Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 24 februari 2017
ECLI:NL:HR:2017:292Zaaknummer 16/02302
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 februari 2017
- Publicatiedatum
- 24 februari 2017
- Zaaknummer
- 16/02302
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zeer gering financieel belang bij € 15. Berekening van toerekening schadevergoeding aan bestuursorgaan respectievelijk Staat toe te rekenen schadevergoeding.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade af te wijzen,
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 571,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de beroepsfase en de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1929,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 115,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1980, derhalve € 990, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
24 februari 2017
nr. 16/02302
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 maart 2016, nr. 12/00796, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 11/843) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Waalwijk voor het jaar 2010 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het College) van de gemeente Waalwijk alsmede de Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2 Beoordeling van de klachten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is eigenaar van een woning, gelegen aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning).
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 2009 vastgesteld op € 295.000. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar deze waarde verminderd tot € 268.000 en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig verminderd.
Het financiële belang van de procedure beloopt € 195,65.
Het bezwaarschrift is op 25 maart 2010 door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 29 december 2010 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De Rechtbank heeft op 7 februari 2011 het beroepschrift ontvangen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 16 oktober 2012. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hogerberoepschrift op 3 december 2012 ontvangen. Het Hof heeft op 18 maart 2016 uitspraak gedaan.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak is overschreden, maar dat het financiële belang van de procedure zeer gering is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2013, nr. 12/04301, ECLI:NL:HR:2013:1361, BNB 2014/5, zodat er geen reden is voor enige vergoeding van immateriële schade. Het Hof heeft bij dat oordeel tot uitgangspunt genomen dat van een zeer gering financieel belang sprake is indien het belang een bedrag van € 200 niet te boven gaat. Hiertegen komt belanghebbende in cassatie op.
In het geval een geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft veroorzaakt. Indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen, zoals in dit geval, moet worden aangenomen dat de procedure betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, indien de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen volgt uit het in 2.1.3 opgenomen uitgangspunt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat met de procedure een zeer gering financieel belang is gemoeid. De tegen dit oordeel gerichte klacht slaagt.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen brengt mee dat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn van berechting in bezwaar en beroep en in hoger beroep. De berechting van deze zaak in eerste aanleg is aangevangen op 25 maart 2010, toen de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontving, en is geëindigd toen de Rechtbank op 16 oktober 2012 uitspraak deed. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve twee jaar, zes maanden en 22 dagen. In deze fase is de redelijke termijn daarom overschreden met afgerond zeven maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1000. Van de overschrijding met afgerond zeven maanden is een periode van drie maanden en 4 dagen, naar boven af te ronden op vier maanden, toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase.
De heffingsambtenaar dient daarom 4/7 deel van € 1000 te betalen (€ 571) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 3/7 deel (€ 429).
Met de overschrijding van de redelijke termijn van afgerond anderhalf jaar in de hogerberoepsfase correspondeert een bedrag van € 1500 dat door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) dient te worden betaald.
3 Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 16/02303 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade af te wijzen,
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 571,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de beroepsfase en de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1929,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 115,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1980, derhalve € 990, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 81 RO meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSHE:2016:987 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:1727 Hoge Raad, 23 oktober 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:581 Gerechtshof Den Haag, 14 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:434 Gerechtshof Den Haag, 17 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2247 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1836 Gerechtshof Den Haag, 12 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1129 Hoge Raad, 11 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2001 Gerechtshof Amsterdam, 24 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:656 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:1270 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:131 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1758 Hoge Raad, 29 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7351 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2036 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2037 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2038 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3363 Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1398 Gerechtshof Den Haag, 14 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4976 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4602 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1774 Gerechtshof Amsterdam, 27 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad, 14 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam, 4 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3359 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1209 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1211 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2173 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:139 Gerechtshof Den Haag, 23 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:247 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13118 Rechtbank Noord-Holland, 14 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad, 17 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:10098 Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:1271 Hoge Raad, 22 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3022 Gerechtshof Amsterdam, 19 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1765 Gerechtshof Den Haag, 30 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:7361 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3553 Gerechtshof Amsterdam, 1 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1926 Gerechtshof Den Haag, 26 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6614 Rechtbank Noord-Holland, 11 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1620 Gerechtshof Den Haag, 29 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:1444 Rechtbank Oost-Brabant, 4 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2023:614 Centrale Raad van Beroep, 29 maart 2023 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:1705 Rechtbank Rotterdam, 23 februari 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:12169 Rechtbank Noord-Holland, 15 december 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:9519 Rechtbank Rotterdam, 2 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3789 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1982 Rechtbank Oost-Brabant, 18 mei 2022 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3324 Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3325 Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2022:995 Centrale Raad van Beroep, 12 april 2022 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:864 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:364 Gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2021:2663 Centrale Raad van Beroep, 21 oktober 2021 (socialezekerheidsrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.