Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 23 mei 2014
ECLI:NL:HR:2014:1194Zaaknummer 12/05526
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 mei 2014
- Publicatiedatum
- 23 mei 2014
- Zaaknummer
- 12/05526
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 8:60, lid 4, Awb. Art. 8:63, lid 3, Awb. Procesrecht. Voorwaardelijk getuigenaanbod / verzoek om getuigen op te roepen. Geen strijd met HR BNB 2005/152.
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
23 mei 2014
nr. 12/05526
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage van 23 oktober 2012, nrs. BK‑11/00050 en 11/00051, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1 Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te ’s‑Gravenhage (nrs. AWB 08/5802 VPB en AWB 08/5803 VPB) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Feenstra en mr. Kerckhoffs, advocaten te Breda.
3 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2002 en 2003 het standpunt ingenomen dat haar plaats van leiding niet is gelegen in Nederland maar in de Nederlandse Antillen.
De Inspecteur heeft de door belanghebbende ingediende aangiften voor de jaren 2002 en 2003 gecorrigeerd bij aanslagen met dagtekening 20 augustus 2005 respectievelijk 22 december 2006 en is daarbij ervan uitgegaan dat belanghebbende in Nederland gevestigd is gebleven.
Op 23 april 2007 hebben in het kader van een strafrechtelijk onderzoek doorzoekingen ter inbeslagname plaatsgevonden onder meer op het kantoor van belanghebbendes toenmalige gemachtigde en op het kantoor van haar huidige gemachtigde. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de FIOD getuigen en verdachten gehoord. De getuigenverklaringen zijn door de Officier van Justitie in juli 2008 voor fiscale doeleinden vrijgegeven.
Het Hof is voorbijgegaan aan het tijdens de tweede zitting voor het Hof van 12 september 2012 door belanghebbende gedane voorwaardelijke aanbod bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Het heeft daartoe geoordeeld dat het een herhaling betreft van een reeds in eerste aanleg gedaan aanbod en dat belanghebbende voor beide zittingen in hoger beroep een uitnodiging heeft ontvangen waarin de mogelijkheid is geboden getuigen mee te brengen of op te roepen.
Hiertegen keert zich middel V.
Het zojuist bedoelde voorwaardelijke bewijsaanbod is neergelegd in de pleitaantekeningen van belanghebbende voor de zitting van het Hof van 12 september 2012. Aldaar is vermeld dat belanghebbende haar voorwaardelijke bewijsaanbod, zoals ook al in eerste aanleg is gedaan, herhaalt, en dat dit aanbod nadrukkelijk ook betrekking heeft op [AA] en [BB]. Voor de Rechtbank heeft belanghebbende bij herhaling laatstgenoemden zelf opgeroepen, maar zij zijn niet verschenen. Vervolgens heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht deze getuigen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb op te roepen. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
In de tot de gedingstukken behorende uitnodigingen voor beide zittingen voor het Hof is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat belanghebbende van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
In het hiervoor in 3.3.1 bedoelde bewijsaanbod kan een verzoek worden gelezen aan het Hof om aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren door middel van door haar mee te brengen of op te roepen getuigen. Het aanbod zou ook kunnen worden opgevat als een herhaling van het voor de Rechtbank gedane verzoek om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb.
Ten aanzien van het bewijsaanbod, opgevat als een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter zitting, heeft het volgende te gelden. Indien een (voorwaardelijk) bewijsaanbod is gedaan, kan de rechter volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod (zie HR 17 december 2004, nr. 38831, ECLI:NL:HR:2004:AR7741, BNB 2005/152). In het onderhavige geval heeft het Hof door middel van de hiervoor in 3.3.2 bedoelde uitnodigingen voor de zittingen van 29 mei 2012 en van 12 september 2012, belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. In het algemeen voldoet een uitnodiging met een zodanige mededeling aan de zojuist bedoelde eis dat gelegenheid wordt geboden tot uitvoering van een bewijsaanbod. Een zodanige mededeling volstaat niet in gevallen waarin de desbetreffende partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Een zodanig geval doet zich bijvoorbeeld voor als ter zitting nieuw licht valt op de noodzaak tot het leveren van bewijs. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken van het geding niet van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij heeft nagelaten getuigen mee te nemen of op te roepen of het bewijsaanbod niet eerder heeft gedaan. In cassatie is ook niet gesteld dat dergelijke omstandigheden voor het Hof zijn aangevoerd. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat het Hof het vorenoverwogene heeft miskend met zijn verwerping van het verzoek om aanhouding op de grond dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. ’s Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel derhalve.
Voor zover het hiervoor in 3.3.1 bedoelde aanbod moet worden opgevat als een verzoek aan het Hof om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb, heeft het volgende te gelden. Het staat de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt (zie HR 13 maart 2009, nr. 43313, ECLI:NL:HR:2009:BH5559, BNB 2010/4). Bij de beoordeling van het verzoek mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. Met zijn door het middel bestreden oordeel heeft het Hof dit een en ander niet miskend. ’s Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Middel V faalt derhalve voor het overige eveneens.
Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ7198 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1080 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5180 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2317 Gerechtshof Den Haag, 12 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2318 Gerechtshof Den Haag, 12 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1399 Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1400 Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6420 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1093 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:639 Gerechtshof Den Haag, 5 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3587 Gerechtshof Amsterdam, 6 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:8231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:6 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 5 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:7 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 5 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6048 Rechtbank Noord-Holland, 19 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad, 28 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad, 28 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3025 Gerechtshof Amsterdam, 23 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:11016 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3151 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:1786 Hoge Raad, 15 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3831 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:8482 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:789 Hoge Raad, 24 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:506 Parket bij de Hoge Raad, 14 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3540 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:29 Hoge Raad, 11 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:7317 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6531 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4542 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:1850 Hoge Raad, 5 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2618 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2619 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1746 Gerechtshof Amsterdam, 5 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4582 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1593 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1069 Gerechtshof Amsterdam, 8 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:47 Hoge Raad, 19 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5849 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3303 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:2772 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1532 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:960 Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:961 Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:10240 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:10241 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2016:5320 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 augustus 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:3828 Gerechtshof Amsterdam, 16 augustus 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:3829 Gerechtshof Amsterdam, 16 augustus 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2189 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:697 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:596 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4543 Gerechtshof Amsterdam, 3 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:3174 Hoge Raad, 30 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:7129 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 september 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.