Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 24 april 2015
ECLI:NL:HR:2015:1083Zaaknummer 14/04104
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 april 2015
- Publicatiedatum
- 24 april 2015
- Zaaknummer
- 14/04104
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 25, lid 6, en art. 27e, letter a, AWR. Vereiste aangifte niet gedaan indien het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is. Een gebrek in de aangifte dat ertoe leidde dat de volgens aangifte verschuldigde belasting € 2101 (19 percent) lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting is op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
24 april 2015
nr. 14/04104
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 25 juli 2014, nr. 13/00834, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/124) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2008 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2008) € 33.552 aan loon uit dienstbetrekking genoten. Hij heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225. De aangifte is door de Inspecteur gevolgd.
Op 13 januari 2009 is door de politie in een door belanghebbende gehuurd pand een hennepkwekerij met 254 hennepplanten aangetroffen.
De politierechter heeft bij vonnis van 15 december 2009 het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met de hennepteelt vastgesteld op een bedrag van € 5338 en aan belanghebbende de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De berekening is gebaseerd op de eigen verklaring van belanghebbende dat er één eerdere oogst is geweest met een opbrengst van 2,1 kilogram.
In een rapport dat is opgesteld naar aanleiding van een bij belanghebbende verricht boekenonderzoek is geconcludeerd tot een opbrengst van € 46.987, uitgaande van twee eerdere oogsten. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225 + € 46.987 = € 80.121.
De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag verminderd overeenkomstig het nader in beroep ingenomen standpunt van de Inspecteur dat de correctie van het inkomen uit werk en woning dient te worden bepaald op € 16.975.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe heeft het Hof eerst onderzocht of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte.
Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat gelet op de door belanghebbende gestelde opbrengst van de oogst ten bedrage van € 5000, althans niet meer dan € 5338, afgezet tegen de looninkomsten ten bedrage van € 33.552, de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op basis van de aangifte verschuldigde belasting zowel relatief als absoluut aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is.
Het eerste middel bestrijdt het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel met het betoog dat zelfs bij de door het Hof aannemelijk geachte verzwegen inkomsten van € 5000 sprake is van een absoluut en relatief omvangrijk bedrag aan gederfde belasting, zodat de vereiste aangifte niet is gedaan.
Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: belasting) geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).
Op grond van het door belanghebbende aangegeven inkomen is een bedrag aan belasting verschuldigd van € 8938. De verschuldigde belasting over het door het Hof vastgestelde inkomen van € 38.225 bedraagt € 11.039. Dit is € 2101 oftewel 19 percent meer dan de op grond van de aangifte verschuldigde belasting. Dit is niet alleen verhoudingsgewijs, maar ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Het eerste middel slaagt derhalve. Het tweede middel behoeft geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSHE:2014:2555 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2026:6175 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5876 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2307 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2794 Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2799 Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2800 Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2823 Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10925 Rechtbank Noord-Holland, 21 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2134 Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2576 Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:8400 Rechtbank Noord-Holland, 25 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1538 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1221 Gerechtshof Amsterdam, 14 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2919 Rechtbank Noord-Holland, 19 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1907 Rechtbank Noord-Holland, 5 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:58 Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15786 Rechtbank Noord-Holland, 2 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15830 Rechtbank Noord-Holland, 2 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14315 Rechtbank Noord-Holland, 26 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam, 11 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:583 Parket bij de Hoge Raad, 23 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:200 Parket bij de Hoge Raad, 31 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6894 Rechtbank Noord-Holland, 7 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14220 Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14221 Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14222 Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14223 Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8828 Rechtbank Noord-Holland, 28 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 Gerechtshof Amsterdam, 11 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2222 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1381 Gerechtshof Den Haag, 25 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1382 Gerechtshof Den Haag, 25 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:5335 Rechtbank Noord-Holland, 21 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:715 Gerechtshof Den Haag, 1 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:716 Gerechtshof Den Haag, 1 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:436 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3469 Gerechtshof Amsterdam, 12 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2281 Gerechtshof Den Haag, 15 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3700 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:11258 Rechtbank Noord-Holland, 18 oktober 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:9361 Rechtbank Noord-Holland, 15 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1860 Gerechtshof Den Haag, 12 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1446 Gerechtshof Den Haag, 27 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1946 Gerechtshof Amsterdam, 6 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2316 Gerechtshof Amsterdam, 6 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:592 Gerechtshof Den Haag, 7 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:594 Gerechtshof Den Haag, 7 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:102 Gerechtshof Den Haag, 19 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:103 Gerechtshof Den Haag, 19 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4747 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4499 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:8649 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3857 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:6966 Rechtbank Noord-Holland, 3 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:5903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:175 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 24 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:6965 Rechtbank Noord-Holland, 21 juni 2022 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.