Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2592Zaaknummer 24/622 en 24/623
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/622 en 24/623
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De overeenkomst van schenking is wegens dwaling vernietigd door een buitengerechtelijke verklaring. Belanghebbende verzoekt om vermindering van belastingaanslagen schenkbelasting. Het hof is van oordeel dat de dwaling is voorgewend en dat de vernietiging van de overeenkomst van schenking niet aan de inspecteur kan worden tegengeworpen. Geen vermindering van de belastingaanslagen schenkbelasting o.g.v. artikel 53 SW.
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 166,67.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, P. van der Wal en R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/622 en 24/623
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 april 2024, nummers BRE 21/2571 en 21/2572, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag schenkbelasting opgelegd ter zake van een verkrijging krachtens schenking op [datum 1] 2014. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag schenkbelasting opgelegd wegens het vervallen van een voorwaardelijke vrijstelling.
Belanghebbende heeft verzocht om vermindering van de in 1.1 bedoelde aanslag en navorderingsaanslag schenkbelasting.
De inspecteur heeft bij beschikking van 5 februari 2021 besloten niet aan dit verzoek tegemoet te komen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt en verzocht om prorogatie[_30b9d611-3ad4-46b0-874f-8b9b3a373baf]. De inspecteur heeft het bezwaar doorgezonden naar de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde], als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [persoon 1], en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].
Op deze zitting zijn gezamenlijk en gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/624 tot en met 24/627.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
[de vader] (hierna: vader) en [de moeder] (hierna: moeder) hebben bij notariële akte van [datum 1] 2014 25 certificaten van aandelen in [A BV] (hierna: de certificaten) aan zowel belanghebbende als haar twee broers (hierna gezamenlijk: de kinderen) geschonken.
In de aangifte schenkbelasting is verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR) zoals bedoeld in artikel 35b en volgende van de Successiewet 1956 (hierna: SW). De totale waarde van de aandelen ten tijde van de verkrijging van de certificaten is in onderling overleg met de inspecteur vastgesteld op € 1.500.000.
Aan belanghebbende is, overeenkomstig de aangifte, met dagtekening 2 augustus 2016 de aanslag schenkbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 18.920.[_fff6ed9a-70c4-49b6-be9a-4ab1664a2e81]
Bij notariële akte van [datum 2] 2017 zijn de administratievoorwaarden van [stichting] gewijzigd.
Vader is overleden op 23 mei 2017.
De kinderen en moeder, mede handelend als executeur-testamentair van de nalatenschap van vader, hebben op [mei] 2017 een overeenkomst ter zake van dwaling getekend (hierna: de dwalingsovereenkomst). Daarin is onder meer het volgende vastgelegd:
“Artikel 1 Intentie schenking
1. De schenkers de certificaten van aandelen hebben geschonken om niet en de schenkers daarbij de bedoeling hadden de begiftigden te bevoordelen waarbij de schenkers ten koste van hun eigen vermogen de begiftigden wilden verrijken en dat de schenking nimmer tot een verarming van de begiftigden zou leiden.
2. Aan de schenking zit als gevolg van de Bedrijfsopvolgingsfaciliteit een voortzettingseis van 5 jaar. Mochten begiftigden binnen deze termijn de onderneming niet voortzetten, dan was altijd de veronderstelling dat een eventuele opbrengst altijd voldoende zou zijn om de schenkbelasting te voldoen.
3. Thans is een faillissement van de onderneming onafwendbaar, waardoor als gevolg van de schenkingsrechten een aanzienlijke verarming van de begiftigden plaatsvindt.
4. De schenkers dit niet hebben bedoeld ten tijde van de schenking en dus niet is voldaan aan het bepaalde in lid 1 van dit artikel.
Artikel 2 Wederzijdse dwaling
1. De schenking heeft plaatsgevonden op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en voor de toepassing van deze faciliteit geldt een aantal voorwaarden. Eén van deze voorwaarden betreft de zogenaamde voortzettingseis gedurende vijf jaren. De begiftigden hadden ook het voornemen om de onderneming gedurende vijf jaren voort te zetten. Partijen zijn zich niet bewust geweest dat de onderneming binnen 5 jaar failliet zou kunnen gaan en van het feit dat als de onderneming niet kan worden voortgezet door oorzaken die buiten hun macht liggen - zoals een faillissement - niet aan het voortzettingsvereiste geacht wordt te zijn voldaan.
2. Bij de schenking is geen rekening gehouden met een mogelijke verarming van de begiftigden en partijen zijn derhalve bij de schenking uitgegaan van een verkeerde voorstelling van zaken.
3. Schenkers nimmer de certificaten hadden geschonken, en de begiftigden nimmer de schenking hadden aanvaard, wanneer wel voldoende rekening was gehouden met bovenvermelde mogelijke verarming en dat de overeenkomst van schenking dus nooit tot stand zou zijn gekomen.
4. Partijen hebben zich gebaseerd op een onjuiste voorstelling van zaken en aldus is er sprake van een wederzijdse dwaling als bedoeld in artikel 6.228 lid 1 sub c BW.
5. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling is vernietigbaar en partijen zijn overeengekomen de overeenkomst te vernietigen.
6. De geschonken certificaten worden daarom om niet teruggeleverd door de begiftigden aan de schenkers.”
De kinderen hebben de certificaten bij akte van [mei] 2017, met als opschrift “TERUGLEVERING CERTIFICATEN VAN AANDELEN” (terug)geleverd (hierna: de akte van teruglevering). In deze akte is, voor zover van belang het volgende overeengekomen:
“Als gevolg van wederzijdse dwaling is de overeenkomst tot schenking vernietigd en als gevolg hiervan worden de certificaten zonder tegenprestatie terug geleverd door de begiftigden aan de schenkers.”.
Het faillissement van [A BV] is op [juni] 2017 uitgesproken.
Aan belanghebbende is met dagtekening 16 oktober 2018 een navorderingsaanslag schenkbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 463.710. De voorwaardelijke vrijstelling BOR is daarbij nader vastgesteld op nihil.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Tevens heeft belanghebbende op grond van artikel 53 SW verzocht om vermindering van de aanslag en de navorderingsaanslag tot nihil.
De inspecteur heeft bij beschikking van 5 februari 2021 het verzoek van belanghebbende afgewezen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 2.11 bedoelde beschikking. De inspecteur heeft het bezwaar doorgezonden aan de rechtbank (zie 1.4).
Ter zitting van de rechtbank heeft [getuige] als getuige (hierna: [getuige]) het volgende verklaard:
“Gemachtigde:
Je bent een lange tijd betrokken geweest als adviseur van de familie [familie].
l. Hoe lang ben je in totaal werkzaam geweest als adviseur van de familie?
Getuige:
- Dat is vanaf 2006/2007 tot en met 2017.
Gemachtigde:
2. Was je alleen betrokken op het dossier van de familie [familie] ?
a. Zo nee, wie waren er nog meer betrokken?
b. Gaf je zelf fiscaal advies aan de familie [familie] ?
c. Hoe zou je jouw rol omschrijven?
Getuige:
- Ik was niet de enige die betrokken was op het dossier. We hadden een strenge scheiding tussen accountants en fiscalisten. Ik was relatiebeheerder/accountmanager/ de adviseur.
- Ik was wel betrokken bij een aantal fiscale zaken. Eenvoudige dingen deed ik zelf af. Als het complexer werd ging er een fiscalist mee. [fiscalist] was de betreffende fiscalist.
Gemachtigde:
3. Hoe ging het met de onderneming vanaf ca. 2010?
Getuige:
- 2010 was een winstjaar. 2011 en 2012 waren niet winstgevend. In 2013 was er wel winst. 2014 was een verliesjaar.
Gemachtigde:
4. Wanneer werd duidelijk dat de onderneming afstevende op een faillissement?
Getuige:
- In de loop van 2016 werd mij dat duidelijk. 2014 en 2015 waren slechte jaren. Toen wist ik dat het minder goed ging met de onderneming.
Gemachtigde:
5. Was een faillissement al een reëel risico ten tijde van de schenking van de certificaten van aandelen eind 2014 door de ouders aan de kinderen?
Getuige:
- Niet in mijn ogen nee. Het bedrijf had nog voldoende weerstand. Naar mijn idee was het mogelijk het tij te keren en te zorgen dat de onderneming winstgevend zou worden.
Gemachtigde:
6. Werd er destijds door adviseurs veel gebruik gemaakt van de BOR?
Getuige:
- Niet dat ik weet. Het was voor mij de eerste keer dat ik het meemaakte. Ik weet niet of het vaker bij ons voorkwam op dat moment.
Gemachtigde:
7. Was rond 2014 binnen de beroepsgroep algemeen bekend dat een faillissement mogelijk tot het terugnemen van de BOR zou leiden?
Getuige:
- Dat was mij niet bekend.
Gemachtigde:
8. Is met de familie [familie] besproken dat een faillissement van de onderneming mogelijk tot het terugnemen van de BOR zou leiden?
Getuige:
Helaas niet. Dat heb ik niet vermeld omdat ik het niet wist. Mijn collega [fiscalist] heeft er ook niets over gezegd.
Gemachtigde:
9. Wat zou je de familie [familie] hebben geadviseerd als je wel op de hoogte was geweest van het feit dat een faillissement binnen vijf jaar na schenking mogelijk tot het terugnemen van de BOR zou leiden?
Getuige:
- Dan had ik niet geadviseerd er gebruik van te maken.
Gemachtigde:
10. Welke opleiding heb je gevolgd?
11. Heb je een specialisatie?
Getuige;
- Ik was Register Valuater (RV) tot 3 jaar geleden.
Gemachtigde:
12. Wat hield RV in?
13. Golden daarvoor in de jaren 2010-2017 reeds bepaalde opleidingseisen?
14. Ben je als Register Valuator onderworpen aan het tuchtrecht?
Getuige:
- Daar moet je een opleiding voor volgen en ingeschreven worden in het register. Het is ook onderworpen aan het tuchtrecht.
Gemachtigde:
15. Hield je je in ca. 2014 veel bezig met het waarderen van aandelen?
16. Heb jij de waardering van de (certificaten van) aandelen in [A BV] gemaakt?
Getuige:
- In 2013 heb ik de waardering uitgebracht. Toen was ik RV. In oktober 2013 is die voorgelegd aan de Belastingdienst.
Gemachtigde:
17. Op welke waarde kwam jij uit?
Getuige:
- Het was een conceptnotitie. De punten die we niet hebben opgenomen zijn ook als zodanig benoemd. Het is een voorstudie, gebaseerd op resultaten uit het verleden. We hebben gekeken naar de laatste vijf jaar met drie verschillende scenario’s: de drie beste jaren, de vier laatste jaren en alle jaren. Toen kwamen we uit op een negatieve waarde van 4,6 miljoen. Dat was in het beste scenario. De andere waren 4,9 miljoen negatief en 7 miljoen negatief.
Gemachtigde:
18. Waarom is uiteindelijk ingestemd met een waardering van de (certificaten van) aandelen van 1,5 mio?
Getuige:
- De heer [persoon 2] heeft onze notitie gelezen. Hij vond dat de waarde 2 miljoen moest zijn. Ik heb telefonisch gezegd dat dat veel te hoog was. Er is een compromis gesloten van 1,5 miljoen. Ik heb de familie gezegd akkoord te gaan omdat de schenkbelasting overzienbaar was bij dat bedrag.
Gemachtigde:
We houden u een e-mail voor van 24 april 2014.
Kunt u zich herinneren dat u deze mail heeft gestuurd?
- Getuige: Ja.
De inspecteur krijgt de gelegenheid om de getuige vragen te stellen.
Inspecteur:
U zei dat faillissement ten tijde van de schenking geen reëel risico was.
Getuige:
- Ja dat klopt.
Inspecteur:
Hoe kan dat dan? U zegt dat als u had geweten dat faillissement een beëindigingsgrond was, u het niet zou hebben geadviseerd. Dat vind ik vreemd omdat u een faillissement geen reëel risico vond.
Getuige:
- Ik zit 40 jaar in het vak. We hebben de cliënten telkens gewezen op het risico. Als ik had geweten dat faillissement zou leiden tot het niet voortzetten van de BOR, had ik cliënten daarop gewezen.
Inspecteur:
Over de mail: U had zelf een aantal scenario’s geschetst. Vervolgens zegt u dat 1,5 miljoen u een prima voorstel lijkt. Ik snap niet hoe dat zich met elkaar verhoudt.
Getuige:
- Het gaat erom dat onze waarde 0 was. De Belastingdienst zegt 2 miljoen Ik vond het een prima voorstel als cliënten bereid waren dat te betalen. Omdat ze dan door konden gaan met de overdracht van de aandelen aan de kinderen en de toepassing van de BOR.
De rechtbank stelt vragen aan de getuige:
Rechtbank:
Over de beroepsaansprakelijkheid. Bent u aansprakelijk gesteld?
Getuige:
- Ja, kantoor heeft de aansprakelijkheid aanvaard. Dat heb ik 3 weken geleden gehoord.
Rechtbank:
Heeft u de familie ook schriftelijk geadviseerd?
Getuige:
- Er is één memo over de BOR geschreven. Daarin is het woord faillissement niet genoemd.
- Er is niet ingegaan op het zwaar weer waar de onderneming in verkeerde.”.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op vermindering van de aanslag en navorderingsaanslag tot nihil.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag en navorderingsaanslag schenkbelasting tot nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Belanghebbende heeft met toepassing van artikel 53, lid 1, SW verzocht om vermindering van de aanslag en navorderingsaanslag schenkingsrecht. Zij heeft aan dat verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De overeenkomst van schenking waarbij vader en moeder de certificaten hebben geschonken aan de kinderen, is tot stand gekomen onder invloed van dwaling. De kinderen en moeder, mede handelend als executeur-testamentair van de nalatenschap van vader, hebben in verband daarmee op [mei] 2017 de dwalingsovereenkomst getekend (zie 2.6). In de dwalingsovereenkomst zijn moeder en de kinderen overeengekomen dat de overeenkomst van schenking wordt vernietigd en dat de geschonken certificaten om niet worden teruggeleverd door de kinderen aan de schenkers. Ter uitvoering van de dwalingsovereenkomst hebben de kinderen bij onderhandse akte van [mei] 2017 de certificaten teruggeleverd aan vader en moeder (zie 2.7).
Het hof stelt voorop dat gelet op de vastgestelde feiten, in het bijzonder 2.6 en 2.7, de rechtshandeling strekkende tot schenking van de certificaten, civielrechtelijk is vernietigd door een buitengerechtelijke verklaring.[_0d22c4ac-1161-4186-a61c-04b872098548] Anders dan belanghebbende meent, is uit (de bewoordingen van) hetgeen in 2.6 en 2.7 is opgenomen niet af te leiden dat er sprake is geweest van een herroepelijke schenking die vervolgens is herroepen.
Indien een rechtshandeling civielrechtelijk is vernietigd, wordt dit als uitgangspunt ook gevolgd voor de toepassing van het belastingrecht. Indien als gevolg van vernietiging van een schenkingsovereenkomst wegens dwaling een ongedaanmakingsverplichting ontstaat, kan de uitoefening van het daarmee corresponderende terugvorderingsrecht reden zijn om met toepassing van artikel 53, lid 1, SW de in verband met de schenking opgelegde aanslag in de schenkbelasting te verminderen. Daarentegen heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1 (hierna: het arrest) geoordeeld dat een belanghebbende de dwaling niet onder alle omstandigheden aan de inspecteur kan tegenwerpen. Partijen verschillen van mening over de betekenis van dit arrest. De inspecteur neemt het standpunt in dat het erom gaat of de vernietigingsgrond, dus het beroep op dwaling, is voorgewend. Belanghebbendes standpunt luidt dat het erom gaat of het beroep op vernietiging is voorgewend en dat, nu vaststaat dat de schenkingsovereenkomst civielrechtelijk is vernietigd, de vernietiging dus niet is voorgewend. Het hof leidt uit overweging 2.6 van het arrest af dat doorslaggevend is dat de vermindering niet berust op een oorzaak die slechts is voorgewend.
Vervolgens is aan de orde de stelling van de inspecteur dat de vernietiging van de overeenkomst van schenking als gevolg van dwaling slechts is voorgewend.
In artikel 6:228, lid 1, BW is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“1. Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:
(…)
c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.”.
Het is aan degene die zich op de vernietiging beroept om voldoende aanknopingspunten voor de gestelde dwaling te verschaffen. Het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de vernietiging van de schenkingsovereenkomst slechts is voorgewend.[_d6e9568f-f5d7-4f2b-ab0d-3e6f27d02a8b]
Belanghebbende heeft voor de gestelde (wederzijdse) dwaling de volgende aanknopingspunten verschaft. Aan de schenking van de certificaten lag een advies van [getuige] ten grondslag. [getuige] heeft vader, moeder en de kinderen (hierna samen: de familie) erop gewezen dat er een voortzettingsvereiste geldt bij de BOR. [getuige] heeft er echter niet op gewezen dat bij een onvrijwillige bedrijfsbeëindiging - zoals een faillissement - niet langer wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste en dat daardoor de voorwaardelijke vrijstelling ingevolge de BOR vervalt. Indien de familie ten tijde van de schenking had geweten wat de gevolgen van een onvrijwillige bedrijfsbeëindiging waren, dan had de schenking nooit plaatsgevonden, en al helemaal niet tegen een compromissoire waardering van € 1.500.000. [A BV] verkeerde namelijk al vanaf 2010 in zwaar weer en is vanaf 2011 onder verscherpt financieel toezicht bij ING geplaatst. De waardering van de certificaten is compromissoir met de inspecteur op € 1.500.000 bepaald, omdat door de toepassing van de BOR de verschuldigde schenkbelasting tot een voor belanghebbenden aanvaardbaar bedrag beperkt bleef.
[getuige] heeft erkend destijds niet te hebben geweten dat een faillissement zou leiden tot het terugnemen van de faciliteit. Indien hij hiervan wel op de hoogte was geweest, dan had hij de familie daar zeker op gewezen. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat toen het faillissement een acute dreiging werd, [getuige] de familie desgevraagd heeft meegedeeld dat hij zich niet kon voorstellen dat een faillissement tot het terugnemen van de BOR zou leiden, omdat het onrechtvaardig en in strijd met de geest van de wet zou zijn. Belanghebbende heeft verwezen naar de verklaring van [getuige] ter zitting van de rechtbank (verklaring van [getuige] opgenomen onder 2.13).
Uiteindelijk heeft belanghebbende zelf op internet ontdekt wat de fiscale gevolgen van een faillissement zijn. Toen de familie zich realiseerde te hebben gedwaald, is begin mei 2017 besloten de overeenkomst van schenking te vernietigen. Om onderhandse teruglevering mogelijk te maken, zijn op [datum 2] 2017 de administratievoorwaarden van [stichting] gewijzigd (zie 2.4). Aldus dit alles, belanghebbende.
De inspecteur heeft weersproken dat een faillissement van [A BV] ten tijde van de schenking aanstaande was en een reëel risico vormde[_17a56d47-01b6-4563-ae83-5bdd9be31528]. Hieruit concludeert de inspecteur dat een faillissement ten tijde van de schenking niet aan de orde was of in de rede lag en dat de fiscale gevolgen van een faillissement daarom überhaupt niet ter sprake zijn gekomen. De inspecteur heeft er voorts op gewezen dat er geen schriftelijk advies is en dat er daarom geen enkel aanknopingspunt voor de vermeende dwaling is. Ten slotte stelt de inspecteur dat vader en moeder de onderneming hoe dan ook - los van de financiële omstandigheden van [A BV] - wensten over te dragen aan de kinderen, gelet op de “gevorderde” leeftijd van vader en moeder.
Oordeel hof
Met het uitgangspunt dat eenieder wordt geacht de wet te kennen, hangt samen dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard. Niettemin biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad aanknopingspunten voor de mogelijkheid van uitzonderingen.[_80794a39-d838-4c55-b463-edd3f42730f6]
Het hof stelt het volgende voorop. Het beroep van belanghebbende op dwaling komt erop neer dat zij ten tijde van de schenking van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan met betrekking tot de reikwijdte van het voortzettingsvereiste in samenhang bezien met de omstandigheid dat [A BV] al vanaf 2010 in zwaar weer verkeerde en vanaf 2011 onder verscherpt financieel toezicht bij ING is geplaatst. Het hof acht - in navolging van de inspecteur - niet aannemelijk dat ten tijde van de schenking een faillissement van [A BV] aanstaande was en een reëel risico vormde. Dat is namelijk niet te verenigen met de intentie van de schenking, namelijk de bedoeling van vader en moeder om de kinderen te bevoordelen, hetgeen zij schriftelijk hebben verklaard in artikel 1 van de dwalingsovereenkomst (zie 2.6). Dat volgt tevens uit de verklaring van [getuige] over de realiteit van een faillissement ten tijde van de schenking (zie 2.13). Er zijn ook geen schriftelijke stukken die de stellingen van belanghebbende in dit verband ondersteunen.
Vast staat dat de familie advies heeft ingewonnen bij [getuige]. [getuige] was relatiebeheerder, accountmanager, Register Valuater en algemeen adviseur, niet zijnde fiscalist. Hij gaf uitsluitend eenvoudige fiscale adviezen en schakelde een fiscalist in ingeval van complexere fiscale vraagstukken (zie 2.13). [getuige] heeft de familie mondeling geadviseerd. Overigens volgt uit de verklaring van [getuige] als zodanig niet dat een onjuist advies zou zijn gegeven aan de familie. Immers zo valt op te maken uit de verklaring van [getuige], was een faillissement ten tijde van de schenking niet aanstaande en/of voorzienbaar; en dat dit anders zou zijn geweest - en het advies daarom niet adequaat - is niet gebleken. De familie heeft overigens nagelaten de schenking voor te leggen aan een fiscalist/deskundige, terwijl dit - gelet op het fiscale belang en de ingewikkeldheid van de BOR - wel voor de hand zou liggen. Daarnaast ontbreekt een schriftelijke vastlegging van het advies en is het in 2.13 genoemde memo niet overgelegd. Hiermee is een onjuiste voorstelling van zaken niet aannemelijk geworden en kan een beroep op wederzijdse rechtsdwaling niet slagen. Dit leidt het hof tot de conclusie dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de dwaling is voorgewend, en er geen althans onvoldoende aanknopingspunten zijn die tot een tegengesteld oordeel leiden.
Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende geen recht op vermindering van de aanslag en navorderingsaanslag.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak.[_dadbcd26-3451-4da3-b925-b3dc443c1c0e]
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met minder dan zes maanden is overschreden. Als uitgangspunt heeft belanghebbende dus recht op een schadevergoeding van € 500.
In het onderhavige geval zijn de zaken van belanghebbende en haar twee broers zowel door de rechtbank als het hof gezamenlijk behandeld en is bovendien sprake van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Dit vormt naar het oordeel van het hof een reden om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.[_008f9826-aa67-4f5f-ab67-09f7aaa1d257] Het hof zal aan belanghebbende en haar twee broers elk een schadevergoeding van één derde van € 500 toekennen.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 166,67, waartoe de minister wordt veroordeeld.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb aangezien er geen verzoek is gedaan om vergoeding van immateriële schade.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 166,67.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, P. van der Wal en R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- Artikel 7:1a Awb.
- De totale verkrijging bedraagt € 468.939. De vrijstelling voor kinderen bedraagt € 5.229 en de voorwaardelijke vrijstelling BOR is vastgesteld op € 444.790.
- Artikel 3:49 BW.
- R.o. 2.4.4. van het arrest.
- Volgens de inspecteur werd een faillissement van [A BV] in de loop van 2016 duidelijk.
- Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 in samenhang met Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739.
- Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.13.2.
- Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2875.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2144 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.