Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 31 mei 2013
ECLI:NL:HR:2013:CA1610Zaaknummer 11/02675
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 31 mei 2013
- Publicatiedatum
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 11/02675
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De HR herhaalt HR LJN BN4347, LJN BV3455 en NJ1990/135 m.b.t. de beperking van het cassatieberoep. Daaraan kan worden toegevoegd dat ook meer i.h.a. moet worden vermeden dat de verwijzingsrechter a.g.v. het beperkte cassatieberoep niet meer in staat zou zijn het beslissingsschema van de art. 348 en 350 Sv in acht te nemen of anderszins niet meer naar behoren (opnieuw) recht kan doen op het bestaande h.b. Beperkingen in het cassatieberoep die dat effect kunnen hebben, acht de HR ontoelaatbaar. Een redelijke, aan de behoeften van de praktijk beantwoordende uitleg van art. 429 Sv brengt daarom mede dat (i) in geval van een samengestelde tll. het cassatieberoep kan worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tll. waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven, en (ii) het cassatieberoep kan worden beperkt tot een der in de art. 348-350 Sv genoemde beslissingen, mits de ingevolge die bepalingen daarop voortbouwende of daarmee onlosmakelijk verbonden beslissingen niet zijn uitgezonderd. Als voorbeeld kan worden genoemd dat bij een veroordeling tot een samenstel van straffen het cassatieberoep niet kan worden beperkt tot de bewezenverklaring of tot een gedeelte van de opgelegde straffen. Opmerking verdient nog dat de “gewoonteregel” dat in zaken met meerdere, cumulatief tlg. feiten het door verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep pleegt te worden opgevat als niet te zijn gericht tegen (bijvoorbeeld) de vrijspraak van het cumulatief tenlastegelegde feit, onverkort gehandhaafd blijft zodat dergelijke beperkingen niet behoeven te worden opgenomen in de cassatieakte of de in art. 451a Sv bedoelde verklaring. In voorkomende gevallen zal de HR de in de akte vervatte, een beperking inhoudende verklaring van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld (of nadien door middel van een partiële intrekking heeft beperkt), waar mogelijk zo opvatten dat die beperking in overeenstemming is met hetgeen hiervoor is overwogen. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan zal worden voorbijgegaan aan beperkingen van het cassatieberoep die in het licht van het vorenoverwogene ontoelaatbaar zijn omdat de HR ervan uitgaat dat de betrokken procespartij zijn cassatieberoep dan zonder die beperkingen wil doorzetten en dat het daarom niet in zijn belang zou zijn dat hij n-o wordt verklaard in dat beroep. Het beroep i.c. kan worden ontvangen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
31 mei 2013
Strafkamer
nr. 11/02675
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 mei 2011, nummer 23/005026-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L. Hogeterp, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft primair geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep voorafgaande beschouwingen
2.1. Ingevolge art. 429 Sv kan het beroep in cassatie tegen een gedeelte van een in hoger beroep gewezen uitspraak worden ingesteld, omdat - aldus de memorie van toelichting - "in het cassatieproces niet de redenen gelden, die bij het hooger beroep volledige kennisneming van de zaak door den appèlrechter noodig maken" (Kamerstukken II 1913-1914, 286, nr. 3, p. 52).
2.2. In de rechtspraak heeft zich de gewoonteregel ontwikkeld dat in zaken met meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep in cassatie pleegt te worden opgevat als niet te zijn gericht tegen (bijvoorbeeld) de vrijspraak van het cumulatief tenlastegelegde feit. In andere zaken, zoals zaken met, kort gezegd, een primaire en subsidiaire tenlastelegging waarin de verdachte is veroordeeld ter zake van het subsidiair tenlastegelegde met (bijvoorbeeld) vrijspraak van het primair tenlastegelegde, kan het beroep door de verdachte op de voet van art. 429 Sv worden beperkt tot die veroordeling (vgl. HR 12 oktober 2010, LJN BN4347). Die beperking van het beroep dient tot uitdrukking te worden gebracht in de cassatieakte dan wel de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv en niet in de cassatieschriftuur (vgl. HR 20 maart 2012, LJN BV3455). Die beperking kan voorts tot stand worden gebracht door een onbeperkt ingesteld beroep nadien op de wijze als voorzien in de art. 453-455 Sv gedeeltelijk in te trekken.
2.3. Niet elke beperking van het cassatieberoep kan echter worden aanvaard. Zo is in het verleden reeds geoordeeld dat moet worden voorkomen dat als gevolg van een cassatieberoep dat zich niet uitstrekt over zogenoemde deelvrijspraken - dus vrijspraken van onderdelen van de tenlastelegging - de verdachte na verwijzing (of terugwijzing) van de zaak moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging op grond van de enkele omstandigheid dat de verwijzingsrechter met betrekking tot een - rechtens niet noodzakelijke - keuze tussen voor de strafrechtelijke waardering van het tenlastegelegde niet relevante alternatieven tot een ander oordeel komt dan de rechter wiens uitspraak in cassatie is vernietigd (vgl. HR 18 september 1989, LJN ZC8164, NJ 1990/135 ten aanzien van het vroegere art. 430 Sv). Daaraan kan worden toegevoegd dat ook meer in het algemeen moet worden vermeden dat de verwijzingsrechter als gevolg van het beperkte cassatieberoep niet meer in staat zou zijn het beslissingsschema van de art. 348 en 350 Sv in acht te nemen of anderszins niet meer naar behoren (opnieuw) recht kan doen op het bestaande hoger beroep. Beperkingen in het cassatieberoep die dat effect kunnen hebben, acht de Hoge Raad ontoelaatbaar.
2.4. Een redelijke, aan de behoeften van de praktijk beantwoordende uitleg van art. 429 Sv brengt daarom mede dat
(i) in geval van een samengestelde tenlastelegging het cassatieberoep kan worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven, en
(ii) het cassatieberoep kan worden beperkt tot een der in de art. 348-350 Sv genoemde beslissingen, mits de ingevolge die bepalingen daarop voortbouwende of daarmee onlosmakelijk verbonden beslissingen niet zijn uitgezonderd. Als voorbeeld kan worden genoemd dat bij een veroordeling tot een samenstel van straffen het cassatieberoep niet kan worden beperkt tot de bewezenverklaring of tot een gedeelte van de opgelegde straffen.
2.5. Opmerking verdient nog dat de onder 2.2 vermelde gewoonteregel dat in zaken met meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep pleegt te worden opgevat als niet te zijn gericht tegen (bijvoorbeeld) de vrijspraak van het cumulatief tenlastegelegde feit, onverkort gehandhaafd blijft zodat dergelijke beperkingen niet behoeven te worden opgenomen in de cassatieakte of de in art. 451a Sv bedoelde verklaring.
2.6. In voorkomende gevallen zal de Hoge Raad de in de akte vervatte, een beperking inhoudende verklaring van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld (of nadien door middel van een partiële intrekking heeft beperkt), waar mogelijk zo opvatten dat die beperking in overeenstemming is met hetgeen hiervoor is overwogen. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan zal worden voorbijgegaan aan beperkingen van het cassatieberoep die in het licht van het vorenoverwogene ontoelaatbaar zijn omdat de Hoge Raad ervan uitgaat dat de betrokken procespartij zijn cassatieberoep dan zonder die beperkingen wil doorzetten en dat het daarom niet in zijn belang zou zijn dat hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in dat beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. De "Akte rechtsmiddel" houdt onder meer het volgende in:
"Op 1 juni 2011 kwam ter griffie van dit gerechtshof advocaat mr L. Hogeterp, te Haarlem die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gemachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring, en verklaarde namens
naam [achternaam verdachte]
voornamen [voornamen verdachte]
geboren [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]
(...)
die verklaarde beroep in PARTIËLE CASSATIE IN TE STELLEN tegen het arrest d.d. 24 mei 2011 tot de 2 beslissingen op de vragen van 350 Sv.
1. Beslissing over de bewezenverklaring
2. Beslissing over de strafoplegging."
3.2. De Hoge Raad verstaat voormelde akte aldus dat mr. Hogeterp namens de verdachte onbeperkt cassatieberoep heeft ingesteld en dat zij in de akte slechts ten overvloede heeft doen opnemen op welke gedeelten van de bestreden uitspraak haar bezwaren in het bijzonder betrekking hebben.
3.3. De verdachte kan worden ontvangen in het ingestelde beroep.
4. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 429 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 451a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 453 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 455 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 430 Sv
- Artikel 348 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 350 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 81 RO meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2013:CA1610 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:1624 Hoge Raad, 6 oktober 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2026:473 Parket bij de Hoge Raad, 9 juni 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:424 Hoge Raad, 24 maart 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:52 Hoge Raad, 20 januari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1924 Hoge Raad, 16 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1555 Hoge Raad, 14 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1220 Hoge Raad, 9 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:411 Hoge Raad, 18 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:47 Hoge Raad, 23 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:125 Hoge Raad, 14 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:171 Parket bij de Hoge Raad, 22 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:174 Parket bij de Hoge Raad, 22 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:175 Parket bij de Hoge Raad, 22 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:108 Hoge Raad, 1 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:109 Hoge Raad, 1 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:24 Parket bij de Hoge Raad, 11 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:1835 Hoge Raad, 7 december 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:852 Hoge Raad, 15 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:739 Hoge Raad, 18 mei 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:391 Hoge Raad, 16 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:2017 Hoge Raad, 15 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:837 Hoge Raad, 12 mei 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:572 Hoge Raad, 21 april 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:573 Hoge Raad, 21 april 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:575 Hoge Raad, 21 april 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:629 Hoge Raad, 21 april 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:398 Parket bij de Hoge Raad, 21 april 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:195 Parket bij de Hoge Raad, 3 maart 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1185 Parket bij de Hoge Raad, 19 november 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1189 Parket bij de Hoge Raad, 19 november 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:842 Hoge Raad, 5 juni 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:447 Parket bij de Hoge Raad, 15 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:507 Hoge Raad, 24 april 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2959 Hoge Raad, 21 november 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:2185 Hoge Raad, 27 september 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:905 Parket bij de Hoge Raad, 30 augustus 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:796 Parket bij de Hoge Raad, 28 juni 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:811 Parket bij de Hoge Raad, 28 juni 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:732 Parket bij de Hoge Raad, 7 juni 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:857 Hoge Raad, 17 mei 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:544 Parket bij de Hoge Raad, 26 april 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:400 Hoge Raad, 15 maart 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:406 Hoge Raad, 15 maart 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3148 Hoge Raad, 11 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3157 Hoge Raad, 11 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3158 Hoge Raad, 11 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:2671 Hoge Raad, 16 september 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:1522 Hoge Raad, 24 juni 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2014:639 Parket bij de Hoge Raad, 13 mei 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:956 Hoge Raad, 22 april 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:469 Hoge Raad, 4 maart 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:479 Hoge Raad, 4 maart 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2013:CA1610 Parket bij de Hoge Raad, 31 mei 2013 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.