Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:28186Zaaknummer 22/6044

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
22/6044
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond en verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van

E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/6044

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen

drs. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Verder heeft als partij aan deze zaak deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).

Procesverloop

Bij besluiten van 29 augustus 2019 en 30 augustus 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 15 juli 2019 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van het griffierecht in zeven procedures bij de rechtbank afgewezen, omdat er geen sprake is van noodzakelijke kosten.

Bij besluit van 11 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de gedingstukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met procesbelang wordt volgens vaste rechtspraak bedoeld dat het resultaat dat de indiener van een rechtsmiddel beoogt, daadwerkelijk kan worden bereikt en dat dit resultaat voldoende feitelijke betekenis heeft[_61d7670e-ce6a-4e75-898c-8e19cb45c028]. Het resultaat dat eiser met de aanvraag voor ogen stond was het verkrijgen van bijzondere bijstand om daarmee in zeven procedures bij de rechtbank het verschuldigde griffierecht te betalen.

2. Eiser heeft destijds beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het uitblijven van besluiten op bezwaarschriften tegen afgewezen aanvragen om bijzondere bijstand. Die aanvragen zagen op (vergoeding van) het griffierecht in een zevental procedures. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak van 12 april 2022[_fd816258-c9a8-4f4d-881f-367348c0bafa] geoordeeld dat de rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand had aangevraagd, niet gemaakt zijn en ook niet meer gemaakt zullen worden. omdat eiser in de bedoelde procedures:

- niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij het griffierecht niet had betaald (en vervolgens geen verzet heeft ingesteld tegen de betreffende uitspraken);- ofwel geen griffierecht hoefde te betalen omdat de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard.

3. Artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt: “Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft”.

4. In deze zaak doet zich de situatie voor dat eiser geen belang meer had bij het (alsnog) nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften tegen de afwijzingen van 29 en 30 augustus 2019. Immers, in het (hoger) beroep tegen het uitblijven van die beslissingen is geoordeeld dat eiser geen (proces)belang meer had omdat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich in alle gevallen niet meer voordeden, en de niet tijdige voldoening van de kosten ook niet meer kon worden hersteld. Gelet hierop hoefde verweerder niet meer op de bezwaarschriften te beslissen.

5. Verweerder heeft in het (onverplicht) genomen besluit op bezwaar van 11 augustus 2022 terecht het standpunt ingenomen dat het niet meer nodig was om het bezwaar inhoudelijk te beoordelen. Wat de motivering van dat standpunt betreft kon verweerder aansluiten bij het oordeel van de rechtbank en van de CRvB in het (hoger) beroep tegen het uitblijven van (de) beslissing(en) op bezwaar. Het resultaat dat eiser met de indiening van de bezwaarschriften voor ogen stond, het verkrijgen van bijzondere bijstand in de kosten van het griffierecht voor zeven procedures bij de rechtbank, kon niet meer worden bereikt. De kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd, zijn immers niet gemaakt en zullen ook niet meer gemaakt worden.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

6. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat deze procedure volgens hem onredelijk lang heeft geduurd. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.

7. Volgens vaste, op artikel 6 van het EVRM gebaseerde rechtspraak dienen geschillen binnen een redelijke termijn te worden beslist. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.

8. In deze zaak hoefde verweerder na de uitkomst van de (hoger) beroepsprocedure over het uitblijven van besluiten op de bezwaarschriften niet alsnog op de bezwaarschriften te beslissen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het feit dat in dit geval de normaliter voor de bezwaarfase geldende redelijke beslistermijn is overschreden.

9. Eiser heeft op 22 september 2022 pro forma beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De gronden zijn ingediend op 20 oktober 2022. De rechtbank heeft niet binnen anderhalf jaar op het beroep beslist; de redelijke termijn is met een jaar en (ruim) vier maanden overschreden. Normaliter wordt verondersteld dat degene die het beroep indiende daardoor spanning en frustratie heeft ervaren. Daarbij geldt dan wel het uitgangspunt dat er enig belang moet zijn bij de uitkomst van de procedure. In dit specifieke geval was het belang van eiser bij het resultaat van deze procedure evident nihil. Immers, de rechter had reeds vastgesteld dat eiser geen belang had bij de uitkomst van de procedure over de bijzondere bijstand die was ingezet naar aanleiding van het uitblijven van besluiten op de bezwaarschriften tegen de primaire afwijzingen. Gegeven die uitkomst valt niet in te zien welk belang eiser nog had bij het instellen van beroep tegen het bestreden besluit. In deze situatie bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de te lange duur van de procedure bij de rechtbank spanning en frustratie bij eiser heeft veroorzaakt en kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden[_23e6d5d0-cbdf-4c58-84f7-e7486e90761f]. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van

E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2024:1613
  2. ECLI:NL:CRVB:2022:875
  3. Zie HR 29 november 2013;ECLI:NL:HR:2013:1361 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.