Conclusie · Insolventierecht
Parket bij de Hoge Raad, 10 april 2015
ECLI:NL:PHR:2015:829Zaaknummer 15/00726
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 10 april 2015
- Publicatiedatum
- 5 juni 2015
- Zaaknummer
- 15/00726
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Insolventierecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Art. 80 a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 lid 3, onder d, Fw.
Volledige tekst
| 15/00726 | Mr. L. Timmerman |
| Zitting 10 april 2015 | |
| Conclusie inzake: | |
| [verzoeker], verzoeker tot cassatie, | |
| (hierna: [verzoeker]). |
1. De rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) heeft bij vonnis van 1 december 2014 de schuldsaneringsregeling, die op 10 juni 2013 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing is verklaard, tussentijds beëindigd omdat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting en informatieplicht jegens de bewindvoerder niet naar behoren is nagekomen en onvoldoende informatie heeft verschaft over de opnames en stortingen van contant geld. In het hiertegen door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) het bestreden vonnis bij arrest van 9 februari 2015 bekrachtigd, en daartoe het volgende overwogen:
“3.4 Het hof oordeelt als volgt. Wat ook zij van de door [verzoeker] aangevoerde feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn arbeids(on)geschiktheid, vaststaat dat de rechtercommissaris [verzoeker] niet heeft ontheven van de sollicitatieplicht en dat hierdoor de sollicitatieverplichting in het kader van de schuldsaneringsregeling op [verzoeker] onverminderd van toepassing was. Ook staat vast dat [verzoeker] deze verplichting niet naar behoren is nagekomen. Voorts is in hoger beroep gebleken dat [verzoeker] zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder in ernstige mate heeft geschonden. [verzoeker] heeft immers niet weersproken dat hij de bewindvoerder - en zelfs zijn schuldhulpverlener [de schuldhulpverlener] - niet heeft geïnformeerd over zijn gokgedrag en de daarmee verband houdende opnamen van contante bedragen van zijn betaalrekening. Ook is gebleken dat [verzoeker] niet of nauwelijks reageerde op verzoeken van de bewindvoerder om informatie, onder meer over de verantwoording van een door hem ontvangen schadevergoeding van € 750,- van Centraal Beheer Achmea. [verzoeker] heeft verder niet betwist dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld aan Menzis heeft laten ontstaan van ongeveer 6 800,-. Dit alles levert op zichzelf al voldoende grond op voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker]. Daarbij komt nog dat het gokgedrag van [verzoeker] - uit de stukken blijkt dat hij gedurende zeven maanden ruim € 2,000,- moet hebben vergokt - zich op geen enkele wijze verdraagt met de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende algemene verplichting om gedurende de schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk gelden te genereren ten behoeve van de schuldeisers en niet ten behoud van een relatie. Een dergelijk ongewenst gedrag kan naar het oordeel van het hof niet ongedaan gemaakt worden door een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling ter reparatie van dit verzuim, zodat het hof het verzoek daartoe dan ook zal passeren.”
2 [verzoeker] heeft met een op 17 februari 2014 – derhalve tijdig – ingediende verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift omvat vijf middelen. Geen van deze middelen houdt een klacht in tegen de mede door het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegde vaststelling dat [verzoeker] een nieuwe schuld heeft laten ontstaan. Volgens art. 350 lid 3 aanhef en onder d Fw levert die omstandigheid een zelfstandige grond op voor tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze stand van zaken mist [verzoeker] belang bij een (verdere) bespreking van de aangevoerde middelen.
Ik concludeer tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2015:1487 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2015:1487 Hoge Raad, 5 juni 2015 (insolventierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.