Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 11 februari 2014

ECLI:NL:PHR:2014:205Zaaknummer 12/05379

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11 februari 2014
Publicatiedatum
25 maart 2014
Zaaknummer
12/05379
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Artt. 2.1 categorie III onder 2 en 26.1 WWM. De tll. en bewezenverklaring houden het verwijt in dat verdachte wapens a.b.i. art. 2.1 categorie III onder 2 WWM voorhanden heeft gehad. Aangezien niet is tenlastegelegd en dienovereenkomstig evenmin is bewezenverklaard dat de in die bewezenverklaring genoemde wapens “geschikt zijn om projectielen af te schieten”, a.b.i. art. categorie III onder 2 WWM, doch enkel is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat verdachte “middelen en een toestel bestemd voor beroepsdoeleinden” voorhanden heeft gehad, heeft het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als het “handelen in strijd met art. 26.1 WWM meermalen gepleegd”.

Volledige tekst

Nr. 12/05379 Zitting: 11 februari 2014Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 september 2012 de verdachte wegens 1. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, 2. “Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 3. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens verdachte heeft mr. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onder 3 bewezenverklaarde het strafbare feit zoals omschreven in art. 26, eerste lid, WWM in verbinding met art. 2, eerste lid, categorie III, onder 2º, WWM oplevert, nu daarin het bestanddeel ontbreekt dat het dient te gaan om toestellen voor beroepsdoeleinden “die geschikt zijn om projectielen af te schieten”.

4. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op 05 december 2011 te Rotterdam wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten

- twee Lifesmoke MK 3, noodseinmiddelen, en

- elf HGS-40, noodseinmiddelen, en

- zes (handflare) RED MK 6, noodseinmiddelen, en

- een zogenaamd lijnwerptoestel,

zijnde middelen en een toestel bestemd voor beroepsdoeleinden, voorhanden heeft gehad.”

5. Het Hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven.

6. Art. 2 WWM luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

“1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

(…)

Categorie III

(…)

2º toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten;

(…)”

7. Nu het bewezenverklaarde niet alle bestanddelen van art. 2, eerste lid, categorie III, onder 2º WWM bevat, is het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde het strafbare feit zoals omschreven in art. 26, eerste lid, WWM, oplevert onjuist.[_d028bf8c-b9dc-4234-8ca6-132e44101be3]¯[_23e3cbca-47bf-43c8-83d7-686f3ab7d102]

8. Een reddingsoperatie in die zin dat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden ‘wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 2 van de Wet wapens en munitie’ zo heeft gelezen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat het middelen en een toestel betrof die geschikt zijn om projectielen af te vuren (juist om die categorie gaat het immers in de vermelde bepaling), gaat niet op, nu in ieder geval het noodseinmiddel Lifesmoke MK 3 en het noodseinmiddel (handflare) RED MK 6 niet geschikt zijn om projectielen mee af te vuren.[_d17ae6a0-82a0-43ec-80f3-8a469a6e778c]

9. Om diezelfde reden kan evenmin betoogd worden dat de verdachte bij zijn klacht in cassatie geen in rechten te respecteren belang heeft, nu de noodseinmiddelen (althans een deel daarvan) die hij voorhanden had, weliswaar niet onder art. 2, eerste lid, Categorie III, onder 2º, WWM vallen, maar wel onder art. 2, eerste lid, Categorie II, onder 1º, WWM vallen (zoals kennelijk het geval was in de door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam van 19 november 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB8586), op welke beide overtredingen op de voet van art. 26, eerste lid, WWM in verbinding met art. 55 WWM een zelfde straf is gesteld. Immers ook voor art. 2, eerste lid, Categorie II, onder 1º, WWM is gelet op het bepaalde in art. 1 onder 3º WWM vereist dat het gaat om een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen af te schieten.

10. Het middel is terecht voorgesteld.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.