Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10323Zaaknummer 13/195995-26 (zaak A); 13-061207-26 (zaak B) (ter zitting gevoegd)
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13/195995-26 (zaak A); 13-061207-26 (zaak B) (ter zitting gevoegd)
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mishandeling, diefstal fiets en belediging agenten bewezen. ISD-maatregel duur twee jaar. Tuusentijdse beoordeling na één jaar.
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
mishandeling;
Ten aanzien van zaak B:
feit 1
diefstal;
feit 2
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.
Bepaalt dat uiterlijk 1 (één) jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel door de rechtbank zal worden getoetst.
Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 1 (één) jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas – van Es en V.M. Hounjet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.
[...]
[...]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/195995-26 (zaak A); 13-061207-26 (zaak B) (ter zitting gevoegd)
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland]) op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieplaats],
hierna: verdachte.
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F. Budde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A
mishandeling van [slachtoffer 1] op 9 juli 2026;
Zaak B
1. diefstal van een fiets van [slachtoffer 2] op 27 februari 2026;
2. belediging van hoofdagent [naam hoofdagent] en inspecteur [naam inspecteur] op 27 februari 2026.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op basis van de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de diefstal en belediging en de andere in de bijlage II bij dit vonnis vervatte bewijsmiddelen staan, bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling, diefstal en belediging van ambtenaren in functie.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
op 9 juli 2026 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] tegen de lies/buik te trappen;
Zaak B
feit 1
op 27 februari 2026 te Amsterdam een fiets die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2
op 27 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren [naam hoofdagent] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [naam inspecteur] (werkzaam als inspecteur bij de Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [naam hoofdagent] de woorden toe te voegen: ‘kankerflikker’ en ‘ik hoop dat je kanker krijgt’ en door die [naam inspecteur] de woorden toe te voegen: ‘kankerhoer en ‘kankerwijf’.
5 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangegeven dat verdachte gemotiveerd is om mee te werken aan een ISD-maatregel en dat hij zo snel mogelijk wil starten met zijn behandeling. Nu de getuige-deskundige op zitting heeft verklaard dat de wachtlijst voor behandeling bij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel korter is dan bij de voorwaardelijke ISD-maatregel, verzoekt de raadsman de rechtbank om de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling, diefstal en een belediging van ambtenaren in functie. Dit betreffen drie hinderlijke feiten, waarvan er twee waren gericht tegen personen die in de uitoefening van hun beroep waren en werden geconfronteerd met agressief en beledigend gedrag van verdachte, die onder invloed van alcohol was. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal. Dat is een hinderlijk feit voor de benadeelde. Dat de benadeelde door zijn eigen actieve handelen zijn fiets heeft teruggekregen van verdachte, doet hier niet aan af. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Inforsa van 22 september 2026, opgemaakt door [naam]. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
‘Er is sprake van instabiliteit op veel leefgebieden. De heer [verdachte] beschikt niet over stabiele huisvesting, heeft geen werk of zinvolle dagbesteding, en zijn sociaal netwerk is zeer beperkt. Voorts is betrokkene gediagnosticeerd met een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken. Echter, het meest zorgelijke aspect betreft zijn forse, langdurige alcoholgebruik. Betrokkene is dagelijks onder invloed, wat geregeld leidt tot ernstige overlast voor zijn omgeving en het plegen van delicten. Hoewel uit de referenteninformatie en de dossierinformatie naar voren komt dat hij in de basis een zachtaardig persoon is, verandert zijn houding en gedrag onder invloed van alcohol drastisch en ontstaat er karakterverandering.
In de afgelopen jaren zijn er talloze trajecten ingezet om deze vicieuze cirkel te doorbreken,
waaronder langdurige klinische opnames, detox-opnames, ambulante behandelingen en begeleid wonen. Ondanks deze trajecten blijft hij recidiveren en telkens terugvallen in middelengebruik. Gezien alle reeds ingezette interventies door de reclassering, kunnen wij concluderen dat een kader binnen een voorwaardelijke veroordeling niet langer afdoende is en dat alle mogelijkheden momenteel zijn uitgeput.
Om deze reden adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit dwingende kader biedt de heer [verdachte] de noodzakelijke structuur, om abstinentie te bereiken. Daarnaast maakt de maatregel het mogelijk om bij een terugval snel te schakelen, hem direct terug te plaatsen in de PI en het behandeltraject van daaruit opnieuw te vervolgen. Tevens heeft de maatregel als doel om de maatschappij te beschermen, gezien de vele delicten die hij pleegt en de overlast die hij veroorzaakt bij onder andere zijn familie. Wij schatten in dat een dergelijk kader hem de beste kansen biedt om tot stabilisatie te komen en de vicieuze cirkel van overlast en recidive definitief te doorbreken.’
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 2 oktober 2026 reclasseringswerker [naam reclasseringswerker], verbonden aan Inforsa te Amsterdam, als deskundige gehoord. Zij heeft het ISD-advies onderschreven.
De rechtbank vindt zich op basis van het reclasseringsadvies voldoende voorgelicht en gaat over tot oplegging van de ISD-maatregel. Hiertoe overweegt zij als volgt.
Motivering ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte drie misdrijven heeft begaan. Voor twee van deze feiten, namelijk de mishandeling en de diefstal, is voorlopige hechtenis toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 september 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan onderhavige feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 september 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel. Verdachte lijkt overwegend onder invloed van alcohol strafbare feiten te plegen. Nu eerdere hulpverleningstrajecten en behandelingen de afgelopen jaren niet het beoogde resultaat hebben behaald, heeft de rechtbank geen vertrouwen in een ander, bijvoorbeeld ambulant voorwaardelijk, kader. Zonder adequate behandeling blijft het herhalingsgevaar gelet op de problematiek bij verdachte onverminderd hoog.
Om binnen de ISD-maatregel voldoende tijd te hebben om verdachte gedurende langere tijd te behandelen en begeleiden en zo de nodige stappen te zetten voor een veilige en stabiele terugkeer in de maatschappij, legt de rechtbank de maatregel op voor de maximale termijn van twee jaren en brengt zij de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering op de duur van de maatregel.
Tussentijdse beoordeling
Op zitting heeft de rechtbank kunnen zien dat verdachte inmiddels een tijd abstinent is en dat hij zich gemotiveerd toont voor behandeling, hetgeen op de rechtbank oprecht is overgekomen. Verdachte heeft aangegeven dat hij zo snel mogelijk met de behandeling wil starten en hij maakt zich zorgen over de wachtlijsten. De rechtbank ziet aanleiding om uiterlijk één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen. Dit toetsingsmoment biedt de mogelijkheid om de voortgang van de maatregel in de gaten te houden en zal ertoe moeten dienen verdachte gemotiveerd te houden voor de medewerking aan zijn behandeling.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 266, 267, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
mishandeling;
Ten aanzien van zaak B:
feit 1
diefstal;
feit 2
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.
Bepaalt dat uiterlijk 1 (één) jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel door de rechtbank zal worden getoetst.
Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 1 (één) jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas – van Es en V.M. Hounjet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.
[...]
[...]
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.