Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 29 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1361Zaaknummer 12/04301
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 29 november 2013
- Publicatiedatum
- 29 november 2013
- Zaaknummer
- 12/04301
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 8:73 Awb. Schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof had de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en
wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
29 november 2013
nr. 12/04301
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 06/8290 IB/PVV en AWB 06/8292 IB/PVV) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige beschikking tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in totaal 4 jaar zijn verstreken en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in totaal 3 jaar en een maand zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade. In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5 en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt.
Het middel betoogt verder dat er voor de Inspecteur geen mogelijkheid is geweest om erop te wijzen dat de thans door het Hof toegekende schadevergoeding meer bedraagt dan de belasting die op basis van de aangebrachte correcties meer verschuldigd is. Voor het geval daarop na verwijzing alsnog een beroep zou worden gedaan, verdient opmerking dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft.
Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2008, nr. 200705993/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604).
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en
wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0300 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28185 Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28186 Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2001 Gerechtshof Amsterdam, 24 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:483 Parket bij de Hoge Raad, 22 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:484 Parket bij de Hoge Raad, 22 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1103 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1104 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:345 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3363 Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6146 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2517 Gerechtshof Amsterdam, 4 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1947 Gerechtshof Amsterdam, 20 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam, 4 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2610 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2675 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2691 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2173 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:139 Gerechtshof Den Haag, 23 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:355 Gerechtshof Amsterdam, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:247 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13118 Rechtbank Noord-Holland, 14 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad, 17 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2118 Gerechtshof Den Haag, 17 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2119 Gerechtshof Den Haag, 17 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:13855 Rechtbank Den Haag, 13 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1765 Gerechtshof Den Haag, 30 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:7361 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6614 Rechtbank Noord-Holland, 11 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2193 Gerechtshof Den Haag, 8 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1909 Gerechtshof Den Haag, 14 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:3090 Rechtbank Midden-Nederland, 1 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:369 Gerechtshof Amsterdam, 2 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15300 Rechtbank Den Haag, 29 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1630 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1932 Gerechtshof Den Haag, 25 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1946 Gerechtshof Den Haag, 25 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1035 Parket bij de Hoge Raad, 20 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:5865 Rechtbank Noord-Holland, 12 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:231 Parket bij de Hoge Raad, 8 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:292 Hoge Raad, 24 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:293 Hoge Raad, 24 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:880 Rechtbank Gelderland, 23 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:81 Parket bij de Hoge Raad, 9 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:2924 Rechtbank Gelderland, 2 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:987 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad, 19 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:1012 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:2981 Hoge Raad, 17 oktober 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2014:2303 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:886 Hoge Raad, 11 april 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:887 Hoge Raad, 11 april 2014 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.