Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 4 september 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BI5905Zaaknummer 08/02906
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 4 september 2009
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/02906
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Proceskostenveroordeling. Vrijheid feitenrechter. 81 RO
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 HR 8 mei 1998, NJ 1998, 640 rov. 3.4. Zie tevens: Van Maanen (T&C Rv, 2008), art. 237 Rv, aant. 1b; Losbl. Burgerlijke Rechtsvordering (Numann), art. 237 aant. 6; A.I.M. van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, 2003, blz. 280.
Volledige tekst
Rolnr. 08/02906
mr. J. Spier
Zitting 15 mei 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake
1. [Eiser 1]
2. [Eiser 2]
(hierna: [eiser] c.s.)
tegen
Hommerson Arcades B.V.
1. Het onderhavige cassatieberoep is tijdig ingesteld.
2. Ingevolge vaste rechtspraak moet in de cassatiedagvaarding worden vermeld waar de stellingen, waarop in de klachten beroep wordt gedaan, in gedingstukken zijn te vinden. De middelen I-III zondigen tegen deze regel. Zij voldoen daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
3. Middel IV komt op tegen 's Hofs oordeel dat [eiser] c.s. "als de overwegend in het ongelijk gestelde partij" in de proceskosten moeten worden verwezen (rov. 3.15). Blijkens de eerste volzin van deze rov. heeft het Hof bij "in overwegende mate" niet het oog op de hoogte van de vordering, maar op het aantal posten waarop de vordering betrekking had. Dat blijkt uit de tussen haakjes vermelde rovv. De steller van het middel kan worden toegegeven dat, louter gelet op de omvang van de vordering, [eiser] c.s. niet in overwegende mate in het ongelijk zijn gesteld. Daarom was zeker mogelijk geweest om tot een andere proceskostenveroordeling te komen. Gezien de vrijheid die de feitenrechter op dit punt heeft, kan 's Hofs oordeel de toets der kritiek in cassatie evenwel doorstaan. Het is niet onjuist en, verstaan als hiervoor vermeld, evenmin onbegrijpelijk.(1)
4. Ten overvloede teken ik hierbij nog aan dat het Hof, anders dan het vermeldt, [eiser] c.s. niet ten volle in de kosten heeft verwezen. Gelet op de omvang van de rechtsstrijd, het aantal processuele handelingen én de omstandigheid dat sprake was van een principaal én incidenteel appèl zou een volledige kostenveroordeling op een aanzienlijk hoger bedrag zijn uitgekomen dan de door het Hof toegekende € 1.788 voor salaris.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 HR 8 mei 1998, NJ 1998, 640 rov. 3.4. Zie tevens: Van Maanen (T&C Rv, 2008), art. 237 Rv, aant. 1b; Losbl. Burgerlijke Rechtsvordering (Numann), art. 237 aant. 6; A.I.M. van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, 2003, blz. 280.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2009:BI5905 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2009:BI5905 Hoge Raad, 4 september 2009 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.