Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 26 februari 2016
ECLI:NL:HR:2016:316Zaaknummer 15/03528
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 februari 2016
- Publicatiedatum
- 26 februari 2016
- Zaaknummer
- 15/03528
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting; artikel 225 Gemeentewet, artikel 20 AWR. Naheffing parkeerbelasting mogelijk bij invoeren verkeerd kenteken?
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wordt een griffierecht geheven van € 497.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26 februari 2016
nr. 15/03528
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2015, nr. 13/00742, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/2614) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 10 november 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft op 7 april 2013 een personenauto van het merk Honda (hierna: de Honda) geparkeerd op het Singel te Amsterdam ter hoogte van nummer 121 (hierna: de locatie).
De geparkeerde Honda was de auto van belanghebbendes vriend. De auto van belanghebbende zelf, een personenauto van het merk Daihatsu, stond ten tijde van het parkeren van de Honda elders in Amsterdam geparkeerd met parkeervergunning.
Ter voldoening van de op de locatie verschuldigde parkeerbelasting heeft belanghebbende abusievelijk het kenteken van haar eigen auto, de Daihatsu, via een applicatie op haar mobiele telefoon aan- en afgemeld bij Parkmobile Benelux B.V. (hierna: Parkmobile).
Parkmobile heeft aan belanghebbende voor het parkeren op de locatie parkeerbelasting ten bedrage van € 6,17 in rekening gebracht alsmede een bedrag aan kosten.
Na een controle heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd dat voor de geparkeerde Honda geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.
Het Hof heeft overwogen dat op de onderhavige situatie het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, nr. 31657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, BNB 1997/68 (hierna: het arrest BNB 1997/68) van toepassing is. Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat de belasting voor het parkeren van de Honda op aangifte is voldaan, ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van de Honda, aangezien belanghebbende de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald. Daarom is naheffen van parkeerbelasting niet toegelaten, aldus het Hof.
De middelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komen op tegen ’s Hofs oordeel met het betoog dat het Hof heeft miskend dat het arrest BNB 1997/68 niet van toepassing is op de onderhavige situatie omdat belanghebbende, anders dan in dat arrest het geval was, geen parkeerbelasting voor de geparkeerde auto, de Honda, heeft voldaan.
De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In de Gemeentewet is toepassing van artikel 20 AWR niet uitgesloten. Ook is geen van artikel 20 AWR afwijkende regeling getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.
In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR (zie het arrest BNB 1997/68).
Aangezien vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren van de Honda verschuldigde belasting heeft betaald, brengt de toepassing van artikel 20 AWR mee dat naheffing niet mogelijk is. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2. is overwogen, doet daaraan niet af dat belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan doordat zij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig. De middelen, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen derhalve.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wordt een griffierecht geheven van € 497.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2015:2303 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2015:2495 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2026:6336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2956 Gerechtshof Amsterdam, 14 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1050 Gerechtshof Amsterdam, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2024:127 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 3 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:979 Gerechtshof Amsterdam, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:11349 Rechtbank Rotterdam, 4 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10365 Rechtbank Noord-Holland, 20 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:4521 Rechtbank Rotterdam, 30 mei 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2022:208 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 23 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:153 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 15 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:2103 Rechtbank Rotterdam, 2 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4326 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2021:342 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:10964 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:6295 Rechtbank Den Haag, 1 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1796 Gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:7961 Rechtbank Noord-Holland, 28 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2016:5976 Rechtbank Amsterdam, 21 september 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2016:1048 Hoge Raad, 3 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:1050 Hoge Raad, 3 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:1051 Hoge Raad, 3 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2121 Gerechtshof Amsterdam, 24 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2015:2303 Parket bij de Hoge Raad, 10 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:2495 Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.