Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10539Zaaknummer 26-012172
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26-012172
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beklag 552a Sv niet-ontvankelijk. Beslag SKY-ECC gegevens in Nederland, zonder rechtshulpverzoek vestuurd aan Estland. Beklag niet binnen de termijn van twee jaar ingediend.
De rechtbank
De rechtbank verklaart de klager NIET-ONTVANKELIJK in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mr. A.M. Loots en mr. A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager en voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer: 26-012172
datum beslissing: 20 oktober 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [geboortedag] 1982 op een onbekende plaats,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
domicilie kiezend op het kantoor van mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht
([adres]),
hierna te noemen: klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 28 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Op 23 juli 2026 is het klaagschrift op zitting behandeld. De rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 6 augustus 2026 de behandeling van het klaagschrift heropend, omdat het onderzoek ter zitting van 23 juli 2026 onvolledig is geweest.
Naar aanleiding van de behandeling ter zitting van 23 juli 2026 heeft het Openbaar Ministerie op 5 oktober 2026 een aanvullend schriftelijk standpunt ingediend.
De rechtbank heeft op 6 oktober 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld en is - met toestemming van de raadsman en de officier van justitie - verder gegaan in de stand van het geding waarop deze zich op 23 juli 2026 bevond, met inachtneming van de tussenbeslissing.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. J.C. Reisinger en de officier van justitie mr. C.J. Cnossen in raadkamer gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
2 Feiten en omstandigheden
De Nederlandse autoriteiten hebben over de periode 15 februari 2019 tot en met 8 juli 2021, in het kader van de strafrechtelijke onderzoeken Yucca en Werl, Access Point Name-gegevens (hierna: APN-gegevens) van Sky ECC-gebruikers gevorderd van [bedrijfsnaam] op grond van onder meer artikelen 126n, 126nd, 126ng en126u van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De vorderingen zijn gedaan in verband met het vermoeden dat criminelen in grote mate Sky ECC telefoons gebruikten om onderling anoniem en versleuteld te communiceren, ten behoeve van het beramen en plegen van ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband. In 2022 en 2023 hebben de Nederlandse autoriteiten deze gegevens, die betrekking hebben op de periode van 14 mei 2019 tot 8 juli 2021, met andere Europese lidstaten gedeeld door middel van verschillende EUROPOL SIENA Information Exchange Messages.
Het dossier bevat een brief van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2023, die is verstuurd naar autoriteiten van Bulgarije, Letland en Estland, waarin staat dat APN-gegevens worden verstrekt op basis van artikel 7 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna: artikel 7 van het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp) – inhoudende “Spontaneous exchange of information".
3 Beklag
Het klaagschrift strekt tot de vaststelling dat de APN-gegevens van klager onrechtmatig zijn verkregen, opgeslagen en verder zijn verwerkt, alsmede tot vernietiging van die gegevens. Volgens de raadsman zijn de verkrijging, het opslaan en de verwerking van de gegevens in strijd met het Nederlandse en internationale recht en leveren zij een ongerechtvaardigde inmenging op in het door artikel 8 EVRM en artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven. Deze inmenging wordt volgens de raadsman niet gerechtvaardigd door de wettelijke bevoegdheden neergelegd in de artikelen 126n en 126ng Sv.
Tijdens de zitting van 23 juli 2026 heeft de raadsman de grondslag van het beklag gewijzigd in die zin dat het niet langer mede berust op de artikelen 5.4.10 en 5.1.11 Sv, omdat er geen sprake was van een onderliggend Europees onderzoeksbevel of een ander rechtshulpverzoek. De informatie is op basis van artikel 7 van het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp aan de Estse autoriteiten verstrekt. De raadsman beroept zich daarom uitsluitend op de toepassing van artikel 552a Sv en stelt dat sprake is van "kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt”, en "‘kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk". Op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel moet ook een buitenlandse verdachte zich kunnen beklagen over vermeend onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie in Nederland. Bovendien is een beslissing hierover relevant voor de strafzaak van klager in Estland in hoger beroep. De Estse autoriteiten gaan op grond van het vertrouwensbeginsel uit van rechtmatige verkrijging van de gegevens. Hierdoor is klager belanghebbende, en om die reden heeft de raadsman verzocht klager ontvankelijk te verklaren in het klaagschrift.
Op de raadkamerzitting van 6 oktober 2026 heeft de raadsman gepersisteerd bij het verzoek tot vernietiging van de APN-gegevens die betrekking hebben op klager, vanwege de onrechtmatige verkrijging daarvan. Ook richt de klacht zich tegen het opgeslagen houden en verder verwerken van deze informatie.
De raadsman heeft verduidelijkt dat het beklag zich niet in de eerste plaats richt op de vraag of de vorderingen rechtmatig waren en of de rechter-commissaris in redelijkheid toestemming kon verlenen voor de verkrijging van de gegevens. Dit ondanks de onrechtmatigheden bij de eerste vorderingen, onder meer vanwege een onjuiste grondslag en in verband met het niet toepassen van de lijn in het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.[_f9803a07-09b7-4a0c-b0ec-a409abfa9808] Het beklag richt zich voorts niet op de spontane overdracht op grond van artikel 7 van het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp.
Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de APN gegevens - op grond van de gegeven grondslag van de rechter-commissaris en het doel en de reikwijdte van het Nederlandse opsporingsonderzoek - wel rechtmatig zijn verkregen, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval het bewaren, het verder verwerken en het verstrekken van de gegevens van klager aan Estland onrechtmatig was.
Het overschot aan gegevens dat betrekking had op personen tegen wie in Nederland geen opsporingsonderzoek werd verricht, had niet verwerkt mogen worden nu deze gegevens niet ter zake dienend waren voor het Nederlandse onderzoek naar Sky ECC-gebruikers. Deze gegevens hadden daarom onmiddellijk vernietigd moeten worden. Ter onderbouwing heeft de raadsman verwezen naar artikel 4, eerste lid, onder b, van Richtlijn (EU) 2016/680.[_6a593c45-fbae-4225-a121-2c3f30d0ca8e] Hieruit blijkt dat verwerking alleen kan plaatsvinden indien dat met de doeleinden van de verkrijging verenigbaar is.
Alhoewel de stukken inmiddels in de Estse strafzaak zijn gevoegd verzoekt de raadsman de rechtbank alsnog om een last tot vernietiging af te geven van de APN-gegevens van klager voor zover die zich nog in Nederland bevinden.
4 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank primair klager niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten eerste omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 552a Sv. Ter zitting van 23 juli 2026 heeft de officier van justitie betoogd dat de initiële verkrijging van de gegevens op verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden en dat tegen de klacht van verwerking van deze gegevens in afwezigheid van een rechterlijke toetsing enkel een vordering tot een onrechtmatige daad tegen de Nederlandse overheid kan worden ingezet.
Ten tweede omdat het klaagschrift niet tijdig is ingediend, namelijk binnen twee jaar na inbeslagneming, kennisneming, of ontoegankelijkmaking van de gegevens.
Ten derde (bij aanvullend schriftelijk standpunt van 5 oktober 2026) is het beklag volgens het openbaar minsiterie niet ontvankelijk omdat een declaratoir oordeel over de rechtmatigheid van de verwerking van gegevens niet kan worden verkregen in een beklagprocedure. Onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2025:931 stelt zij bovendien dat vernietiging van de APN-gegevens die worden toegeschreven aan klager, voor zover deze al in procesdossiers zijn opgenomen (in dit geval in Estland), via deze beklagprocedure niet mogelijk is.
Subsidiair verzoekt de officier van justitie het klaagschrift ongegrond te verklaren. De APN-data zijn rechtmatig gevorderd en de vorderingen voldoen aan het subsidiairiteits- en proportionaliteitsvereiste. Ten aanzien van de gekozen bevoegdheden en het vereiste van een rechterlijke machtiging in het licht van het Prokuratuur-arrest verwijst de officier van justitie naar de brief van het Openbaar Ministerie van 30 augustus 2022 die in het dossier is gevoegd. Het doel van het onderscheppen van data was hoofdzakelijk het onderkennen en identificeren van gebruikers van Sky-ECC. De inbreuk op de privacy is beperkt gebleven. Dergelijke APN-data zijn gebruikt in zeer veel Nederlandse strafzaken waarbij Sky-data een rol speelde en in geen van die strafzaken is de APN-data onrechtmatig voor het bewijs geoordeeld.[_7b43fa45-3d8d-4554-a5de-8706024e9f90]
In raadkamer heeft de officier van justitie in reactie op het betoog van de raadsman naar voren gebracht dat uit de tekst van de vordering niet volgt dat deze beperkt was tot Nederlandse gebruikers en dat de opsomming in de aanvraag niet limitatief is. De rechter-commissaris was zich ervan bewust dat sprake was van een internationaal onderzoek en heeft de vordering niet bewust beperkt door - bijvoorbeeld - te bepalen dat de data onderschepping zich beperkte tot Nederlandse gebruikers en te bepalen dat overige data zou worden vernietigd.
5 Beoordeling
Is klager belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv?
Ter zitting heeft de raadsman het belang van klager bij een beslissing van de rechtbank nader onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat door de Nederlandse autoriteiten APN-gegevens zijn verkregen die betrekking hebben op klager. De data zijn bovendien nog in bezit van het Openbaar Ministerie, zodat verwerking of verdere verstrekking daarvan nog tot de mogelijkheden behoort. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat klager als belanghebbende moet worden aangemerkt.
Tijdigheid van het verzoek
Op grond van artikel 552a lid 4 Sv dient een klaagschrift, indien een strafvervolging niet of nog niet is ingesteld zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaar na inbeslagneming, kennisneming, of ontoegankelijkmaking van de gegevens worden ingediend.
De raadsman heeft aangevoerd dat klager op 29 januari 2026 op de hoogte is geraakt van de verkrijging en verwerking van zijn APN- gegevens door de Nederlandse autoriteiten. Hij was daarvoor niet bekend met deze gegevensverkrijging en had daarvan niet op de hoogte kunnen zijn. Na kennisneming heeft hij contact gezocht met de raadsman, waarna deze het klaagschrift heeft ingediend De termijn begint pas begint te lopen vanaf het moment dat klager op de hoogte is geraakt en het klaagschrift is dus tijdig ingediend volgend de raadsman.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift te laat is ingediend nu de termijn van ‘uiterlijk binnen twee jaar’ niet is gehaald en uit jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1993 volgt dat niet wordt uitgegaan van het moment waarop de klager op de hoogte is geraakt van de inbeslagneming.
De rechtbank stelt vast dat de APN-gegevens in de jaren 2019 tot en met 2021 zijn verkregen van [bedrijfsnaam] en later in 2023 door de Nederlandse autoriteiten met Estland gedeeld en daar zijn gebruikt in een strafprocedure tegen klager.
Klager is hiervan pas op 29 januari 2026, in het kader van die Estse strafprocedure, op de hoogte geraakt. Het klaagschrift op 28 april 2026 is ingediend.
Voor de aanvang van de termijn, zoals genoemd in artikel 552a lid 4 Sv, is niet vereist dat belanghebbende op de hoogte is geraakt van een handeling zoals bedoeld in dit artikel.[_4db443f8-8845-42a3-9e5e-6812ac401949] De rechtbank stelt vast dat klager geen verdachte was in een Nederlands onderzoek en niet eerder kennis heeft kunnen nemen van de verkrijging en verstrekking van deze gegevens. Hoewel klager na de bekendwording daarvan voortvarend heeft gehandeld, vormt dit geen reden om aan te nemen dat de wettelijke termijn van twee jaar pas op 29 januari 2026 is aangevangen.
Nu niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie binnen twee jaren voorafgaand aan indiending van het klaagschrift opnieuw kennis van de betreffende gegevens heeft genomen of deze heeft verwerkt, is de rechtbank van oordeel dat het klaagschrift buiten de in artikel 552a lid 4 Sv gestelde termijn is ingediend.
Hoewel op zitting de gronden van het klaagschrift uitgebreid zijn besproken, komt de rechtbank in deze uitspraak niet toe aan een inhoudelijk oordeel, nu de rechtbank reeds om voornoemde reden, te weten het niet tijdig indienen van het klaagschrift, klager niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beklag.
Beslissing
De rechtbank
De rechtbank verklaart de klager NIET-ONTVANKELIJK in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mr. A.M. Loots en mr. A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager en voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.
Voetnoten
- Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 maart 2021, C-746/18. ECLI:EU:C:2021:152.
- De EU Richtlijn: (EU) 2016/680 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.
- Onder meer de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4398, r.o. 4.3.1.2.
- Zie de beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden van 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9273.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 552a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 126n Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 126nd Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 126ng Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 126u Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 34 VEU meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8 EVRM meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.