Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2667Zaaknummer 24/1884 en 24/1885
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/1884 en 24/1885
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
PVV. Verzoek om ambtshalve vermindering premie volksverzekeringen buiten de vijfjaarstermijn gedaan. Langere navorderingstermijn van inspecteur voor buitenlands inkomen geen reden voor verlenging van de vijfjaarstermijn voor het verzoeken om ambtshalve vermindering. De beperkingen aan een verzoek om ambtshalve vermindering, zoals de vijfjaarstermijn en het nieuwe jurisprudentie criterium, zijn niet onevenredig.
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, T.A. Gladpootjes en C.W.M.M. Verkoijen en, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1884 en 24/1885
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 november 2024, nummers BRE 23/9805 en BRE 23/9806, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2014 en 2015 opgelegd (hierna: de aanslagen). Tevens is tegelijkertijd met de aanslag IB/PVV 2015 bij beschikking belastingrente vergoed.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de daarin besloten verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar (onder 1.3) beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde laten weten dat zij niet zullen verschijnen.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende woonde in 2014 en 2015 in Letland en was buiten Nederland werkzaam aan boord van een jack-up onder de vlag van de Bahama's. Hij ontving voor deze werkzaamheden loon van een Nederlandse werkgever van € 22.663 (2014) en € 23.044 (2015).
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 vastgesteld met dagtekening 20 december 2016 en de aanslag IB/PVV 2015 met dagtekening 3 februari 2017. In beide aanslagen is het verzamelinkomen vastgesteld op nihil en het premie-inkomen op € 22.663 (2014) en € 23.044 (2015). Tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag IB/PVV 2015 is bij beschikking € 42 belastingrente vergoed.
Belanghebbende heeft bij brieven met dagtekening 23 november 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, omdat uit het arrest van het Hof van Justitie EU van 8 mei 2019[_ce7bb582-4dc4-46c8-a7c2-2ba72cb7e132] (hierna: het SF-arrest) zou volgen dat hij in Nederland niet premieplichtig voor de volksverzekeringen is. Deze bezwaarschriften zijn op 24 november 2021 door de inspecteur ontvangen.
De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend.
De inspecteur heeft de bezwaren tevens als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen aangemerkt en deze verzoeken afgewezen.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
Belanghebbende concludeert tot ambtshalve vermindering van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot een ongegrond hoger beroep.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Niet in geschil is dat belanghebbende in 2014 en 2015 in Nederland niet premieplichtig voor de volksverzekeringen was en dat de aanslagen dus onjuist zijn. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de termijn waarbinnen belanghebbende de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen had moeten doen langer dan vijf jaar moet zijn na het einde van de kalenderjaren waarop de belastingaanslagen betrekking hebben. Als dat het geval is, dan is de vraag of de onjuistheid van de aanslagen voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslagen onherroepelijk vast zijn komen te staan.
Artikel 58, lid 1, Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt dat de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels.[_e165b08d-46f2-4508-bf7c-466eaf0a8390]
Artikel 9.6 Wet IB 2001 luidt (voor zover relevant) als volgt:
“1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.
2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd.
3. Niettegenstaande het bepaalde krachtens het tweede lid wordt de aanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld door de inspecteur ambtshalve verminderd indien een verzoek daartoe is ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet van toepassing.
(…)”
Artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 luidt (voor zover als relevant) als volgt:
“De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:
a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
(…)”
De inspecteur betoogt dat de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen omdat op het moment dat belanghebbende deze verzoeken deed (meer dan) vijf jaren waren verlopen na het einde van de kalenderjaren 2014 en 2015. Verder voert hij aan dat de onjuistheid van de aanslagen voortvloeit uit het SF-arrest en dat dit arrest is gewezen nadat de aanslagen al onherroepelijk vast stonden.
Belanghebbende betoogt dat het onevenredig is dat hij voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering om de premies terug te ontvangen slechts een vijfjaarstermijn heeft, terwijl in de gespiegelde situatie (dus een Nederlands ingezetene voor een Letse werkgever aan boord van een zeeschip onder de vlag van de Bahama's werkt) de inspecteur voor het navorderen van de premies maar liefst een twaalfjaarstermijn heeft. Belanghebbende is van mening dat er geen gronden zijn die dit enorme verschil rechtvaardigen. Verder betoogt belanghebbende dat al voordat het SF-arrest werd gewezen duidelijk was dat belanghebbende niet in Nederland maar in Letland premieplichtig was. Van nieuwe jurisprudentie is dan ook geen sprake, aldus belanghebbende.
Het hof constateert allereerst dat partijen er terecht van uitgaan dat de verzoeken om ambtshalve vermindering niet binnen de in artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting gestelde vijfjaarstermijn zijn gedaan (hierna: de vijfjaarstermijn). Het verzoek voor de aanslag IB/PVV 2014 had vóór 1 januari 2020 moeten zijn gedaan en het verzoek voor de aanslag IB/PVV 2015 had vóór 1 januari 2021 moeten zijn gedaan. Beide verzoeken zijn echter pas op 24 november 2021 en daarmee te laat door de inspecteur ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat er aan de zijde van belanghebbende omstandigheden zijn die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Dat betekent dat de inspecteur op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 45aa, aanhef en letter a, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 de verzoeken om ambtshalve vermindering moest afwijzen.
Het hof verwerpt het betoog van belanghebbende dat het onevenredig is dat hij voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering om de premies terug te ontvangen slechts de vijfjaarstermijn heeft, terwijl de inspecteur bij navordering voor inkomensbestanddelen die opkomen in het buitenland een twaalfjaartermijn heeft[_351eadf2-125b-4f32-9efc-d1bfdde54110] (hierna: de verlengde navorderingstermijn). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de verlengde navorderingstermijn is ingevoerd om het beperkte zicht van de Nederlandse fiscus op wat een belastingplichtige in het buitenland houdt of ontvangt en de tijd en moeite die het de fiscus kost om daar zicht op te krijgen, te compenseren. Een belastingplichtige wordt geacht zelf te weten wat hij (al dan niet in het buitenland) ontvangt of houdt. Er is dan ook geen sprake van een informatieachterstand aan de zijde van belanghebbende die gecompenseerd zou dienen te worden met een verlenging van de vijfjaarstermijn. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering dan ook terecht afgewezen.
Overigens had de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering ook moeten afwijzen als deze wel tijdig waren gedaan. Dat voor een situatie als die van belanghebbende gelet op artikel 11(3)(e) van Verordening (EG) nr. 883/2004 (enkel) de toepasselijke nationale wetgeving van Letland van toepassing is, is pas duidelijk geworden met het SF-arrest.[_2ead9333-ffa2-4581-bc3c-0e6f38dd4f3d] Toen waren de aanslagen reeds onherroepelijk geworden. De mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontnam aan die aanslagen niet het definitieve karakter.[_8bbf63b2-0eb3-4648-bee4-e108ec70165a] De Minister van Financiën heeft bovendien na het SF-arrest niet bekend gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kan worden afgeweken van de in artikel 45aa, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling IB 2001 opgenomen voorwaarde (hierna: ‘het nieuwe jurisprudentie criterium’).
Voor zover belanghebbende met zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel (ook) betoogt dat de vijfjaarstermijn en het nieuwe jurisprudentie criterium in dit geval op basis van een exceptieve toetsing aan het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moeten blijven, slaagt dit betoog niet. De bezwaartermijn van zes weken is een redelijke termijn, in die zin dat daardoor de uitoefening van (mede) op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt.[_5ce69627-87f8-43f2-a329-50636f372581] Dat belanghebbende ervoor heeft gekozen om binnen deze bezwaartermijn geen bezwaar te maken tegen de aanslagen komt voor zijn rekening en risico. De regeling van artikel 9.6 Wet IB 2001 biedt een extra mogelijkheid om een onjuiste belastingaanslag te (laten) verminderen. Daarbij mogen beperkingen worden gesteld, zoals de vijfjaarstermijn en het nieuwe jurisprudentie criterium, en deze beperkingen zijn naar het oordeel van het hof niet onevenredig.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, T.A. Gladpootjes en C.W.M.M. Verkoijen en, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- Hof van Justitie EU van 8 mei 2019 (C-631/17), ECLI:EU:C:2019:381.
- Met uitzondering van artikel 10a.28 Wet IB 2001.
- Op grond van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen.
- Zie ook Hoge Raad 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:995 in cassatie op Gerechtshof ’sHertogenbosch 20 september 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3019.
- Vergelijk Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, r.o. 3.5.3.
- Hoge Raad 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0637, r.o. 3.2.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 58 Wfsv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:7 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 60 AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 45aa Uitv reg IB 2001 meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8:75 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 10a.28 Wet inkomstenbelasting 2001 meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 16 AWR meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7629 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.