Uitspraak · Europees strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10184Zaaknummer 13-226926-26

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
13-226926-26
Rechtsgebied
Strafrecht, Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Executie-EAB België. Overlevering toegestaan. Artikel 12 OLW. Sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Artikel 6a OLW. Gelijkstellingsverweer verworpen. De opgeëiste persoon staat sinds 2019 ononderbroken ingeschreven op een adres in Nederland, maar wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan over de jaren 2021 en 2022 kan niet worden geoordeeld dat sprake is van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden. Verweer raadsvrouw verworpen. Er zijn niet voldoende objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd dat een algemeen reëel gevaar dient te worden aangenomen voor personen die op een vrouwenafdeling in een detentie-instelling in België worden gedetineerd en als gevolg van de detentieomstandigheden aldaar onvoldoende tijd buiten hun cel kunnen doorbrengen. De aangehaalde passages uit het recente CPT-rapport bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de substituut-procureur-generaal bij het Hof van beroep Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
  2. 1 Procesgang
  3. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon
  4. 3 Grondslag en inhoud van het EAB
  5. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
  6. 5 Strafbaarheid
  7. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
  8. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
  9. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
  10. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden
  11. 8 Slotsom
  12. 9 Toepasselijke wetsbepalingen
  13. 10 Beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-226926-26

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 12 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[_b0e28e43-75dd-4c2a-8ac4-5c4db58538a9]

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 oktober 2021 door de substituut-procureur-generaal bij het Hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] (Bulgarije),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Bulgaarse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[_f762b863-b5a4-41f9-ba42-9fbab0934fef]

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

In het EAB wordt de overlevering gevraagd van [opgeëiste persoon] met dezelfde geboortedatum en geboorteplaats als de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft eerder verklaard dat zij tot haar naamswijziging op 12 november 2021 bekend was onder deze naam en dat zij daadwerkelijk de opgeëiste persoon is.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen (C2-kamer) van 15 september 2021 met kenmerk 2018/PGA/75 (Griffienummer: 1247/2021).

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en zij moet deze straf ondergaan in België. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 900 dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[_ce601af7-14c9-4a8d-868c-f11d4308b9ad]

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar het Khuzdar-arrest bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon niet aanwezig was tijdens de procedure die tot het arrest heeft geleid en niet in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces in hoger beroep.[_ef0ffbfd-d1e8-43f8-8b4c-41de2c102429] Daarnaast heeft de opgeëiste persoon geen advocaat gemachtigd om namens haar de verdediging op het proces te voeren. Ze heeft weliswaar na het vonnis in eerste aanleg een advocaat in de arm genomen die verzet heeft aangetekend, maar nadien heeft ze niets van hem vernomen. Zij is niet op de hoogte gesteld van een zitting in hoger beroep en heeft geen machtiging verstrekt. Ook is er geen reden om af te zien van weigering. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub, b OLW. Volgens de officier van justitie is ook aan de voorwaarde dat de opgeëiste persoon ‘op de hoogte van het voorgenomen proces´ moet zijn, voldaan indien de oproeping voor de zitting niet aan de opgeëiste persoon is betekend, maar aan een door hem of haar gemachtigde advocaat die ook is aangewezen de betekeningen in ontvangst te nemen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon woonplaats heeft gekozen ten kantore van haar advocaat en dat deze advocaat op de zitting is verschenen en daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie verwezen naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank.[_c49ab524-3207-4cf4-a097-ea654ce27c9e] Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van toepassing is, maar dat van toepassing daarvan kan worden afgezien. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg en vervolgens zelf een advocaat heeft ingeschakeld die namens haar hoger beroep heeft ingesteld. Het had daarom op haar weg gelegen om contact te onderhouden met haar advocaat over het verdere verloop van de procedure in hoger beroep.

4.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

In onderdeel D) van het EAB is bij punt 3.1a vermeld dat – zo begrijpt de rechtbank – de dagvaarding voor de procedure in hoger beroep op 3 februari 2021 aan haar vertegenwoordiger is betekend overeenkomstig de Belgische wetgeving. Voorts is vermeld dat de opgeëiste persoon daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en plaats van het proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer zij niet op het proces verschijnt. Voorts is vermeld dat zij werd vertegenwoordigd door een raadsman van haar keuze.

Naar aanleiding van de door het openbaar ministerie op 20 augustus 2026 gestelde vragen, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 25 augustus 2026 in een e-mail het volgende medegedeeld:

“Het hoger beroep werd ingesteld door de advocaat van [opgeëiste persoon], namens haar.

In het Belgische gerechtelijk recht en strafprocesrecht voorziet artikel 440 Gerechtelijk wetboek het volgende: “De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving vereist.” Voor strafprocessen is geen bijzondere lastgeving vereist.

Bijgevolg wordt elke advocaat die optreedt in een strafproces geacht daartoe gemandateerd/ gemachtigd te zijn door zijn cliënt.

De raadsman is daadwerkelijk op de zitting aanwezig geweest en heeft haar cliënt vertegenwoordigd.

[opgeëiste persoon] heeft gedurende de hele procedure woonstkeuze op het kantoor van haar advocaat gedaan.

De dagvaarding is door de deurwaarder in persoon betekend aan het kantoor van haar raadsman. Tevens is er per post een bericht van vaststelling van de zaak aan haar raadsman verzonden.”

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van het proces. De dagvaarding is immers aan het kantoor van haar advocaat betekend. De situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW is daarom niet aan de orde. De vraag is vervolgens of de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.

Uit de aanvullende informatie van 25 augustus 2026 blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon namens haar hoger beroep heeft ingesteld en dat die advocaat tijdens het proces ook daadwerkelijk haar verdediging heeft gevoerd. Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit laten weten dat uit het feit dat de advocaat op het proces is verschenen, volgt dat hij door de opgeëiste persoon was gemachtigd. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat volgens Belgisch recht uit het verschijnen van een advocaat ter zitting volgt dat deze gemachtigd is om zijn cliënt te vertegenwoordigen.[_99bffc6f-f769-4ff9-8c4a-b4661ecb50af] Tot slot blijkt uit voormelde aanvullende informatie dat deze advocaat daadwerkelijk de verdediging in hoger beroep heeft gevoerd.

Vervolgens ligt de vraag voor of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Bij de vaststelling of dat het geval is dient, gelet op het Khuzdar-arrest, te worden voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn of haar veroordeling heeft geleid.[_ae36323a-11a6-4f08-af7d-20810715b06f] In het Höldermann-arrest heeft het HvJ EU overwogen dat eveneens aan de voorwaarde dat de opgeëiste persoon, in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn of haar veroordeling heeft geleid, is voldaan indien een dagvaarding of oproep is betekend aan een advocaat die door de opgeëiste persoon is gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren en die door hem of haar is aangewezen om betekeningen in ontvangst te nemen. De verzending van die oproep naar het adres van het advocatenkantoor van de advocaat van de opgeëiste persoon staat namelijk gelijk aan een kennisgeving aan de opgeëiste persoon zelf.[_10fec091-b87e-499c-90c2-03c1e22580e1]

Uit de aanvullende informatie van 25 augustus 2026 blijkt dat in deze zaak de opgeëiste persoon woonplaats had gekozen op het kantoor van haar advocaat en dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep in persoon aan dit kantoor is betekend, zodat ook voldaan is aan de voorwaarde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces.

In het licht van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.[_d2af00dd-2873-41d1-a51d-cf9d180068ca]

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet;

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet;

diefstal.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft bepleit dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft de rechtbank verzocht om de overlevering te weigeren onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de opgeëiste persoon sinds 2019 ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft en over voldoende inkomsten heeft beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien. Dat de opgeëiste persoon in de jaren 2020 en 2021 minder uren heeft gewerkt was het gevolg van de coronapandemie. In die periode heeft zij bovendien gedeeltelijk een uitkering ontvangen. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw tijdig onder meer een UWV-verzekeringsbericht, belastingaangiften, jaaropgaven, arbeidsovereenkomsten en loonstroken overgelegd.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat zij vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Weliswaar staat de opgeëiste persoon vanaf 2019 ononderbroken ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) in Nederland, maar zij heeft voor de jaren 2021 en 2022 niet aangetoond over voldoende inkomsten te beschikken. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat over de jaren 2021 en 2022 geen sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid. Daarnaast kan de ontvangen bijstandsuitkering niet als vallend onder het begrip “middelen van bestaan” worden meegerekend. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 1 september 2026.[_d808119e-e316-4006-b440-5a4c367bd4de] Subsidiair, indien de opgeëiste persoon volgens de rechtbank wel gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, heeft de officier van justitie erop gewezen dat de straf niet zonder meer door Nederland kan worden overgenomen. Daarvoor dient eerst de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nog te worden bevraagd en dient een certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis bij de Belgische autoriteiten te worden opgevraagd.

6.2

Oordeel van de rechtbank

De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

  • de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én
  • ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Eerste voorwaarde

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

Uit de BRP blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 12 juli 2019 onafgebroken ingeschreven staat op een adres in Nederland. Uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken blijkt echter niet dat de opgeëiste persoon vanaf dat moment ook gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef.

Ten aanzien van het jaar 2021 zijn geen objectieve en concrete gegevens overgelegd waaruit haar inkomsten uit arbeid blijken. Belastingaangiftes zijn volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank immers géén objectieve gegevens, omdat die door of namens de opgeëiste persoon zijn ingevuld, nog kunnen worden gewijzigd en nog niet door de Belastingdienst zijn vastgesteld.[_b37ed9bf-39f3-4004-8aeb-f9fe4080dd69] Uit het UWV-verzekeringsbericht volgt dat de opgeëiste persoon in dat jaar gedurende 83 uur in loondienst heeft gewerkt. Volgens haar eigen toelichting zou zij daarmee €943,00 hebben verdiend. Daarnaast zou zij een bijstandsuitkering hebben ontvangen. Nog daargelaten dat nergens uit blijkt dat de opgeëiste persoon deze uitkering heeft ontvangen, betreft een bijstandsuitkering geen uitkering waarover premies zijn afgedragen en geldt deze volgens vaste rechtspraak daarom in beginsel niet vallend onder het begrip “middelen van bestaan”.[_365b16c9-ac4f-4009-abdd-75a6e0d8fb0e]

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van reële en daadwerkelijke arbeid als hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandige. Evenmin kan de opgeëiste persoon over 2021 worden aangemerkt als economisch niet-actieve, nu een bijstandsuitkering niet meetelt als middelen van bestaan. Daarnaast zijn geen objectieve en concrete gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in 2021 beschikte over inkomsten uit vermogen of andere bronnen van inkomsten en of zij over een ziektekostenverzekering beschikte. Ook met betrekking tot het jaar 2022 heeft zij niet aan de vereisten voor rechtmatig verblijf voldaan. In dat jaar heeft zij – zo blijkt uit het UWV-verzekeringsbericht en haar eigen verklaring – slechts 471 uur gewerkt en zou zij daarmee €5.702,00 hebben verdiend, aangevuld met wederom een bijstandsuitkering. Wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan over de jaren 2021 en 2022 kan daarom niet worden geoordeeld dat sprake is van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf.

Dit betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

7.1

Inleiding

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.[_40f76272-f3d2-4c3e-8d46-ef45e225c209]

Bij brief van 20 augustus 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:

“ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?

[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.

In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:

- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.

- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.

o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.

- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.

- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

7.2

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere informatie te vragen over de vraag of de opgeëiste persoon in Brugge op een vrouwenafdeling zal worden geplaatst en over de actuele detentieomstandigheden (bezetting, leefruimte en de feitelijke tijd buiten de cel) aldaar. Hoewel door de Belgische autoriteiten een detentiegarantie is verstrekt, is deze volgens de raadsvrouw te algemeen en neemt de garantie het eerder vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon niet weg. Daartoe heeft de raadsvrouw gewezen op het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 8 september 2026. Hieruit volgt dat de detentieomstandigheden in de Belgische gevangenissen sinds 2017 aanzienlijk zijn verslechterd en dat de overbevolking ook de vrouwenafdelingen treft. Zo zouden in de gevangenis van Marche-en-Famenne en Haren de cellen op de vrouwenafdeling regelmatig gesloten blijven en zouden activiteiten zijn geschrapt vanwege onderbezetting bij het gevangenispersoneel. Het CPT heeft in dat verband aanbevolen om vrouwelijke gedetineerden ten minste hetzelfde niveau en aanbod aan activiteiten buiten de cel aan te bieden als mannelijke gedetineerden. Indien het individuele gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen, heeft de raadsvrouw bepleit dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, omdat de opgeëiste persoon na overlevering aan België een individueel reëel gevaar loopt te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de detentie-instelling in Brugge.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg. Het door de raadsvrouw geschetste beeld bevestigt weliswaar het eerder vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling, maar met de verstrekte individuele garantie is dit algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Er is geen informatie voorhanden waaruit blijkt dat getwijfeld moet worden of de verstrekte individuele garantie niet kan worden nageleefd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [_26835653-fad8-4c5c-8d30-522444c61286]

De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat zij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).

Hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst heeft de rechtbank eerder overwogen dat het nieuwe CPT-rapport van 8 september 2026 het reeds aangenomen algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de algemene detentieomstandigheden in België, waaronder met name de overbevolking en grondslapers in de gevangenissen, bevestigt.[_e73a5bca-6117-4909-b085-7db84dc9ef88] De rechtbank ziet in het nieuwe CPT-rapport geen aanleiding om het algemene gevaar uit te breiden of te concluderen dat de afgegeven individuele detentiegaranties niet meer volstaan. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat een algemeen reëel gevaar dient te worden aangenomen voor personen die op een vrouwenafdeling in een detentie-instelling in België worden gedetineerd en als gevolg van de detentieomstandigheden aldaar onvoldoende tijd buiten hun cel kunnen doorbrengen, heeft de raadsvrouw daartoe niet voldoende objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. De door de raadsvrouw aangehaalde passages uit het CPT-rapport bieden onvoldoende aanknopingspunten om – naast het hiervoor omschreven algemene reële gevaar voor alle detentie-instellingen in België – aan te nemen dat dit zich met dusdanige frequentie voordoet, dat op een vrouwenafdeling in een detentie-instelling in België sprake is van dergelijke structurele en fundamentele gebreken. De rechtbank ziet dan ook op grond van het vorenstaande geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 van het Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de substituut-procureur-generaal bij het Hof van beroep Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

  1. Zie artikel 23 Overleveringswet.
  2. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
  3. Zie onderdeel e) van het EAB.
  4. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar).
  5. Rb. Amsterdam 11 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5987.
  6. Vgl. Rb. Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8606.
  7. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar).
  8. HvJ EU 21 mei 2026, C447/24, ECLI:EU:C:2026:417 (Höldermann).
  9. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.
  10. Rb. Amsterdam 1 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8759.
  11. Rb. Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5116.
  12. Rb. Amsterdam 1 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8759.
  13. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
  14. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 114.
  15. Vgl. Rb. Amsterdam 24 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9740.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.