Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 12 mei 1999
ECLI:NL:HR:1999:AA2760Zaaknummer 33286
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 mei 1999
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 33286
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
Volledige tekst
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 maart 1997 betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting en beschikking kosten wielklem van de gemeente Amsterdam.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 22 oktober 1994 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 62,50 bestaande uit ƒ 4,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 58,50 aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. Tevens is bij beschikking een bedrag van ƒ 60,-- van belanghebbende gevorderd ter zake van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur van de dienst Parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) gehandhaafd. Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Directeur Gemeentebelastingen Amsterdam heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. De klacht onder I is in zoverre gegrond dat het Hof niet is ingegaan op belanghebbendes betoog dat artikel 235 van de Gemeentewet (tekst 1994), waarop de bevoegdheid van Burgemeester en Wethouders tot het doen aanbrengen van een wielklem en het verhalen van de kosten daarvan berust, in strijd is met artikel 10 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat kan echter niet tot cassatie leiden omdat, wat artikel 10 van de Grondwet betreft, de vraag of genoemde wetsbepaling in strijd komt met de Grondwet niet ter beoordeling van de rechter staat, wat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM betreft omdat dit artikel uitdrukkelijk niet het recht van de verdragsluitende staten aantast om die wetten toe te passen die zij nodig achten om de betaling van belastingen te verzekeren. Niet gezegd kan worden dat de wetgever de onderhavige maatregel in redelijkheid niet nodig heeft kunnen achten om de betaling van parkeerbelastingen te verzekeren, noch dat een redelijke verhouding tussen de gekozen maatregel en het daarmee beoogde doel ontbreekt. 3.2. Onder het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet (tekst 1994) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Anders dan belanghebbende in zijn klacht onder II aanvoert, geeft 's Hofs oordeel onder 5.2, waarin besloten ligt dat in het onderhavige geval geen sprake was van het onmiddellijk lossen van goederen in bovengenoemde zin, geen blijk van een onjuiste opvatting van dit begrip. Dat oordeel is evenmin ontoereikend gemotiveerd, zodat ook deze klacht faalt. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft betwist dat Burgemeester en Wethouders (op de voet van artikel 232 van de Gemeentewet in verbinding met artikel 8 van de Verordening Parkeerbelastingen 1994) hun bevoegdheid met betrekking tot de heffing en invordering van parkeerbelastingen hebben overgedragen aan de Directeur. Dit oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk en kan voor het overige als berustend op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de standpunten van partijen in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Tegen deze achtergrond is 's Hofs - kennelijk mede op het tot de gedingstukken behorende aanstellingsbesluit berustende - oordeel dat de als controleur A aangestelde ambtenaar die de naheffingsaanslag heeft opgelegd, hiertoe ook bevoegd was - waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat die ambtenaar daarbij handelde uit naam van de Directeur - niet onvoldoende gemotiveerd. Voor het overige berust het op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen, zodat het in cassatie moet worden geërbiedigd. Anders dan belanghebbende aanvoert was het Hof niet gehouden de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen. De klacht onder III faalt eveneens. 3.4. Voor zover belanghebbende in de klacht onder IV aanvoert dat hij ter zitting van het Hof van 12 november 1996 bezwaar heeft gemaakt tegen het overleggen van een stuk door zijn wederpartij, faalt dit betoog reeds wegens gebrek aan feitelijk grondslag, nu uit de uitspraak van het Hof hiervan niet blijkt. Het oordeel van het Hof dat aannemelijk is gemaakt dat de geraamde kosten niet hoger zijn dan is toegestaan ingevolge de artikelen 2 en 5 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen berust op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. De klacht onder IV faalt ook voor het overige.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 12 mei 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 2 Bgpb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 5 Bgpb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 232 Gemw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 235 Gemw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226 (oud) Gemw
- Artikel 120 Gw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 10 Gw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226 Gemw meer uitspraken over dit artikel
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:957 Hoge Raad, 19 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9637 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9699 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:6240 Rechtbank Amsterdam, 25 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2896 Rechtbank Amsterdam, 28 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3190 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 februari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:90 Hoge Raad, 17 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9563 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9578 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9196 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8573 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 november 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1616 Gerechtshof Den Haag, 11 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2087 Gerechtshof Den Haag, 3 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:255 Gerechtshof Den Haag, 15 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:284 Gerechtshof Amsterdam, 23 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:10730 Rechtbank Rotterdam, 16 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:6644 Rechtbank Rotterdam, 24 juli 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:4513 Rechtbank Rotterdam, 30 mei 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:4519 Rechtbank Rotterdam, 30 mei 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4274 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 mei 2023 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:1983 Rechtbank Rotterdam, 3 maart 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:361 Rechtbank Rotterdam, 16 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:12385 Rechtbank Noord-Holland, 8 december 2022 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:12319 Rechtbank Noord-Holland, 26 augustus 2022 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1959 Gerechtshof Den Haag, 6 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7068 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juli 2021 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6602 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juli 2021 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:5112 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 mei 2021 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:87 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 januari 2021 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:2550 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 maart 2020 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:1805 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2020 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:1147 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2020 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:1007 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 februari 2020 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:11245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 december 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10296 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 december 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7859 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 september 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:6640 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:4919 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juni 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3877 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 mei 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:2988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 april 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10949 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 december 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5238 Rechtbank Gelderland, 7 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10229 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 november 2018 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10134 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2018 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:8540 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 september 2018 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7920 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 september 2018 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:6507 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 juli 2018 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:6372 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juli 2018 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:11076 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 december 2017 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4268 Gerechtshof Amsterdam, 19 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:7249 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 augustus 2017 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2605 Gerechtshof Amsterdam, 20 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2604 Gerechtshof Amsterdam, 20 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5039 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2017 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5048 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2017 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:3804 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 mei 2016 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:3074 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 april 2016 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:2142 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 maart 2016 (bestuursstrafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.