Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 8 oktober 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE5651Zaaknummer 02117/01
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2002
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02117/01
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 8 oktober 2002.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
8 oktober 2002
Strafkamer
nr. 02117/01
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 februari 2001, nummer 23/001249-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 18 maart 1999 - de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde partieel nietig verklaard en de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. primair "medeplegen van een gewoonte maken van opzetheling" en 3. "medeplegen van het valselijk opmaken van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen en medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, doch uitsluitend voorzover het feit 3 betreft, de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, dat de Hoge Raad de bewijsvoering ten aanzien van feit 1 verbeterd zal lezen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel richt zich met een tweetal klachten tegen de motivering van hetgeen onder 1 is bewezenverklaard.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 maart 1998 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door hem, verdachte en een ander (te weten: [betrokkene 1]), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven:
- gewoonteheling, althans opzetheling van door misdrijf verkregen hoeveelheden buitenlands geld en het voordeel trekken uit opbrengsten van door misdrijf verkregen geld en
- de opzettelijke uitlokking van en opzettelijke medeplichtigheid aan voornoemde misdrijven en
- het opzettelijk in strijd met artikel 4 van de Wet inzake de wisselkantoren werkzaam zijn als wisselkantoor, welke deelneming bestond uit het geven van inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven en uit het verrichten van hand- en spandiensten en het vervalsen van stukken om de herkomst van die geldbedragen te verbergen."
3.3. Bij de beoordeling van de eerste klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Bij zijn arrest van 8 november 1997, NJ 1998, 225 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor "deelneming" in de zin van art. 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
De hier besproken klacht berust op de opvatting dat de Hoge Raad bij zijn arrest van 5 juni 2001, NJ 2001,518, heeft geoordeeld dat voor "deelneming" als hiervoor bedoeld ook is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven heeft gehad. Die opvatting berust op een onjuiste lezing van laatstgenoemd arrest, zodat de klacht faalt.
3.4. Ook de tweede klacht van het middel slaagt niet. Dat, zoals is bewezenverklaard, de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen het oogmerk had tot het "opzettelijk in strijd met artikel 4 van de Wet inzake de wisselkantoren werkzaam zijn als wisselkantoor" kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, nu deze inhouden - hetgeen op zichzelf in cassatie niet wordt bestreden - dat de desbetreffende organisatie werkzaamheden als wisselkantoor heeft verricht.
Het is ingevolge art. 4, eerste lid van genoemde wet verboden als wisselkantoor werkzaam te zijn. Het tweede lid van dat artikel behelst een aantal uitzonderingen op dat verbod. De kennelijk aan de klacht ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als het onderhavige - waarin niet blijkt dat is aangevoerd dat een dier uitzonderingen van toepassing was - uit de bewijsmiddelen zou moeten blijken dat geen van die uitzonderingen zich heeft voorgedaan, is onjuist.
3.5. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 3 niet voldoende is gemotiveerd.
4.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 maart 1998 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, administratie, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of zijn mededader in strijd met de waarheid in die administratie verklaard dat medeverdachte [betrokkene 1] met instemming van de Nederlandse autoriteiten grote geldbedragen wisselt;
en hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 maart 1998 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, gebruik heeft gemaakt van vervalste administratie, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij verdachte en/of een mededader die administratie heeft overgelegd aan de Customs & Excise te Londen, Engeland (naar aanleiding van de inbeslagname van geld bij medeverdachte [betrokkene 2] op 1 december 1997) of doen toekomen teneinde de herkomst van dat geld te kunnen aantonen (met als doel het inbeslaggenomen geld terug te krijgen)."
4.3. Het middel is gegrond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte tezamen met een
ander in de administratie - in strijd met de waarheid - de verklaring heeft opgenomen dat medeverdachte [betrokkene 1] met instemming van de Nederlandse autoriteiten grote geldbedragen wisselt en evenmin dat feitelijk gebruik is gemaakt van een vervalste administratie door deze over te leggen of te doen toekomen aan de Customs & Excise te Londen.
5. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 8 oktober 2002.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2002:AE5651 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1715 Gerechtshof Den Haag, 27 augustus 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:3116 Gerechtshof Den Haag, 27 augustus 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:424 Parket bij de Hoge Raad, 8 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:364 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:365 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:366 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:376 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:496 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:497 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:498 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:501 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:533 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:534 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:539 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:573 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:574 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:586 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4090 Rechtbank Gelderland, 4 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4091 Rechtbank Gelderland, 4 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4092 Rechtbank Gelderland, 4 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4093 Rechtbank Gelderland, 4 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4099 Rechtbank Gelderland, 4 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4083 Rechtbank Gelderland, 3 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3569 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3574 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3575 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3576 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:7153 Rechtbank Amsterdam, 7 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:7167 Rechtbank Amsterdam, 7 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:7178 Rechtbank Amsterdam, 7 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:7190 Rechtbank Amsterdam, 7 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:7194 Rechtbank Amsterdam, 7 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2403 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2459 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2461 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2467 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2475 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2507 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2509 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2511 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2525 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2526 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2529 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2531 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2541 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2543 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2562 Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:263 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:264 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:272 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:274 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:291 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:303 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:315 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:322 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11343 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 december 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:10647 Rechtbank Den Haag, 23 juli 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:7430 Rechtbank Den Haag, 23 juli 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:10860 Rechtbank Rotterdam, 20 december 2018 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.