Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 26 november 2004
ECLI:NL:HR:2004:AR1739Zaaknummer C03/270HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 november 2004
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C03/270HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanvangsmoment korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW.
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 november 2004.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26 november 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/270HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 4 augustus 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht. Na wijziging van eis heeft [eiser] gevorderd [verweerder] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van ƒ 34.236,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2000, althans vanaf 4 augustus 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 september 2001 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 29 april 2003 heeft het hof, met verbetering van gronden, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij besluit van 6 augustus 1982 heeft de directie van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor namens de bedrijfsvereniging voor de Overheidsdiensten (hierna: de bedrijfsvereniging) geweigerd aan [eiser] met ingang van 31 augustus 1980 een uitkering ingevolge de AAW en de WAO toe te kennen omdat [eiser] niet gedurende 52 weken - de zogenaamde wachttijd - onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en hij niet arbeidsongeschikt is bevonden per datum onderzoek, te weten 10 juni 1982.
(ii) Namens [eiser] is tegen dit besluit door [verweerder] beroep ingesteld bij de voormalige Raad van Beroep te Roermond. [Verweerder] is als raadsman van [eiser] opgetreden van augustus 1982 tot oktober 1983. De voormalige Raad van Beroep te Roermond heeft bij beschikking van 25 maart 1983 het beroep ongegrond verklaard. Namens [eiser] is tegen deze beschikking verzet aangetekend. Bij uitspraak van 9 september 1983 is het beroep ongegrond verklaard.
(iii) Tegen deze laatste uitspraak is namens [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Volgens [eiser] is de bedrijfsvereniging tijdens de hoger beroepsprocedure naar aanleiding van een ingesteld medisch onderzoek teruggekomen van haar besluit en is hij alsnog met ingang van 1 juni 1980 arbeidsongeschikt beschouwd in de zin van genoemde sociale zekerheidswetgeving.
(iv) In mei 1987 heeft de bedrijfsvereniging de alsnog verschuldigde AAW/WAO over de periode van juni 1980 tot en met mei 1987 (ƒ 37.799,78) aan [eiser] uitbetaald. De over dat bedrag verschuldigde wettelijke rente zou volgens [eiser] over de periode van 16 augustus 1982 tot 1 april 2000 in totaal ƒ 34.236,69 bedragen.
(v) Betaling van de bedrijfsvereniging van de wettelijke rente is volgens [eiser] niet te verkrijgen omdat de wettelijke rente niet ingevolge art. 1286 BW (oud) door [verweerder] aan de bedrijfsvereniging was aangezegd.
(vi) [Eiser] heeft vervolgens [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade bestaande uit gederfde wettelijke rente.
3.2 De hiervóór onder 1 vermelde vordering, gegrond op de stelling dat [verweerder] een beroepsfout heeft begaan door niet de wettelijke rente aan te zeggen, is door de rechtbank afgewezen omdat de vordering is verjaard. Het hof heeft in rov. 4.6 voorshands veronderstellenderwijs aangenomen dat de vordering niet is verjaard, maar heeft het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden bekrachtigd, omdat het, kort gezegd, van oordeel was dat [verweerder] geen beroepsfout kan worden verweten. De vraag of de vordering is verjaard, kon daarmee volgens het hof in het midden blijven. De hiertegen gerichte middelen behoeven geen behandeling, omdat de beslissing van de rechtbank, naar uit het hierna volgende blijkt, juist is, zodat het hof het daartegen gerichte beroep terecht heeft verworpen.
3.3 De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verjaring van de onderhavige vordering tot schadevergoeding wordt beheerst door art. 3:310 lid 1 BW. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 3.4 geoordeeld dat de in dat artikel bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen in mei 1987, omdat toen sprake was van subjectieve bekendheid van [eiser] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Daartoe overwoog de rechtbank dat in mei 1987 de bedrijfsvereniging de achteraf ten onrechte niet uitgekeerde uitkering ingevolge de AAW en de WAO heeft uitbetaald en dat toen betaling van de wettelijke rente achterwege bleef. Vanaf dat moment wist [eiser] derhalve dat geen rente werd vergoed en was hij derhalve bekend met de schade. [eiser] was op die dag eveneens bekend met de persoon van degene die de schade had veroorzaakt, zijnde [verweerder]. Dat [eiser] er wellicht op dat moment niet van op de hoogte was dat voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente op grond van art. 1286 (oud) BW aanzegging was vereist, doet daaraan volgens de rechtbank niet af, omdat noch uit de tekst van art. 3:310 lid 1 BW noch uit de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis valt op te maken dat het begrip "bekend" niet feitelijk maar juridisch dient te worden ingevuld. De rechtbank concludeerde dat de in mei 1987 aangevangen verjaringstermijn ten tijde van de inleidende dagvaarding van 4 augustus 2000 al lang was verstreken, zodat het beroep op verjaring gegrond is.
3.4 De rechtbank verwees voor de uitleg van het criterium "bekend is geworden" naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383, waarin dit criterium aldus is opgevat dat sprake dient te zijn van daadwerkelijke bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Inmiddels heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 oktober 2003, nr. C02/234, RvdW 2003, 169, zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot dit criterium aldus uitgewerkt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Deze rechtspraak houdt echter niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde niet slechts daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou tot rechtsongelijkheid aanleiding geven waar juridische kennis niet in gelijke mate bij eenieder aanwezig is. Het zou ook in strijd met de rechtszekerheid zijn wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk zou zijn van het tijdstip waarop de benadeelde juridisch advies inwint. Ook de billijkheid, die naar in het laatstvermelde arrest is overwogen bij de korte verjaringstermijn naast de rechtszekerheid van betekenis is, staat aan het stellen van die eis in de weg. De benadeelde zou immers zonder hinder van deze verjaringstermijn kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten.
3.5 Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de rechtbank met haar oordeel dat het begrip "bekend" feitelijk en niet juridisch moet worden ingevuld, kennelijk de hiervoor in 3.4 bedoelde maatstaf tot uitgangspunt heeft genomen. De stukken van het geding laten voorts geen andere gevolgtrekking toe dan dat [eiser] zich slechts tegen het beroep op verjaring heeft verweerd met de stellingen dat hij pas in 1996, of op zijn vroegst op 13 februari 1993, de datum van publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 1992, nr. 14743, NJ 1993, 113, daadwerkelijk bekend was met de schade, omdat pas uit dat arrest bleek dat hij wettelijke rente heeft moeten missen als gevolg van het niet aanzeggen van de wettelijke rente door [verweerder], en dat hij ook pas toen bekend was met de daarvoor aansprakelijke persoon, omdat hij pas na publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1997, nr. 16413, NJ 1998, 508, in Rechtspraak van de Week op 5 november 1997 kon weten dat [verweerder] aansprakelijk was wegens het niet-aanzeggen van de wettelijke rente op de voet van art. 1286 (oud) BW. Nu een en ander uitsluitend de juridische beoordeling van de reeds in mei 1987 bekende feiten en omstandigheden betreft, heeft de rechtbank met toepassing van het juiste criterium het beroep op verjaring terecht gegrond geacht en kon het hof de daartegen gerichte grief van [eiser] slechts verwerpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 november 2004.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2004:AR1739 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9129 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:555 Parket bij de Hoge Raad, 16 mei 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2025:428 Parket bij de Hoge Raad, 11 april 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2107 Rechtbank Midden-Nederland, 10 april 2024 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7816 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 november 2023 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4423 Rechtbank Oost-Brabant, 30 augustus 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2110 Rechtbank Limburg, 22 februari 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:650 Rechtbank Rotterdam, 13 januari 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2923 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 augustus 2022 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2022:1921 Rechtbank Limburg, 9 maart 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2021:1061 Parket bij de Hoge Raad, 12 november 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RVS:2021:1050 Raad van State, 19 mei 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2021:77 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 29 maart 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7228 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4702 Rechtbank Amsterdam, 8 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1121 Gerechtshof Den Haag, 7 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1161 Gerechtshof Den Haag, 9 juni 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1236 Gerechtshof Amsterdam, 7 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad, 13 maart 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:44 Gerechtshof Amsterdam, 14 januari 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:4742 Rechtbank Noord-Nederland, 6 november 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1078 Parket bij de Hoge Raad, 18 oktober 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3402 Gerechtshof Amsterdam, 17 september 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:823 Parket bij de Hoge Raad, 5 juli 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3594 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 april 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1399 Rechtbank Noord-Nederland, 9 april 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1130 Rechtbank Noord-Nederland, 26 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:818 Rechtbank Amsterdam, 27 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:1436 Rechtbank Amsterdam, 20 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:540 Rechtbank Midden-Nederland, 6 februari 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2047 Hoge Raad, 23 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:4726 Rechtbank Noord-Nederland, 14 november 2018 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1406 Parket bij de Hoge Raad, 2 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1036 Parket bij de Hoge Raad, 14 september 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RVS:2018:2764 Raad van State, 22 augustus 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3431 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 augustus 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2368 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 juni 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2018:677 Hoge Raad, 4 mei 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:804 Gerechtshof Amsterdam, 6 maart 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:1922 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 januari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2018:84 Parket bij de Hoge Raad, 26 januari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:1959 Rechtbank Amsterdam, 17 januari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4167 Gerechtshof Amsterdam, 10 oktober 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2017:904 Parket bij de Hoge Raad, 1 september 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3231 Gerechtshof Den Haag, 29 augustus 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2017:552 Hoge Raad, 31 maart 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:2305 Rechtbank Midden-Nederland, 1 maart 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:140 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 januari 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:5530 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 december 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3334 Gerechtshof Den Haag, 27 september 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad, 2 september 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2016:2015 Hoge Raad, 2 september 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:7109 Rechtbank Gelderland, 31 augustus 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2016:3610 Rechtbank Amsterdam, 6 juli 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2360 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 juni 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:3582 Rechtbank Gelderland, 8 juni 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1927 Gerechtshof Amsterdam, 17 mei 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:7098 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2015:1866 Hoge Raad, 10 juli 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:1054 Gerechtshof Den Haag, 12 mei 2015 (verbintenissenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.