Uitspraak · Europees strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10180Zaaknummer 13-315915-24
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-315915-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Europees strafrecht
- Procedure
- Op tegenspraak, Tussenuitspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Executie-EAB uit Roemenië. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW: situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Artikel 6a OLW: de rechtbank heropent en schorst het onderzoek om de verdediging in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde stukken over te leggen.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 28 december 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 14 december 2026, opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-315915-24
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 7 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[_822bf95f-901d-4f53-96b2-2e57463ea815]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 september 2024 door de rechtbank Maramureş, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. A. Petrescu, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[_3ca11174-eaf0-4be2-ba33-2937c8cf17c3]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB - in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 26 augustus 2026 - vermeldt een strafvonnis van het Maramureş Tribunal van 11 mei 2024, met kenmerk nr. 109, dat op 18 september 2024 onherroepelijk is geworden krachtens een strafrechtelijke beslissing van het Hof van Beroep te Cluj, met kenmerk nr. 1320/A/18.09.2024.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaren, waarop de periode van 24 uur inverzekeringstelling op 26 april 2018 in mindering wordt gebracht.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[_96bc8f07-b1da-4922-8acb-2f18d8f8a28d]
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet op alle zittingsdagen in hoger beroep aanwezig is geweest en dat het arrest dus aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. De opgeëiste persoon heeft aangegeven dat hij in Nederland woonde, maar hij is daar niet op de hoogte gebracht van iedere zittingsdatum, ook niet van de data na 15 mei 2024, van de datum van de uitspraak en van de uitspraak zelf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces in hoger beroep. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon is op de zittingen van 19 december 2023, 15 februari 2024 en 24 april 2024 in persoon verschenen en bijgestaan door een gemachtigd advocaat. De opgeëiste persoon is op de zittingen van 26 maart 2024 en 15 mei 2024 niet in persoon verschenen, maar vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. De opgeëiste persoon was op de hoogte van het voorgenomen proces, omdat hij in persoon is verschenen op meerdere zittingen en hem toen steeds de volgende zittingsdatum is aangezegd. Meer subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat op grond van het voorgaande kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.[_55c6cc95-fbfd-47cc-ac74-61c0fdb165c0] De rechtbank zal daarom de beslissing van het Hof van Beroep te Cluj van 18 september 2024, met kenmerk nr. 1320/A/18.09.1024, toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. In het EAB is in onderdeel d) aangekruist dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Voorts is aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het geplande proces en een advocaat had gemachtigd, die door hem was aangewezen om hem tijdens het proces te verdedigen, en dat hij tijdens het proces voor het Hof van Beroep te Cluj daadwerkelijk door deze advocaat is verdedigd. In de aanvullende informatie van 26 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aangegeven dat dit een vergissing is, nu de opgeëiste persoon wel op de zitting van 19 december 2023 aanwezig is geweest en toen is bijgestaan door zijn gemachtigd advocaat, Radu Emil Ovidiu. De opgeëiste persoon is toen aangezegd om op de zitting van 15 februari 2024 te verschijnen. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op de zitting van
15 februari 2024 in persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigd advocaat. Hem is toen aangezegd om op de zitting van 26 maart 2024 te verschijnen. De opgeëiste persoon is vervolgens niet in persoon verschenen op de zitting van 26 maart 2024, maar hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd advocaat. De opgeëiste persoon is vervolgens weer in persoon verschenen bij de volgende zitting op 24 april 2024. Hij is toen bijgestaan door zijn gemachtigd advocaat. De opgeëiste persoon is toen aangezegd om op de zitting van 15 mei 2024 te verschijnen. De opgeëiste persoon is vervolgens niet in persoon verschenen op de zitting van 15 mei 2024, maar hij is opnieuw vertegenwoordigd door zijn gemachtigd advocaat. Het is de rechtbank niet gebleken dat na de zitting van 15 mei 2024 nog een inhoudelijke behandeling van de zaak op een volgende zitting heeft plaatsgevonden, terwijl de raadsvrouw het verweer dat er na 15 mei 2024 nog zittingen zouden zijn geweest, ook niet heeft onderbouwd.
Nu de opgeëiste persoon bij meerdere zittingen in persoon is verschenen en de zittingen waar hij niet is verschenen aan hem in persoon zijn aangezegd, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces (doordat hij in kennis is gesteld van datum en plaats van het voorgenomen proces).[_2483a9b7-0ec2-4516-818f-a48a89b332a1] De rechtbank merkt in dat verband nog op dat de opgeëiste persoon ter zitting van de behandeling van het EAB op 1 oktober 2026 heeft verklaard dat het klopt dat hij op sommige zittingen afwezig was omdat hij in Nederland aan het werk was en geen verlof kreeg, maar dat hij de advocaat, Radu Emil Ovidiu, had gemachtigd om zijn verdediging te voeren in hoger beroep. Uit onderdeel d) van het EAB volgt ten slotte dat de opgeëiste persoon tijdens het proces in hoger beroep daadwerkelijk is verdedigd door deze advocaat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Het betoog dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte zou zijn gebracht van de datum van het arrest en van het arrest zelf kan daarom niet slagen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
informaticacriminaliteit.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Roemenië maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 6a OLW moet worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Uit de Informatiestaat van de Strafrechtketendatabank (SKDB) blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2021 als niet-ingezetene is geregistreerd. Hij moest zich registreren om een burgerservicenummer (BSN) te krijgen, waarmee hij aan het werk kon. Vanaf dat moment is hij in Nederland woonachtig en is hij hier ook werkzaam geweest. Uit de verklaringen van het geregistreerd inkomen over de jaren 2021 tot en met 2025, de stukken van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de salarisstroken over het jaar 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon steeds reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Uit de overgelegde salarisstroken blijkt ook dat een bedrag is ingehouden voor de zorgverzekering en de huisvesting van de opgeëiste persoon. In de periode voordat hij ingeschreven is in de SKDB (met ingang van 17 juni 2024) heeft hij gewoond op plekken die hem door het uitzendbureau werden aangewezen, maar waar hij zich niet kon inschrijven.
Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het certificaat en het veroordelende arrest van het Hof van Beroep te Cluj van 18 september 2024, met kenmerk
nr. 1320/A/18.09.1024, op te vragen. De verdediging kan dan de benodigde salarisstroken over het jaar 2021 overleggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkstellingsverweer niet slaagt en dat de overlevering moet worden toegestaan. De opgeëiste persoon heeft in de jaren 2021, 2022 en 2023 niet ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen (BRP). Dat hoeft geen probleem te zijn als blijkt dat er voldoende arbeid is verricht in die periode. Uit de verklaring van het geregistreerd inkomen over het jaar 2021 en de stukken van het UWV blijkt dat de opgeëiste persoon in dat jaar €5.994,- heeft verdiend en 483 uren heeft gewerkt. Dat staat gelijk aan ongeveer tien werkweken. Het is echter onduidelijk wanneer de opgeëiste persoon in het jaar 2021 in Nederland heeft verbleven en gewerkt. De mogelijkheid bestaat namelijk dat de opgeëiste persoon seizoensarbeid heeft verricht in Nederland of dat hij gedurende het jaar 2021 heen en weer is gereisd tussen Nederland en Roemenië. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdediging de gelegenheid kan worden geboden om de benodigde stukken over het jaar 2021 alsnog over te leggen. In het geval dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan, zal ook nog een advies van de IND, het certificaat en een kopie van het veroordelende arrest moeten worden opgevraagd.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
- de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én
- ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken (nog) niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De verdediging heeft ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer verklaringen van het geregistreerd inkomen en stukken van het UWV over de jaren 2021 tot en met 2025 overgelegd. Daarnaast heeft de verdediging huurcontracten en detacheringsovereenkomsten over de jaren 2025 en 2026 en salarisstroken over het jaar 2026 verstrekt. Uit de SKDB blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2021 als niet-ingezetene in Nederland is aangemeld. Uit de verklaring van het geregistreerd inkomen over het jaar 2021 volgt dat de opgeëiste persoon een inkomen van €5.994,- heeft verdiend. Voorts blijkt uit de stukken van het UWV dat de opgeëiste persoon in totaal 483 uren heeft gewerkt in 2021. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij in augustus 2021 naar Nederland is gekomen om te werken, maar dat hij in de periode tussen oktober 2021 tot januari 2022 in Roemenië is geweest wegens het overlijden van zijn oma. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw een overlijdensakte overgelegd, waaruit blijkt dat de oma van de opgeëiste persoon op 25 oktober 2021 in Roemenië is overleden. Uit de stukken van het UWV blijkt dat de opgeëiste persoon vanaf januari 2022 weer in Nederland is gaan werken. Hoewel het aantal gewerkte uren en inkomen over 2021 overeenkomt met de verklaring van de opgeëiste persoon, is de rechtbank van oordeel dat hiermee nog niet voldoende is onderbouwd wanneer de opgeëiste persoon in 2021 in Nederland is gaan werken en wonen. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon vanaf
9 augustus 2021 als niet-ingezetene staat geregistreerd in de SKDB, betekent niet noodzakelijkerwijs dat hij vanaf dat moment - en niet pas later - in Nederland is gaan werken en wonen. Gelet op het feit dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard dat hij deze gegevens in zijn telefoon heeft staan en hij deze kan verstrekken en het feit dat het gaat om een beperkt aantal stukken die op dit punt nog ontbreken, ziet de rechtbank in dit specifieke geval reden om het onderzoek te heropenen en te schorsen teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen deze ontbrekende stukken over te leggen met betrekking tot de aanvangsdatum van het verblijf en de werkzaamheden van de opgeëiste persoon in 2021, bijvoorbeeld door middel van salarisstroken vanaf augustus 2021. Daaruit kan dan ook blijken van kosten voor huisvesting die op het salaris worden ingehouden.
Voorts blijkt uit de stukken van het UWV dat de opgeëiste persoon in de periode tussen 18 juli 2022 tot en met 26 februari 2023, en dus een periode van ruim zeven maanden, geen inkomen heeft verdiend in Nederland. De opgeëiste persoon heeft hierover ter zitting verklaard dat dit kwam doordat hij in die periode in Roemenië is geweest en dus niet in Nederland verbleef. Hij heeft hierover verklaard dat deze afwezigheid verband hield met de dringende zorg voor zijn opa in Roemenië die een CVA had gehad, slechtziend was en naar een verzorgingstehuis moest. Hij was degene die deze zorg moest bieden, vooral omdat zijn oma eerder was overleden en dus niemand anders voor zijn opa kon zorgen. Zijn opa en oma hebben hem - zo heeft hij verklaard - als zijn ouders opgevoed. Zodra hij een plek had gevonden voor zijn opa is hij terug gekomen, waarna zijn opa enkele maanden later is overleden. De opgeëiste persoon heeft ter zitting de overlijdenaktes (in de Roemeens/Engelse taal) van zijn oma (25 oktober 2021) en zijn opa (25 juli 2023) overgelegd.
De rechtbank overweegt dat, gelet op deze verklaring, mogelijk sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 8.17, tweede lid, onder b, Vreemdelingenbesluit 2000. Op grond van dit artikellid vormt de afwezigheid uit Nederland geen onderbreking van de opbouw van het ononderbroken verblijf “gedurende een eenmalige periode van ten hoogste 12 achtereenvolgende maanden om een belangrijke reden zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding”. De rechtbank heeft zich in zaken waarin een beroep op gelijkstelling met een Nederlander wordt gedaan, nog niet eerder uitgesproken over de vraag of een situatie onder de in artikel 8.17, tweede lid, onder b, Vreemdelingenbesluit 2000 geschetste “belangrijke reden” valt en welke eisen aan de onderbouwing daarvan gesteld worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan afwezigheid uit Nederland om steun te bieden aan een grootvader in de lidstaat van herkomst, in het geval niemand anders die zorg op zich kan nemen, op zich een belangrijke reden als bedoeld in het artikellid vormen. Dit dient dan wel onderbouwd te worden met stukken zoals - in dit geval - medische verklaringen, bewijsstukken van verhuizing naar het verzorgingstehuis of andere stukken. In dit geval is de opgegeven reden voor afwezigheid van de opgeëiste persoon uit Nederland gedurende de periode van meer dan zeven maanden echter onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank op dit moment nog niet kan vaststellen of de afwezigheid al dan niet heeft geleid tot een onderbreking van de opbouw van het ononderbroken verblijf. De rechtbank zal daarom het onderzoek ook heropenen en schorsen teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen de belangrijke reden die geleid heeft tot deze periode van afwezigheid uit Nederland, te onderbouwen.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 90 dagen in deze zaak verstrijkt op
29 oktober 2026. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit specifieke geval reden de beslistermijn nogmaals te verlengen met 60 dagen (eindigend op 28 december 2026) op grond van artikel 22, vierde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie. De reden hiervoor is dat de rechtbank zich niet eerder geconfronteerd heeft gezien met een situatie waarin sprake zou kunnen zijn van toepassing van artikel 8:17, tweede lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en zij de verdediging daarom, in deze specifieke zaak, de gelegenheid wil geven de afwezigheid van ruim zeven maanden wegens de gestelde zorg voor de opa van de opgeëiste persoon, nader te onderbouwen. .
Wat de overige periodes betreft, heeft de opgeëiste persoon blijkens de stukken van het UWV vanaf januari 2022 in Nederland gewerkt, en is hij na zijn verblijf in Roemenië eind februari 2023 teruggekomen naar Nederland om te werken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon vanaf januari 2022 (met uitzondering van de periode dat hij in Roemenië was) tot aan zijn inschrijving op 17 juni 2024 op een vast adres in [plaats], een zodanige hoeveelheid uren heeft gewerkt dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon gedurende die periode ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de verdediging voldoende is onderbouwd dat de opgeëiste persoon vanaf 1 januari 2022 tot en met 17 juli 2022 en vanaf 27 februari 2023 tot heden ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
De rechtbank stelt de verdediging in de gelegenheid te onderbouwen dat hij
- in de periode van augustus tot oktober 2021 heeft gewoond en gewerkt in Nederland
- in de periode tussen juli 2022 en februari 2023 in Roemenië is geweest om de zorg te dragen voor zijn opa, omdat niemand anders deze zorg op zich kon nemen.
Voor het geval de rechtbank aan de hand van de nog over te leggen informatie tot de conclusie komt dat is voldaan aan de eerste voorwaarde, verzoekt de rechtbank aan de officier van justitie om, uit hoofde van efficiëntie, alvast bij de IND een advies op te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie om dezelfde redenen om ook alvast bij de daartoe bevoegde autoriteit in Roemenië een certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende arrest op te vragen. De rechtbank verwacht namelijk, gelet op de IND-adviezen in andere overleveringszaken en de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Roemenië is veroordeeld, dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde stukken over te leggen.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 28 december 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 14 december 2026, opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Zie artikel 23 OLW.
- Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
- Zie onderdeel e) van het EAB.
- Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
- Zie HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar).
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 12 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6a OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8.17 VB meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 27 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 29 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 23 OLW meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.