Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 4 november 2014
ECLI:NL:HR:2014:3095Zaaknummer 13/01484
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 november 2014
- Publicatiedatum
- 6 november 2014
- Zaaknummer
- 13/01484
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Belaging, art. 285b Sr. OM-cassatie tegen vrijspraak slaagt op twee punten. 1. Het oordeel van het Hof steunt op de opvatting dat een in art. 285b Sr omschreven gedraging uitsluitend dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander ten tijde van die gedraging bekend was met die gedraging en dus niet indien deze nadien op de hoogte is gekomen van die gedraging. Die opvatting vindt geen steun in het recht. 2. HR herhaalt HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626: bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging a.b.i. art. 285b Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Voor zover aan het oordeel van het Hof de opvatting ten grondslag ligt dat de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tll vermelde periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer nimmer kan worden aangemerkt als een van de hiervoor genoemde omstandigheden, is dat onjuist.
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu. N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
4 november 2014
Strafkamer
nr. 13/01484
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 oktober 2012, nummer 23/000252-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouwe van de verdachte, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte niet als belaging in de zin van art. 285b Sr kunnen worden gekwalificeerd.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juni 2011 tot en met 26 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte voornoemde [slachtoffer] eenmaal of meermalen achtervolgd en/of geobserveerd en/of gefotografeerd en/of gefilmd."
Het Hof heeft de verdachte hiervan vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:
"Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe dat, hoewel de verdachte heeft bekend dat hij (direct na zijn detentie vanwege eerdere belaging van het slachtoffer) zich naar het huis van het slachtoffer heeft begeven en vervolgens in de tenlastegelegde periode meermalen voor het huis van het slachtoffer heeft gestaan, haar diverse malen is gevolgd en haar heeft gefotografeerd en gefilmd, het slachtoffer zich in de tenlastegelegde periode slechts éénmaal bewust is geweest van een belagingshandeling van de verdachte. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat het handelen van de verdachte in de tenlastegelegde periode stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van (de Hoge Raad leest:) het slachtoffer, nu stelselmatige inbreuk niet alleen stelselmatigheid van de handelingen vereist, maar ook van het bewustzijn van die handelingen bij het slachtoffer. Dat verdachte zich eerder aan belaging van het slachtoffer heeft schuldig gemaakt, kan daaraan niet afdoen, nu verdachte voor die feiten reeds is veroordeeld."
De tenlastelegging is toegesneden op art. 285b, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt:
"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."
Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof met betrekking tot de bewustheid van de belaging bij het slachtoffer.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode jegens het slachtoffer een aantal belagingshandelingen heeft verricht maar dat het slachtoffer zich toen slechts eenmaal bewust is geweest van een belagingshandeling. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat niet bewezen kan worden "dat het handelen van de verdachte in de tenlastegelegde periode stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, nu stelselmatige inbreuk niet alleen stelselmatigheid van de handelingen vereist, maar ook van het bewustzijn van die handelingen bij het slachtoffer".
Het oordeel van het Hof steunt op de opvatting dat een in art. 285b Sr omschreven gedraging uitsluitend dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander ten tijde van die gedraging met die gedraging bekend was en dus niet indien deze nadien op de hoogte is gekomen van die gedraging. Die opvatting vindt evenwel geen steun in het recht en in het bijzonder niet in art. 285 Sr. De klacht is dus gegrond.
Voorts klaagt het middel dat het Hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de verdachte zich eerder heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, op de grond dat "verdachte voor die feiten reeds is veroordeeld".
Vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394).
Voor zover het oordeel van het Hof betrekking heeft op de beoordeling van de stelselmatigheid van de belagingshandelingen van de verdachte in de in de tenlastelegging omschreven periode ("17 juni 2011 tot en met 26 juni 2011"), getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. In zoverre is de klacht ongegrond.
Voor zover echter aan 's Hofs oordeel de opvatting ten grondslag ligt dat de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tenlastelegging vermelde periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, nimmer kan worden aangemerkt als een van de hiervoor onder 2.5.2 bedoelde omstandigheden, is de klacht gegrond, aangezien die opvatting onjuist is.
Het middel slaagt.
3 Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu. N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2014:1480 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4524 Rechtbank Noord-Nederland, 20 oktober 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9753 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9623 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 oktober 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2026:885 Parket bij de Hoge Raad, 22 september 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4287 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:5695 Rechtbank Limburg, 15 juni 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1506 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 mei 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6889 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5689 Rechtbank Overijssel, 25 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5585 Rechtbank Overijssel, 16 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3950 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juni 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:389 Parket bij de Hoge Raad, 1 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1672 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11926 Rechtbank Gelderland, 13 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:791 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 februari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:902 Rechtbank Amsterdam, 13 februari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:507 Rechtbank Limburg, 22 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:508 Rechtbank Limburg, 22 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16388 Rechtbank Den Haag, 11 oktober 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2024:5200 Rechtbank Limburg, 5 augustus 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3513 Rechtbank Midden-Nederland, 6 juni 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3270 Rechtbank Midden-Nederland, 27 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6725 Rechtbank Den Haag, 3 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:1675 Rechtbank Noord-Nederland, 3 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1998 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8593 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5237 Rechtbank Midden-Nederland, 6 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:5891 Rechtbank Limburg, 27 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:8627 Rechtbank Rotterdam, 24 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3222 Rechtbank Noord-Nederland, 3 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1592 Gerechtshof Amsterdam, 23 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:5456 Rechtbank Noord-Holland, 15 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2441 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 april 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1836 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 maart 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:282 Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10798 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2008 Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3767 Rechtbank Noord-Nederland, 13 oktober 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5298 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8502 Rechtbank Den Haag, 25 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5332 Rechtbank Den Haag, 3 juni 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1876 Rechtbank Midden-Nederland, 17 mei 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:2870 Rechtbank Noord-Holland, 5 april 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:2375 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:291 Parket bij de Hoge Raad, 29 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:463 Rechtbank Noord-Nederland, 22 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:770 Rechtbank Noord-Holland, 28 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:467 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5984 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 november 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2021:7696 Rechtbank Limburg, 12 oktober 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10402 Rechtbank Den Haag, 27 september 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8393 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3481 Rechtbank Noord-Nederland, 12 augustus 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3261 Rechtbank Noord-Nederland, 30 juli 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:2824 Rechtbank Noord-Nederland, 29 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:2541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9779 Rechtbank Limburg, 14 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9780 Rechtbank Limburg, 14 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11192 Rechtbank Den Haag, 11 november 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2005 Gerechtshof Den Haag, 22 september 2020 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.