken en overleggen van vals opgemaakte geschriften en oplichting van zowel de [naam bank 1] als de [naam bank 2]. Op basis van fictieve dienstverbanden heeft verdachte tweemaal een hypotheek verstrekt verkregen. Dit soort constructies ondermijnen (het vertrouwen in) de economie en de financiële markten.

Daarnaast is verdachte gedurende een lange periode betrokken geweest bij het witwassen van in totaal bijna vijf miljoen euro. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. De handelwijze van verdachte vormt een aantasting van de legale economie en is, vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Het leidt er immers toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over het geld kan beschikken in de legale economie, zodat ‘misdaad loont’.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 23 september 2026, waaruit blijkt dat verdachte in 2019 eerder is veroordeeld voor witwassen.

Strafoplegging

De rechtbank heeft gekeken naar de Oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS oriëntatiepunten), die de rechtbanken hebben vastgesteld en naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Bij het oriëntatiepunt voor fraude (waar het delict witwassen onder kan vallen) met een benadelingsbedrag van meer dan € 1 miljoen geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden en hoger. Voor hypotheekfraude en oplichting zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank acht een langdurige gevangenisstraf passend en geboden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten. De rechtbank acht het zwaartepunt van de zaak gelegen in het witwasfeit, waarbij sprake is van enig tijdsverloop. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de feiten achter zich wil laten en dat hij concrete plannen heeft om na detentie zijn leven op te pakken. Verdachte is op eigen initiatief in gesprek gegaan met het Openbaar Ministerie om te komen tot procesafspraken. De rechtbank houdt hiermee rekening gelet op het belang van een efficiënte, voortvarende en effectieve afdoening van de zaak, waarmee recht wordt gedaan aan de belangen van de maatschappij.

De rechtbank zal in lijn met de procesafspraken aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, inclusief de tijd die verdachte in kader van zijn uitlevering in de Verenigde Arabische Emiraten heeft vastgezeten. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een geldboete van € 50.000,- opleggen.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft ter zitting op 29 september 2026 – op vordering van de officier van justitie en in overeenstemming met de procesafspraken – de gevangenneming van verdachte bevolen. Het bevel is apart opgemaakt.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c, 47, 57, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen

verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 225 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2026.

[…]

Voetnoten

  1. Uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.