Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:1024Zaaknummer 25/03372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
25/03372
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Betekening mededeling uitspraak “in persoon” door elektronische overdracht (art. 36b lid 2 Sv). Hoger beroep te laat ingesteld na verstekveroordeling eerste aanleg. Verdachte voert in hoger beroep gemotiveerd en onderbouwd aan dat een ander dan hijzelf heeft ingelogd in zijn MijnOverheid-account om hem te helpen bij aanvraag VOG, waardoor hij niet op hoogte is geraakt van mededeling verstekveroordeling die anderhalf jaar eerder in Berichtenbox was geplaatst en termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. AG verwijst naar PHR:2026:1005, waarin zij concludeert dat termijnoverschrijding na elektronische betekening bij verstekveroordeling onder bijzondere omstandigheden verontschuldigbaar kan zijn en recht op hoger beroep bestaat. Wanneer ter zake gemotiveerd verweer wordt gevoerd, dient rechter daarop gemotiveerde beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen is aangevoerd. I.c. meent AG dat hof hetgeen is aangevoerd had moeten betrekken bij beoordeling van ontvankelijkheid hoger beroep. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

5 Conclusie

5.1

Het middel slaagt.

5.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Inleiding
  2. 2 Waar het in deze zaak over gaat
  3. 3 De procedure in feitelijke aanleg
  4. 4 Bespreking van het middel
  5. 5 Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/03372

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 8 september 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000739-25) niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Draaijers, advocaat, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2 Waar het in deze zaak over gaat

2.1

Centraal in deze zaak staat, zoals ook in mijn conclusie van heden met nr. ECLI:NL:PHR:2026:1005, de regeling van betekening van gerechtelijke stukken door middel van “elektronische overdracht” als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv. De eerste deelklacht van het middel meent dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de verdachte zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid en derhalve sprake is van betekening “in persoon”, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, nu de verdachte heeft verklaard dat een ander zich toegang heeft verschaft tot de Berichtenbox van de verdachte (hetgeen door die ander is bevestigd). De tweede deelklacht meent dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding nu de verdachte zelf verantwoordelijk is voor de kennisneming van berichten die in die Berichtenbox zijn geplaatst, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans om diezelfde reden onbegrijpelijk is.

2.2

Alvorens het middel te bespreken, schets ik de procedure in feitelijke aanleg.

3 De procedure in feitelijke aanleg

3.1

De verdachte is bij (mondeling) vonnis van 14 juni 2023 (parketnr. 96-278251-22) door de politierechter ter zake van “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, gepleegd op 2 december 2021, bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van een onder parketnr. 96-065337-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week.

3.2

Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat eerstgenoemde zaak kennelijk eerder op een openbare zitting aan de orde is geweest, en wel op 14 maart 2023. Op die zitting is de verdachte niet verschenen. Een (waarnemend) raadsvrouw was wel aanwezig, maar heeft te kennen gegeven dat zij niet gemachtigd was nu zij geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte. Op die zitting is het onderzoek ter terechtzitting geschorst omdat een last tot toevoeging (vanwege de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf die werd opgelegd onder parketnr. 96-065337-21) eerst op 9 maart 2023 is uitgegaan, waardoor de toegevoegd raadsvrouw naar het oordeel van de politierechter slechts kort in de gelegenheid was geweest om contact op te nemen met verdachte. Om die reden is de behandeling van de zaak op die zitting aangehouden tot 14 juni 2023 om 15.45 uur, met een bevel tot oproeping van de verdachte tegen genoemd tijdstip.

3.3

Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, volgt dat de dagvaarding van de verdachte om ter zitting van de politierechter van 14 maart 2023 te verschijnen op 13 januari 2023, 13 februari 2023 en 23 februari 2023 tevergeefs is aangeboden aan het BRP-adres van de verdachte, zijnde [a-straat 1] te [plaats]. Daarop is de dagvaarding op 9 maart 2023 uitgereikt aan het openbaar ministerie en is een afschrift aan dat adres toegezonden.

3.4

Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden blijkt voorts dat de oproeping van de verdachte voor de zitting van 14 juni 2023 evenmin in persoon aan de verdachte is uitgereikt: ook die oproeping is uitgereikt aan het openbaar ministerie, waarna een afschrift is verzonden aan het hiervoor genoemde BRP-adres van de verdachte.

3.5

Bij uitspraak van 14 juni 2023 is de verdachte – als opgemerkt – bij verstek veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 en is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

3.6

Uit de “Vastlegging van elektronische overdracht” die zich bij de stukken bevindt en die betrekking heeft op een ‘Mededeling Uitspraak’ met verwijzing naar kenmerk 96-278251-22 en “Zitting: 14 juni 2023”, blijkt dat deze mededeling op 4 juli 2023 om 16:00 uur in de Berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst. Volgens diezelfde Vastlegging is op 5 februari 2025 om 20:55 uur ingelogd. De Vastlegging vermeldt verder:

“Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan [verdachte], die is geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid. In deze bevestiging is betrokkene geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.”

3.7

Uit het dossier blijkt niet dat is getracht de ‘mededeling uitspraak’ op andere wijze (dan digitaal) aan de verdachte te betekenen.

3.8

Namens de verdachte is op 12 maart 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 14 juni 2023. Op 20 maart 2025 is namens de verdachte een appelschriftuur ingediend. Daarin gaat de raadsvrouw van de verdachte in op de tijdigheid van het hoger beroep en de ‘digitale’ uitreiking van de ‘mededeling uitspraak’. De appelschriftuur houdt het volgende in:

“Ontvankelijkheid hoger beroep

Op 12 maart 2025 is appellant na staande houding door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] medegedeeld dat er sprake was van een openstaande straf van 28 dagen detentie in verband met een onherroepelijke strafzaak. Echter vanwege het feit dat er geen beschikbare ruimte was om appellant te kunnen plaatsen, heeft hij zijn weg mogen vervolgen. Appellant heeft echter direct om opheldering gevraagd, en gevraagd naar het kenmerk waar deze 28 dagen detentie dan op zien, want hem was helemaal niets bekend en was enorm geschrokken dat er 28 dagen detentie openstaat. De politie heeft hierop het betreffende parketnummer en CJIB nummer aan hem doorgegeven.

Aan de hand van het parketnummer is er op 12 maart 2025, namens appellant door ondergetekende raadsvrouw, met spoed hoger beroep ingesteld.

Appellant betwist enige oproep voor een zitting van 14 juni 2023 te hebben ontvangen, en evenmin [AG, ik begrijp: eveneens] betwist hij dat hij vóór 12 maart 2025 kennis heeft genomen van de uitspraak in deze zaak.

Appellant betwist dan ook dat hij de mededeling uitspraak heeft ingezien via Mijn Overheid. Appellant heeft zelf namelijk niet ingelogd op 5 februari 2025 om 20:55 uur. Uit productie 1 [AG: een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1]] volgt dat [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1979, op voornoemde datum ingelogd is geweest ten behoeve van het aanvragen van een VOG via de DigiD van appellant, aangezien appellant volgens hem een digibeet is op dat terrein. Bovendien betwist appellant dat hij enige bevestiging over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling heeft mogen ontvangen.

Appellant dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard in hoger beroep.

Grief

Verdachte wenst als grief naar voren te brengen dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht nu hij niet op de hoogte was van de zitting op 14 juni 2023. Verdachte heeft geen verweren kunnen voeren en evenmin is er door de rechtbank rekening gehouden met zijn dringende persoonlijke omstandigheden bij het bepalen van de strafmaat.”

3.9

De in de appelschriftuur genoemde productie 1 bevat de volgende verklaring van [betrokkene 1]:

“Geachte [verdachte],

Na aanleiding van uw verzoek bevestig het onderstaande:

Ik regel al minimaal 6 jaar al de telefoon zaken van [verdachte]. Dit omdat hij zelf op bepaalden vlakken niet genoeg onderlegd is op dit gebied. Nu kwam er vanuit [verdachte] het verzoek of ik voor hem een VOG kon aanvragen via Digi D op zijn telefoon. Dit heb ik gedaan en verder niet naar andere zaken gekeken. Heb alleen gedaan wat mij verzocht werd en via de Digi D het gevraagde VOG aan te vragen. Andere berichten van de overheid heb ik niet geconstateerd.

[verdachte] komt al die jaren al naar mij op basis van vertrouwen vandaar dat ik dit ook zelfstandig zonder zijn bijzijn heb mogen doen op zijn telefoon.”

3.10

De dagvaarding voor de zitting in hoger beroep van 25 augustus 2025 is niet in persoon aan de verdachte betekend, maar uitgereikt aan het openbaar ministerie, waarna een afschrift is verzonden aan het BRP-adres van de verdachte. Op genoemde zitting waren zowel de verdachte als diens raadsvrouw aanwezig. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 augustus 2025 vermeldt:

“De voorzitter deelt het volgende mede.

Het hof heeft zich in deze zaak afgevraagd of het hoger beroep tijdig is ingesteld. In het dossier bevindt zich informatie over de vastlegging van de elektronische overd[r]acht. Daaruit is gebleken dat de verdachte op 5 februari 2025 op MijnOverheid heeft ingelogd. Volgens het Wetboek van Strafvordering zou dat gelden als een betekening in persoon. Dat zou dus betekenen dat de verdachte op 5 februari 2025 kennis heeft genomen van het vonnis van de rechtbank. Als het hof van deze feiten en omstandigheden uitgaat, dan zou het hoger beroep te laat zijn ingesteld. De vraag die vandaag voorligt is, of het hoger beroep tijdig is ingesteld.

De advocaat-generaal geeft daarop desgevraagd het volgende te kennen.

Volgens het Openbaar Ministerie is het hoger beroep te laat ingesteld. De verdachte mag iemand machtigen om in te loggen op de Berichtenbox van MijnOverheid, maar is zelf nog altijd verantwoordelijk voor de manier waarop dat gaat. Dat [betrokkene 1] namens de verdachte heeft ingelogd en het bericht met daarin de mededeling uitspraak niet heeft gezien, is nog altijd de verantwoordelijkheid van de verdachte. De verdachte heeft immers zelf zijn inloggegevens verstrekt. De verdachte dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in het hoger beroep.

De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar vandaag op zitting aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en voegt daaraan zakelijk weergegeven het navolgende toe.

Toevallig zag ik nog een krantenbericht over verkeersboeten en de Berichtenbox van MijnOverheid. Het schijnt zo te zijn dat, als gevolg van de storing bij het Openbaar Ministerie, er geen notificaties worden verzonden naar de ontvangers van de verkeersboeten.

De advocaat-generaal brengt daarop het volgende naar voren.

De wettelijke regel is simpel. Ik ben het wel eens met de raadsvrouw dat de digitale wereld voor sommige mensen te hoog gegrepen is. De overheid moet daar bij stilstaan.

Op het moment dat jij je zaken uit handen geeft aan een ander, dan moet je ook aanvaarden dat je nog altijd zelf verantwoordelijk blijft. Een van de weinige dingen die duidelijk moeten zijn, zijn de regels omtrent het tijdig instellen van het hoger beroep. De verdachte had ook een digitale machtiging kunnen verlenen aan [betrokkene 1]. Het is de eigen schuld van de verdachte. De verdachte moet ook weten dat hij zorgvuldig moet zijn. Ik zie onvoldoende redenen om te stellen dat hier sprake is van pech.

U, voorzitter, vraagt mij of er een melding wordt verstuurd wanneer er wordt ingelogd op de Berichtenbox van MijnOverheid. Ik antwoord u dat ik dat niet weet. Als je aanvinkt dat je berichten digitaal wil ontvangen van de overheid, dan krijg je je berichten digitaal. De verdachte heeft deze mogelijkheid om berichten digitaal te ontvangen dus ook aangevinkt.

[…]

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 8 september 2025 te 13.30 uur.”

3.11

De aan het hof overgelegde pleitnota vermeldt ter zake (onderstreping in het origineel):

“De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nietige betekening van de mededeling van het verstekvonnis van 14 juni 2023. Derhalve dient cliënt ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.

Het Openbaar Ministerie beroept zich erop dat cliënt op 5 februari 2025 om 20:55 uur zou hebben ingelogd op MijnOverheid met tweefactor-authenticatie, en aldus bekend zou zijn geraakt met de mededeling uitspraak. Dit is echter feitelijk onjuist. Cliënt heeft die avond niet zelf ingelogd en is dus niet op de hoogte geraakt van de mededeling.

Al ruim zes jaar laat cliënt al zijn digitale zaken uitvoeren door [betrokkene 1], omdat hij zelf niet digitaal vaardig is. Op 5 februari 2025 heeft [betrokkene 1] - met toestemming van cliënt - ingelogd op MijnOverheid, enkel om een VOG aan te vragen. In de bij appelschriftuur overgelegde schriftelijke verklaring bevestigt [betrokkene 1] nadrukkelijk dat hij heeft ingelogd, dat cliënt daarbij niet aanwezig was, en dat hij geen gerechtelijke berichten heeft gezien. Tijdens de zitting van 13 mei jl. bij de rechtbank Zeeland-West Brabant heeft [betrokkene 1] dit nogmaals mondeling bevestigd. Hij staat onverkort achter zijn verklaring en voelt zich zeer verantwoordelijk voor de ontstane situatie.

Daarmee staat vast dat cliënt géén kennis heeft genomen van de mededeling uitspraak. Hij heeft dan ook nimmer een bevestiging van die elektronische betekening ontvangen. Dat betekent dat de veronderstelde bekendheid bij cliënt juridisch en feitelijk ondeugdelijk is.

De stelling dat cliënt adequaat is geïnformeerd wordt verder weerlegd door zijn toenmalige advocaat, mr. Van Rijsbergen, die bevestigt dat hij nooit contact met cliënt heeft kunnen krijgen over het verstekvonnis. Ook uit die hoek is dus geen kennisneming gebleken.

Daar komt bij dat de overheid in deze zaak heeft nagelaten om cliënt per post te informeren. Dat is opmerkelijk en uitzonderlijk, temeer nu uitsluitend een digitale betekening via MijnOverheid is toegepast. Juist in combinatie met de omstandigheid dat [betrokkene 1] het DigiD gebruikte en geen gerechtelijke berichten heeft gezien of doorgegeven, leidt dit onmiskenbaar tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

Ter ondersteuning wijs ik op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1738). Daarin werd geoordeeld dat enkel een handtekening van een huisgenoot bij ontvangst van een dagvaarding onvoldoende is, en dat de identiteit van degene die de mededeling in ontvangst neemt duidelijk moet vaststaan.

Dat vereiste kan hier niet worden vervuld: uit de stukken blijkt immers niet wie daadwerkelijk heeft ingelogd. Het Openbaar Ministerie toont dit niet aan. Cliënt betwist nadrukkelijk dat hij dat is geweest, hetgeen in lijn ligt met de verklaring van [betrokkene 1]. In deze digitale tijd is het gebruikelijk dat derden - zoals accountants of gemachtigden - inloggen met andermans DigiD. Precies dat is hier gebeurd.

Conclusie

Alles overziend kan niet worden vastgesteld dat cliënt tijdig en rechtsgeldig op de hoogte is gebracht van de mededeling uitspraak. Daarmee staat de onherroepelijkheid van het vonnis op losse schroeven.

De verdediging verzoekt Uw Hof daarom cliënt ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.”

3.12

Bij arrest van het hof van 8 september 2025 is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Het arrest bevat daaromtrent de volgende overwegingen:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 14 juni 2023 is niet aan de verdachte in persoon betekend. De verdachte is ook niet ter zitting van de politierechter verschenen. De politierechter heeft op 14 juni 2023 verstek verleend aan de verdachte en vervolgens vonnis gewezen.

De mededeling uitspraak van dit vonnis is op 4 juli 2023 om 16.00 uur geplaatst in de ‘MijnOverheid Berichtenbox’ van de verdachte. Door verdachte, althans met diens persoonlijke inloggegevens, is op 5 februari 2025 om 20.55 uur door middel van een tweefactorauthenticatie ingelogd in MijnOverheid, waarna een bevestiging is verzonden aan de verdachte in de Berichtenbox van MijnOverheid. In deze bevestiging is de verdachte geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.

Gelet op artikel 36f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geldt betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening. Zoals hiervoor is gebleken heeft de verdachte zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening op 5 februari 2025 en aldus heeft dit te gelden als een betekening in persoon.

De verdachte kon volgens artikel 408, tweede lid, Sv gedurende veertien dagen na 5 februari 2025 tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Het hoger beroep is echter pas na het verstrijken van die termijn, namelijk op 12 maart 2025, namens de verdachte ingesteld. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld.

Door de verdediging is in het kader van de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding voor het instellen van het hoger beroep naar voren gebracht dat het niet de verdachte was die had ingelogd in MijnOverheid, maar [betrokkene 1]. [betrokkene 1] zou namens de verdachte hebben ingelogd om voor de verdachte een VOG aan te vragen, omdat de verdachte zelf niet digitaal vaardig is. [betrokkene 1] zou de gerechtelijke mededeling niet in de MijnOverheid berichtenbox hebben gezien.

Het hof is van oordeel dat voorgaande feiten en omstandigheden geen verontschuldigbare termijnoverschrijding opleveren en overweegt daartoe als volgt. De verdachte is verantwoordelijk voor de kennisneming van de berichten die zijn geplaatst in de berichtenbox van MijnOverheid. Dat de verdachte iemand anders zijn inloggegevens heeft verstrekt om namens hem in te loggen op MijnOverheid, doet niets aan die verantwoordelijkheid af.

Nu de verdachte het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn heeft ingesteld, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

4 Bespreking van het middel

4.1

Het middel stelt allereerst de vraag aan de orde of sprake is geweest van betekening “in persoon” via elektronische weg, nu de verdachte – ook volgens de bij de appelschriftuur gevoegde verklaring van [betrokkene 1] – niet zelf heeft ingelogd in zijn digitale Berichtenbox van ‘MijnOverheid’, alwaar de ‘mededeling uitspraak’ was geüpload. Als al sprake zou zijn van geldige betekening, is volgens het middel sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.2

Vast staat dat de ‘mededeling uitspraak’ via elektronische weg op 4 juli 2023 om 16:00 uur is geplaatst in de MijnOverheid-omgeving van de verdachte. De “Vastlegging van elektronische overdracht” als bedoeld in art. 36i lid 1 Sv houdt in dat op 5 februari 2025 om 20: 55 uur is ingelogd in MijnOverheid met de persoonlijke gegevens van de verdachte op basis van tweefactorauthenticatie.

4.3

Zoals nader uiteen wordt gezet in mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005, heeft het hof terecht als uitgangspunt genomen dat betekening door elektronische overdracht als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv als betekening in persoon geldt, “indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening”. Dat is in dit geval gebeurd op 5 februari 2025, met gebruikmaking van de persoonlijke inloggegevens (met tweefactorauthenticatie) van de verdachte. Blijkens de wetstekst en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 36f lid 2 Sv is voor een betekening in persoon niet nodig dat het desbetreffende bericht ook daadwerkelijk is geopend. Dat de verdachte een ander in de gelegenheid heeft gesteld zich – ten behoeve van de verdachte – toegang te verschaffen met zijn persoonlijke inloggegevens, kan daar blijkens diezelfde totstandkomingsgeschiedenis niet aan afdoen.

4.4

Het hof is derhalve uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.

4.5

Ook voor zover de klacht stelt dat het oordeel van het hof ter zake onbegrijpelijk is, omdat het hof in het midden heeft gelaten of het de verdachte is geweest of een ander die zich met de persoonlijk inloggegevens van de verdachte toegang heeft verschaft tot de digitale voorziening, faalt het. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat aan die vraag in dit geval geen betekenis toekomt en kan toekomen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de onderhavige elektronische voorziening alleen toegankelijk is met de persoonlijke inloggegevens van de verdachte en daarbij in dit geval bovendien gebruik is gemaakt van tweefactorauthenticatie.

4.6

Met verwijzing naar mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005 merk ik daarbij volledigheidshalve op dat de verdachte alleen digitaal bereikbaar is voor het openbaar ministerie (en op die wijze derhalve gerechtelijke mededelingen kan ontvangen), indien de verdachte daarvoor zelf – op enig moment – heeft gekozen. Uit de desbetreffende conclusie volgt voorts dat een persoon die voor deze digitale bereikbaarheid heeft gekozen, (i) een notificatie ontvangt dat een gerechtelijke mededeling voor hem beschikbaar is, alsmede (ii) een notificatie ontvangt dat de gerechtelijke mededeling aan hem is afgeleverd door middel van een geregistreerde inlog in MijnOverheid. Uit de in die conclusie genoemde ‘Informatieset Digitaal betekenen’ volgt voorts dat het openbaar ministerie ook de dag erna een bericht aan de geadresseerde stuurt dat er een bericht aan hem is afgeleverd.

4.7

Indien de burger ervoor heeft gekozen om dergelijke notificaties niet te ontvangen – en de geadresseerde ook geen pushberichten ontvangt op het mobile device waarop de Berichtenbox-app is geïnstalleerd, zal een verdachte een dergelijk bericht niettemin kunnen missen. Datzelfde is mogelijk indien de burger weliswaar (zelf) inlogt in MijnOverheid, maar zich daarbij alleen bekommert om één van de andere twee onderdelen van MijnOverheid, namelijk ‘Persoonlijke gegevens’ of ‘Lopende Zaken’. Ook indien een ander dan de verdachte met de persoonlijke DigiD van de verdachte (en tweefactorauthenticatie) inlogt, kan het zijn dat de verdachte de gerechtelijke mededeling mist.

4.8

Zoals in voornoemde conclusie uitgebreid wordt beschreven, kan elektronische betekening om die reden(en) onder omstandigheden tot gevolg hebben dat de verdachte bij verstek wordt veroordeeld, terwijl hij geen afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In dergelijke gevallen heeft de verdachte, gelet op de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU in beginsel recht op een ‘fresh determination’ (naar Nederlands recht in deze gevallen: recht op een behandeling van zijn zaak in hoger beroep), althans zal hij mijns inziens in ieder geval in de gelegenheid moet worden gesteld om te bepleiten dat en waarom hij in de specifieke omstandigheden van het geval in eerste aanleg geen afstand van zijn recht heeft gedaan om in zijn aanwezigheid te worden berecht.

4.9

Dat brengt mij op de tweede deelklacht in de onderhavige zaak, waarin wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding nu de verdachte verantwoordelijk is voor de kennisneming van berichten die in de Berichtenbox van MijnOverheid zijn geplaatst, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd. Daarbij is onder meer aangevoerd dat tussen het moment waarop het bericht in de Berichtenbox is geplaatst en het moment van inloggen op MijnOverheid een periode van ruim 1,5 jaar is verstreken, hetgeen volgens de steller van het middel aannemelijk maakt dat [betrokkene 1] het bericht simpelweg niet heeft gezien en daardoor ook de verdachte niet heeft kunnen informeren.

4.10

Voor zover het middel ziet op de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof ter zake, meen ik dat deze deelklacht dient te slagen.

4.11

Bij de behandeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft de verdachte zich erop beroepen dat hij niet zelf heeft ingelogd, maar dat [betrokkene 1] dat heeft gedaan. Dat standpunt is in hoger beroep onderbouwd met een verklaring van [betrokkene 1], die heeft uitgelegd waarom hij op 5 februari 2024 – met medeweten van de verdachte – heeft ingelogd, om welke reden hij heeft ingelogd en dat hij om die reden op (andere) berichten in de Berichtenbox geen acht heeft geslagen (en de verdachte daar kennelijk evenmin op heeft gewezen). In reactie daarop heeft het hof slechts overwogen dat de verdachte (zelf) verantwoordelijk is voor de kennisneming van de berichten die zijn geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid en dat daaraan niet afdoet dat de verdachte iemand anders zijn inloggegevens heeft verstrekt om namens hem in te loggen op MijnOverheid.

4.12

Gezien de eisen die Europeesrechtelijk gelden voor een veroordeling bij verstek en hetgeen door de verdachte specifiek aan de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep na de elektronische betekening van het verstekvonnis ten grondslag is gelegd, is die enkele overweging mijns inziens niet zonder meer begrijpelijk, althans is de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep daarmee niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft daarmee immers de mogelijkheid in het midden gelaten dat in de specifieke omstandigheden van het geval – waarin de dagvaarding en oproeping voor de zittingen in eerste aanleg niet in persoon aan de verdachte zijn uitgereikt en hij gemotiveerd en onderbouwd betwist dat de (digitaal uitgereikte) mededeling van de verstekuitspraak op 5 februari 2025 ter zijner kennis is gekomen – de verdachte geen afstand heeft gedaan van zijn recht in zijn aanwezigheid te worden berecht, in welk geval hem na de verstekveroordeling in eerste aanleg het recht op een ‘fresh determination’ (in de vorm van een behandeling van zijn zaak in hoger beroep) niet kan worden ontzegd.

4.13

Mijns inziens had het hof derhalve bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het (te laat) ingestelde hoger beroep nader moeten ingaan op hetgeen door de verdachte aan de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep ten grondslag is gelegd. Maatstaf voor de beslissing van de rechter daarbij is of de verdachte, indien hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep vanwege termijnoverschrijding, nog wel een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM heeft genoten.

5 Conclusie

5.1

Het middel slaagt.

5.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.