Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 31 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA3737Zaaknummer 13/01967
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 31 mei 2013
- Publicatiedatum
- 16 juli 2013
- Zaaknummer
- 13/01967
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Bopz. Machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis. Ontslagverzoek op de voet van art. 49 lid 5 Wet Bopz.
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. De rechtbank te Utrecht heeft op 26 juli 2012 een machtiging verleend voor de duur van één jaar tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 3 september 2012 heeft betrokkene aan de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis verzocht, al dan niet voorwaardelijk te verlenen. Op 6 september 2012 heeft de geneesheer-directeur dit geweigerd, waarna betrokkene zich tot de officier van justitie heeft gewend. Deze heeft op de voet van art. 49 lid 5 Wet Bopz de beslissing van de rechtbank verzocht.
2. Bij beschikking van 29 november 2012 heeft de rechtbank te Utrecht het ontslagverzoek afgewezen en tevens de bezwaren die betrokkene had aangevoerd tegen de beschikking van 26 juli 2012 verworpen.
3. Bij verzoekschrift ("cassatie beroep schriftuur" d.d. 22 maart 2013), ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 17 april 2013, heeft betrokkene bezwaren ingebracht tegen de genoemde beschikking van 29 november 2012. Omdat het verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals art. 426a Rv voorschrijft, is betrokkene in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen veertien dagen te doen herstellen(1). Herstel is uitgebleven. Reeds om die reden kan betrokkene in zijn cassatieverzoek niet worden ontvangen. Bovendien is de cassatietermijn overschreden; zie art. 426 lid 1 Rv. M.i. kan toepassing worden gegeven aan art. 80a lid 1 RO.
4. Bij brief van 23 mei 2013 heeft een advocaat (niet zijnde advocaat bij de Hoge Raad) namens betrokkene een zogenoemd "herzieningsverzoek" aan de Hoge Raad toegezonden(2), met mededeling dat betrokkene zijn verzoek verder behandeld wenst te zien als een herzieningsverzoek.
5. Anders dan het Wetboek van Strafvordering (in de artikelen 457 e.v., die verzoeker kennelijk voor ogen hebben gestaan), kent het burgerlijk procesrecht niet het buitengewone rechtsmiddel van 'herziening' via een procedure bij de Hoge Raad. Daarom is ook het verzoek om herziening niet-ontvankelijk(3).
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Vgl. HR 14 december 2012 (LJN: BY2239), NJ 2013/27; HR 10 juli 2009 (LJN: BI0773), NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders. Het onderhavige verzoekschrift is mede ondertekend door een advocaat, niet zijnde advocaat bij de Hoge Raad (zie art. 9j Advocatenwet).
2 Dit is, op de datum en de slotalinea na, inhoudelijk gelijk aan het eerdere cassatieverzoek.
3 Indien betrokkene van mening zou zijn dat er gronden zijn voor 'herroeping' van de beschikkingen van 26 juli 2012 of 29 november 2012, wijst art. 384 in verbinding met art. 391 Rv hem de weg, namelijk naar de rechtbank Midden-Nederland. Evenwel verdient aandacht dat dan door de rechtbank zal worden beoordeeld of de aard van de beschikking zich tegen herroeping verzet, in de zin van art. 390 Rv. Zie daarover: Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, 2005, blz. 31 - 33.
Volledige tekst
1. De rechtbank te Utrecht heeft op 26 juli 2012 een machtiging verleend voor de duur van één jaar tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 3 september 2012 heeft betrokkene aan de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis verzocht, al dan niet voorwaardelijk te verlenen. Op 6 september 2012 heeft de geneesheer-directeur dit geweigerd, waarna betrokkene zich tot de officier van justitie heeft gewend. Deze heeft op de voet van art. 49 lid 5 Wet Bopz de beslissing van de rechtbank verzocht.
2. Bij beschikking van 29 november 2012 heeft de rechtbank te Utrecht het ontslagverzoek afgewezen en tevens de bezwaren die betrokkene had aangevoerd tegen de beschikking van 26 juli 2012 verworpen.
3. Bij verzoekschrift ("cassatie beroep schriftuur" d.d. 22 maart 2013), ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 17 april 2013, heeft betrokkene bezwaren ingebracht tegen de genoemde beschikking van 29 november 2012. Omdat het verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals art. 426a Rv voorschrijft, is betrokkene in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen veertien dagen te doen herstellen(1). Herstel is uitgebleven. Reeds om die reden kan betrokkene in zijn cassatieverzoek niet worden ontvangen. Bovendien is de cassatietermijn overschreden; zie art. 426 lid 1 Rv. M.i. kan toepassing worden gegeven aan art. 80a lid 1 RO.
4. Bij brief van 23 mei 2013 heeft een advocaat (niet zijnde advocaat bij de Hoge Raad) namens betrokkene een zogenoemd "herzieningsverzoek" aan de Hoge Raad toegezonden(2), met mededeling dat betrokkene zijn verzoek verder behandeld wenst te zien als een herzieningsverzoek.
5. Anders dan het Wetboek van Strafvordering (in de artikelen 457 e.v., die verzoeker kennelijk voor ogen hebben gestaan), kent het burgerlijk procesrecht niet het buitengewone rechtsmiddel van 'herziening' via een procedure bij de Hoge Raad. Daarom is ook het verzoek om herziening niet-ontvankelijk(3).
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Vgl. HR 14 december 2012 (LJN: BY2239), NJ 2013/27; HR 10 juli 2009 (LJN: BI0773), NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders. Het onderhavige verzoekschrift is mede ondertekend door een advocaat, niet zijnde advocaat bij de Hoge Raad (zie art. 9j Advocatenwet).
2 Dit is, op de datum en de slotalinea na, inhoudelijk gelijk aan het eerdere cassatieverzoek.
3 Indien betrokkene van mening zou zijn dat er gronden zijn voor 'herroeping' van de beschikkingen van 26 juli 2012 of 29 november 2012, wijst art. 384 in verbinding met art. 391 Rv hem de weg, namelijk naar de rechtbank Midden-Nederland. Evenwel verdient aandacht dat dan door de rechtbank zal worden beoordeeld of de aard van de beschikking zich tegen herroeping verzet, in de zin van art. 390 Rv. Zie daarover: Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, 2005, blz. 31 - 33.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2013:CA3737 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2013:CA3737 Hoge Raad, 12 juli 2013 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.