Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:1023Zaaknummer 25/03218
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 27 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/03218
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Betekening mededeling uitspraak “in persoon” door elektronische overdracht (art. 36b lid 2 Sv). Hoger beroep te laat ingesteld na verstekveroordeling eerste aanleg. Middel dat klaagt dat met enkele inloggen in MijnOverheid nog niet gesproken kan worden van omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, faalt volgens AG onder verwijzing naar PHR:2026:1005. Ook middel tegen oordeel hof dat geen sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding faalt volgens AG. Hoewel onder (bijzondere) omstandigheden bij elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen denkbaar is dat termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, is daarvan i.c. geen sprake, nu verdachte heeft opgemerkt dat hij enige is die kan inloggen in MijnOverheid en omstandigheid dat hij zich dit niet kan herinneren geen verontschuldigbaarheid meebrengt. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
4 Het eerste middel
Het eerste middel klaagt over de niet-ontvankelijkheid in hoger beroep op de grond dat het feit dat de verdachte op 4 december 2024 heeft ingelogd in MijnOverheid, ten onrechte is aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend was met het veroordelend vonnis. De melding is immers op 30 juli 2024 reeds geplaatst en de verdachte heeft pas in december 2024 ingelogd, waardoor een redelijke termijn is verstreken na de melding in de Berichtenbox en het slechts inloggen in MijnOverheid niet kan worden aangemerkt als betekening “in persoon”. Dat geldt ook, zo begrijp ik, omdat niet kan worden vastgesteld dat de Berichtenbox, en daarmee het geplaatste bericht, door de verdachte op 4 december 2024 daadwerkelijk is geopend.
Om redenen vermeld in mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005 faalt dit middel. Uit de tekst van de wet en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 36f lid 2 Sv blijkt dat sprake is van betekening in persoon wanneer degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv. Dat is in dit geval gebeurd op 4 december 2024. Daarvoor is blijkens de wetstekst en de totstandkomingsgeschiedenis niet nodig dat het desbetreffende bericht ook daadwerkelijk is geopend.
Dat een ander dan de verdachte heeft ingelogd, is niet aannemelijk. Voor het inloggen in MijnOverheid is immers (een DigiD en) tweefactorauthenticatie vereist. Dat laatste betekent dat de verdachte (actief) bij het inloggen op 4 december 2024 betrokken moet zijn geweest: zonder zijn betrokkenheid kan geen (succesvolle) inlog hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat de verdachte ook zelf heeft verklaard dat hij de enige is met zijn DigiD-gegevens.
Terecht heeft het hof mijns inziens dan ook geoordeeld dat op 4 december 2024 sprake was van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bij de verdachte bekend was, zodat het hoger beroep binnen 14 dagen na dat moment moest worden ingesteld.
En hoewel op zichzelf terecht de vraag zou kunnen worden gesteld wanneer sprake is van het “niet binnen redelijke termijn” kunnen betekenen door elektronische overdracht in de zin van art. 36b lid 2 Sv (zie daartoe mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005, randnr. 7.5), volgt uit de bij de Hoge Raad aanwezige stukken in de onderhavige zaak dat het openbaar ministerie, nadat tot (in ieder geval) 12 november 2024 niet werd ingelogd in MijnOverheid met de gegevens van de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd was (de verdachte), heeft getracht de uitspraak op 26 november 2024 fysiek aan de verdachte te betekenen. Dat die poging niet is gelukt, laat onverlet dat kort daarop betekening “in persoon” in de zin van art. 36f lid 2 Sv heeft plaatsgevonden door de inlog in MijnOverheid met de gegevens (tweefactorauthenticatie) van de verdachte.
Het middel faalt.
5 Het tweede middel
Het tweede middel stelt zich op het standpunt dat het hof de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep met onvoldoende redenen heeft omkleed. Meer in het bijzonder beklaagt de steller van het middel zich erover dat het hof niet gedegen en niet adequaat heeft gemotiveerd waarom geen sprake is geweest van een bijzondere, niet toe te rekenen, omstandigheid welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn.
Ook dit middel faalt. Hoewel onder (bijzondere) omstandigheden mijns inziens denkbaar is dat een termijnoverschrijding vanwege elektronische betekening verontschuldigbaar is – zie daartoe uitgebreid mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005 – zijn dergelijke omstandigheden in de onderhavige zaak niet aangevoerd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 22 juli 2025 heeft de verdachte aldaar opgemerkt dat hij de enige is die kan inloggen met zijn DigiD-gegevens. Dat de verdachte zich niet lijkt te kunnen herinneren dat hij heeft ingelogd (en destijds blijkens zijn verklaring 6 liter wijn per dag dronk) maakt niet dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Het hof heeft exact dat overwogen. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, mijns inziens niet gehouden.
6 Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op artikel 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03218
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
1 Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 5 augustus 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000054-25) niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.F.M. Gulickx, advocaat, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in deze zaak over gaat
Het gaat in deze zaak, zoals ook in de zaak met nr. ECLI:NL:PHR:2026:1005 waarin ik vandaag eveneens concludeer, om de betekening van een gerechtelijke mededeling door middel van “elektronische overdracht” als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv, nu geen sprake is van betekening binnen redelijke termijn, althans geen sprake is van betekening “in persoon” in de zin van art.36f lid 2 Sv. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Alvorens de middelen te bespreken, schets ik de procedure in feitelijke aanleg.
3 De procedure in feitelijke aanleg
Bij (mondeling) vonnis van 19 juli 2024 (parketnr. 96-006772-24) is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Limburg wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” (feit 1) en “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (945 microgram)” (feit 2), beide gepleegd op 27 januari 2023, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ter zake feit 2 heeft de politierechter voorts een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van negen maanden.
De inleidende dagvaarding om op 19 juli 2024 te verschijnen is op 2 juli 2024 aan een ander uitgereikt op het toenmalige BRP-adres van de verdachte, zijnde [a-straat 1] te [plaats].
Ter zitting van de politierechter op 19 juli 2024 is de verdachte noch een gemachtigd raadsman verschenen, waarna verstek tegen de verdachte is verleend en op dezelfde dag voornoemd mondeling verstekvonnis is gewezen.
Door het openbaar ministerie is op 26 november 2024 tevergeefs geprobeerd om de ‘mededeling uitspraak’ uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Op de desbetreffende akte staat vermeld: “geadresseerde woont niet (meer) op het vermelde adres”. Volgens de informatiestaat SKDB-persoon staat de verdachte sinds 12 november 2024 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats]. Uit het dossier blijkt niet of is getracht de mededeling uitspraak op dat adres te betekenen.
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat een ‘mededeling uitspraak’ met verwijzing naar parketnr. 96-006772-24 op 30 juli 2024 in de Berichtenbox van de verdachte op MijnOverheid is geplaatst. Op 4 december 2024 om 12:28 uur is ingelogd op MijnOverheid met gebruikmaking van tweefactorauthenticatie. Na het inloggen in MijnOverheid is een bevestiging verzonden van de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling, die eveneens in de Berichtenbox is geplaatst. De ‘Vastlegging van elektronische overdracht’ vermeldt verder:
“Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan [verdachte], die is geplaatst in de Berichtenbox van Mijnoverheid In deze bevestiging is betrokkene geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.”
Bij de door de Hoge Raad ontvangen stukken bevindt zich twee keer een ‘mededeling uitspraak’, geadresseerd aan de verdachte op het adres [a-straat 1] in [plaats] en achtereenvolgens gedateerd op 30 juli 2024 en 12 november 2024, en een ‘mededeling voorwaardelijke veroordeling’ gedateerd op 24 december 2024 en geadresseerd aan de verdachte op het adres [b-straat 1] te [plaats].
Namens de verdachte is op 9 januari 2025 (door middel van een bijzondere volmacht d.d. 8 januari 2025) hoger beroep ingesteld. De dagvaarding voor de zitting in hoger beroep op 22 juli 2025 is op 17 mei 2025 aan de verdachte in persoon uitgereikt op het adres [b-straat 1] te [plaats].
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van het hof ’s-Hertogenbosch op 22 juli 2025, in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman, op welke zitting de onderhavige zaak gelijktijdig, maar niet gevoegd is behandeld met de strafzaak onder parketnr. 20-003018-24 tegen de verdachte.
Omtrent de ontvankelijkheid van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep vermeldt het proces-verbaal van deze zitting het volgende:
“De advocaat-generaal draagt de zaak voor en brengt naar voren:
De verdachte heeft het appel te laat ingesteld, zodat het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De voorzitter merkt op:
Het hof heeft ook geconstateerd dat er op 4 december 2024 is ingelogd op MijnOverheid, waar de mededeling uitspraak in de inbox stond. Wilt u, raadsman, zich daarover uitlaten?
De raadsman brengt naar voren:
Ik heb met mijn cliënt gesproken over deze zaak. Hij is niet aanwezig geweest bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Mijn cliënt heeft een vrij lange voorgeschiedenis van alcoholproblematiek. De onderhavige zaak heeft betrekking op het rijden onder invloed van alcohol. Mijn cliënt heeft zijn leven ontzettend gebeterd en hij is nu onder behandeling voor zijn alcoholproblematiek. Ik heb een brief aan het dossier laten voegen die daarop ziet. Het gaat nu erg goed met mijn cliënt. Er wordt vanuit de hulpverlening aangegeven dat het hoogst onwenselijk zou zijn als hij uit dat traject zou geraken omdat hij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf uit moet zitten. Ik begreep van mijn cliënt dat hij op 24 december 2024 bericht heeft ontvangen over de uitspraak. Toen heb ik, zo snel als het kon en op het moment dat ik daarvan op de hoogte was, appel ingesteld via een volmacht aan de griffier van de rechtbank in Roermond. Dat heb ik gedaan om de termijn voor het instellen van appel veilig te stellen. Het betreft een strafmaatappel. Toen ik het dossier ontving in deze zaak, zag ik het bericht over de elektronische overdracht waar u, voorzitter, op doelt. Dat bericht was mij onbekend. Wellicht kan mijn cliënt zeggen of hij zich dat herinnert. […].
[…]
Op vragen gesteld door de voorzitter verklaart de verdachte:
U, voorzitter, houdt mij voor dat er op 4 december 2024 is ingelogd op MijnOverheid met een tweefactorauthenticatie. Ik kan mij daar niets van herinneren. Ik ben op 24 december 2024 op de hoogte gekomen van de mededeling uitspraak omdat ik toen een brief heb ontvangen. Alle post die voor mij bestemd was, is direct naar mijn raadsman gegaan. Voor die tijd had ik een postadres, omdat ik een woning onderhuurde. U, voorzitter, houdt mij voor dat het niet gaat om een fysieke brief maar om een bericht op MijnOverheid. Ik durf dat niet te zeggen. […]
[…]
Op vragen gesteld door de oudste raadsheer verklaart de verdachte:
U vraagt mij of ik wel eens inlogde op MijnOverheid. Dat is niet het geval, maar ik moet dat wel gedaan hebben, want ik ben de enige met mijn DigiD-gegevens. Ik ben de enige die daarop kan inloggen. Ik kan het me alleen niet herinneren. Ik stond ingeschreven bij de daklozenopvang gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats]. Ik gebruikte dat adres als postadres, omdat ik onderhuurde. U houdt mij voor dat naar dat adres ook de dagvaarding is gezonden voor de zitting in eerste aanleg, waar ik niet ben verschenen. Ik heb die brief wel ontvangen, maar dat was te laat. Ik meen dat die toen doorgezonden is.
De raadsman merkt op dat het een briefadres betreft en dat hij van zijn cliënt heeft begrepen dat hij deze brief wel heeft ontvangen, maar pas na de zitting.
De oudste raadsheer merkt op:
Het hof beschikt over een akte van uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg waarop de datum van 21 juli 2024 lijkt te staan voor de zitting van 19 juli 2024 aan [betrokkene 1]. Het is dan de vraag of de politierechter de zaak van de verdachte wel bij verstek had mogen behandelen. Ik zie daarboven een stempel van het CVOM van 8 juli 2024.
De voorzitter merkt op dat het volgens haar gaat om 2 juli 2024 en dat de verwarring komt doordat de L van de regel eronder is doorgetrokken naar de regel erboven.
De oudste rechter vraagt hoe zij het moet plaatsen dat u, verdachte, er wel van heeft gehoord, maar te laat?
De verdachte verklaart op vragen gesteld door de oudste raadsheer:
Ik was er niet bij in die tijd. Ik durf niet te zeggen wanneer ik van die zitting heb gehoord. Het is bij mijn advocaat terechtgekomen.
De raadsman merkt op:
Ik heb op 9 januari 2025 een mededeling uitspraak ontvangen die dateert van 24 december 2024. Die mededeling uitspraak had betrekking op de zitting van 19 juli 2024.
De verdachte verklaart voorts:
Die brief is toen bezorgd aan de [b-straat 1] in [plaats]. Daarvoor had ik niets gehoord over die zitting. Ik ging in die tijd niet langs bij de [a-straat 1] om mijn post op te halen. Ik kwam daar wel en ik ontving weleens een envelop. Ik pakte dat dan op de automatische piloot aan als er iets voor mij was binnengekomen. Het is niet dat ik vroeg naar mijn post. Ik dronk toen 6 liter wijn per dag. Had ik daar gewoond, dan was ik letterlijk over de brief heen gelopen, en dan zou ik de brief wel hebben gezien, maar het is een postadres. Voor zover ik weet heb ik over de zitting van 19 juli 2024 alleen de brief gezien die op de [b-straat] is bezorgd.
[…]
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:
[…] Ik vind het lastig om te zeggen dat er in deze zaak juridisch geen ruimte meer is om daar nog iets van te vinden. Ik zeg dat in mijn rol als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie. Bij het instellen van appel is men gebonden aan strikte termijnen. Er is weinig ruimte om de verdachte ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep als dat te laat is ingesteld. Daar is bewust voor gekozen, en die termijn moet voor iedereen hetzelfde zijn. Er zit geen zogeheten ‘zieligheidsfactor’ bij die beoordeling, zoals bij mensen die in coma liggen of die gedetineerd zijn in het buitenland. U, verdachte, heeft ingelogd op het systeem van MijnOverheid.nl en vervolgens is er na het verstrijken van de termijn hoger beroep ingesteld. Het betreft een strikte grens. Het gevolg daarvan is dat het vonnis van de politierechter dat vandaag voorligt, in stand blijft. Ik denk dat dat niet het beste is voor deze zaak, maar ik meen dat deze zaak vandaag niet kan worden behandeld door uw hof.
De verdachte verklaart desgevraagd dat hij de vordering van de advocaat-generaal heeft begrepen, maar dat hij het wel lastig vindt.
De raadsman voert het woord tot verdediging:
Het requisitoir van de advocaat-generaal vind ik helder en begrijpelijk. Wat mij betreft is de brief waar het om draait de mededeling uitspraak van 24 december 2024. Toen heb ik een bericht van mijn cliënt ontvangen en heb ik namens hem appel ingesteld. Wat de verdediging betreft is er dus tijdig appel ingesteld. Om in te loggen op MijnOverheid.nl moet je met een DigiD-code inloggen. Als iemand anders dan mijn cliënt met zijn DigiD-code inlogt op hetzelfde apparaat, heb je daarvoor alleen een toegangscode nodig als de app op een telefoon staat. Je komt dan direct in de app met berichten van de overheid. Iemand anders dan mijn cliënt kan ook hebben ingelogd. Mijn cliënt weet er niets meer van. Hoewel er wel een tweefactorauthenticatie is, is het onduidelijk. Blijkbaar is er wel ingelogd, maar we weten niet wie dat heeft gedaan. Het kan ook iemand anders zijn geweest die heeft ingelogd op zijn telefoon. Mijn cliënt wordt daar ontzettend op afgerekend. Er ligt een zwaarwegend belang voor de maatschappij om de verdachte ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, maar in ieder geval voor mijn cliënt zelf. […] Omdat het zo onduidelijk is met het inloggen op die app verzoek ik uw hof om de verdachte ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
[…].
[…]
Op verzoek van de voorzetter overlegt de raadsman aan het hof een kopie van de brief met de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling gedateerd op 24 december 2024. Dit stuk is aan dit proces-verbaal gehecht.
[…].”
Bij arrest van 5 augustus 2025 heeft het hof uitspraak gedaan. Daarbij is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingesteld hoger beroep. Het arrest vermeldt:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is uit de processtukken gebleken:
- dat de inleidende dagvaarding om in de onderhavige strafzaak op 19 juli 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter op 2 juli 2024 aan een ander is uitgereikt op het (toenmalige BRP-)adres van de verdachte, zijnde [a-straat 1] in [plaats].
- dat de verdachte noch een gemachtigd raadsman/raadsvrouw is verschenen ter terechtzitting van 19 juli 2024 en dat de politierechter vervolgens bij verstek een veroordelend vonnis tegen de verdachte heeft gewezen;
- dat namens de verdachte op 9 januari 2025 (door middel van een bijzondere volmacht d.d. 8 januari 2025) hoger beroep tegen dat vonnis is ingesteld.
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde.
Artikel 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) luidt:
“Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen:
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.“
Artikel 408, tweede lid, Sv luidt:
“In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Op grond van deze bepalingen kon in deze zaak onder de gegeven omstandigheden gedurende veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was, hoger beroep worden ingesteld.
Door het Openbaar Ministerie is op 26 november 2024 tevergeefs getracht om de ‘Mededeling Uitspraak’ uit te reiken op het voornoemde adres in [plaats]. Op de betreffende akte staat aangekruist ‘Geadresseerde woont niet (meer) op het vermelde adres’. Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte op dat moment reeds (namelijk sinds 12 november 2024) in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven op het adres waar hij ook thans nog staat ingeschreven, te weten de [b-straat 1] te [plaats].
Uit de stukken blijkt voorts dat op 30 juli 2024 een ‘Mededeling Uitspraak’ behorende bij parketnummer 96-00772-24 in de Berichtenbox van de verdachte op MijnOverheid is geplaatst en dat de verdachte op 4 december 2024 om 12:28 uur heeft ingelogd op MijnOverheid (hof: met zijn DigiD), hetgeen is vastgelegd in een zogeheten ‘Vastlegging van elektronische overdracht’ van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan de verdachte waarin hij is geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de enige is die kan inloggen op MijnOverheid.
In artikel 36f, tweede lid, Sv is bepaald dat als degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening (hof: oftewel inlogt), dit geldt als een betekening in persoon. Het hof merkt deze betekening d.d. 4 december 2024 daarom aan als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bij de verdachte bekend was. De verdachte heeft echter pas na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep, te weten binnen veertien dagen na 4 december 2024 overeenkomstig het bepaalde in artikel 408, tweede lid, Sv bij akte van 9 januari 2025 - en daarmee te laat - hoger beroep ingesteld.
Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Van dergelijke omstandigheden is het hof niet gebleken. Dat de verdachte zich niet lijkt te kunnen herinneren dat hij heeft ingelogd op MijnOverheid, is niet een dergelijke omstandigheid.
Het hof merkt nog op dat het ter terechtzitting van 22 juli 2025 door de verdediging overgelegde stuk d.d. 24 december 2024 een ‘Mededeling Voorwaardelijke Veroordeling’ betreft. Deze mededeling wordt gewoonlijk aan een veroordeelde toegezonden na het onherroepelijk worden van een vonnis. Dit stuk doet derhalve aan het voorgaande niets af en leidt het hof dus niet tot een ander oordeel dan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden.
Dit heeft tot gevolg dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
4 Het eerste middel
Het eerste middel klaagt over de niet-ontvankelijkheid in hoger beroep op de grond dat het feit dat de verdachte op 4 december 2024 heeft ingelogd in MijnOverheid, ten onrechte is aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend was met het veroordelend vonnis. De melding is immers op 30 juli 2024 reeds geplaatst en de verdachte heeft pas in december 2024 ingelogd, waardoor een redelijke termijn is verstreken na de melding in de Berichtenbox en het slechts inloggen in MijnOverheid niet kan worden aangemerkt als betekening “in persoon”. Dat geldt ook, zo begrijp ik, omdat niet kan worden vastgesteld dat de Berichtenbox, en daarmee het geplaatste bericht, door de verdachte op 4 december 2024 daadwerkelijk is geopend.
Om redenen vermeld in mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005 faalt dit middel. Uit de tekst van de wet en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 36f lid 2 Sv blijkt dat sprake is van betekening in persoon wanneer degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv. Dat is in dit geval gebeurd op 4 december 2024. Daarvoor is blijkens de wetstekst en de totstandkomingsgeschiedenis niet nodig dat het desbetreffende bericht ook daadwerkelijk is geopend.
Dat een ander dan de verdachte heeft ingelogd, is niet aannemelijk. Voor het inloggen in MijnOverheid is immers (een DigiD en) tweefactorauthenticatie vereist. Dat laatste betekent dat de verdachte (actief) bij het inloggen op 4 december 2024 betrokken moet zijn geweest: zonder zijn betrokkenheid kan geen (succesvolle) inlog hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat de verdachte ook zelf heeft verklaard dat hij de enige is met zijn DigiD-gegevens.
Terecht heeft het hof mijns inziens dan ook geoordeeld dat op 4 december 2024 sprake was van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bij de verdachte bekend was, zodat het hoger beroep binnen 14 dagen na dat moment moest worden ingesteld.
En hoewel op zichzelf terecht de vraag zou kunnen worden gesteld wanneer sprake is van het “niet binnen redelijke termijn” kunnen betekenen door elektronische overdracht in de zin van art. 36b lid 2 Sv (zie daartoe mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005, randnr. 7.5), volgt uit de bij de Hoge Raad aanwezige stukken in de onderhavige zaak dat het openbaar ministerie, nadat tot (in ieder geval) 12 november 2024 niet werd ingelogd in MijnOverheid met de gegevens van de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd was (de verdachte), heeft getracht de uitspraak op 26 november 2024 fysiek aan de verdachte te betekenen. Dat die poging niet is gelukt, laat onverlet dat kort daarop betekening “in persoon” in de zin van art. 36f lid 2 Sv heeft plaatsgevonden door de inlog in MijnOverheid met de gegevens (tweefactorauthenticatie) van de verdachte.
Het middel faalt.
5 Het tweede middel
Het tweede middel stelt zich op het standpunt dat het hof de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep met onvoldoende redenen heeft omkleed. Meer in het bijzonder beklaagt de steller van het middel zich erover dat het hof niet gedegen en niet adequaat heeft gemotiveerd waarom geen sprake is geweest van een bijzondere, niet toe te rekenen, omstandigheid welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn.
Ook dit middel faalt. Hoewel onder (bijzondere) omstandigheden mijns inziens denkbaar is dat een termijnoverschrijding vanwege elektronische betekening verontschuldigbaar is – zie daartoe uitgebreid mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005 – zijn dergelijke omstandigheden in de onderhavige zaak niet aangevoerd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 22 juli 2025 heeft de verdachte aldaar opgemerkt dat hij de enige is die kan inloggen met zijn DigiD-gegevens. Dat de verdachte zich niet lijkt te kunnen herinneren dat hij heeft ingelogd (en destijds blijkens zijn verklaring 6 liter wijn per dag dronk) maakt niet dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Het hof heeft exact dat overwogen. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, mijns inziens niet gehouden.
6 Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op artikel 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 36b Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 9 WVW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8 WVW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 408 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36d Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 81 RO meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.