Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 augustus 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2515Zaaknummer 20-002833-25
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 20-002833-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Op tegenspraak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Artikel 31 Vluchtelingenverdrag. Een vreemdeling behoort niet te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag in Nederland nog niet onherroepelijk is beslist.
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. G.P.N. Robben en mr. I.R. Rigter, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 27 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. I.R. Rigter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Parketnummer: 20-002833-25
Uitspraak: 27 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 november 2025 in de strafzaak met parketnummer 03-281746-25 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1997,
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter geoordeeld dat de officier van justitie in de strafvervolging van de verdachte kan worden ontvangen. De politierechter heeft vervolgens het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk gebruik maken van een vervalst reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Subsidiair, zo begrijpt het hof, heeft de advocaat-generaal een voorwaardelijk verzoek gedaan.
Door en namens de verdachte is verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Roermond, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een (vals/vervalst) Italiaans paspoort met nummer [documentnummer], door dit paspoort bij een controle te overhandigen aan de Koninklijke Marechaussee;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Roermond, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Italiaans paspoort op naam van [naam], geboren op [geboortedag 2] 1995 te [geboorteplaats 2], door dit paspoort bij een controle te overhandigen aan de Koninklijke Marechaussee.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft de raadsman, met een beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag, in de kern aangevoerd dat op de door de verdachte gedane eerste asielaanvraag in Nederland nog niet onherroepelijk is beslist en de verdachte – tegen die achtergrond – niet behoort te worden vervolgd wegens het in het kader van zijn vlucht gebruiken van een vals of vervalst reisdocument.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 oktober 2025 zijn de inzittenden van een Flixbus, vanuit Duitsland Nederland inrijdend, in Roermond gecontroleerd ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De verdachte heeft tijdens die controle desgevraagd een Italiaans paspoort met documentcode [documentnummer] op naam van [naam] overhandigd. Na onderzoek is gebleken dat het paspoort een vervalst exemplaar betrof, waarop een foto van de verdachte middels een afwijkende printtechniek was aangebracht.
De verdachte, Syriër, heeft verklaard dat hij uit Syrië is gevlucht en via Griekenland, Boedapest (Hongarije), Oostenrijk en Duitsland naar Nederland is gereisd. Het hof stelt vast dat uit de stukken volgt dat op 9 oktober 2025 vingerafdrukken van de verdachte zijn afgenomen in Griekenland. Het Italiaans paspoort zou hij van zijn smokkelaar hebben gekregen in Athene (Griekenland). De verdachte heeft na aankomst in Nederland te kennen gegeven asiel te willen aanvragen in Nederland. De verdachte heeft na zijn aanhouding in Nederland een eerste asielaanvraag gedaan. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek in deze zaak onherroepelijk op zijn asielaanvraag in Nederland was beslist. Dit betekent dat het hof ervan moet uitgaan – overeenkomstig de verklaring van de verdachte en diens raadsman – dat ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting (in eerste aanleg en in hoger beroep) hierop nog niet onherroepelijk was beslist.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zie onder meer het arrest van 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1093, behoort een vreemdeling niet te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag in Nederland nog niet onherroepelijk is beslist. Ingevolge genoemd arrest van de Hoge Raad bestaat in een geval als dit, waarin geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag in Nederland, voorts geen ruimte om te onderzoeken of aan de (overige) voorwaarden van artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88; hierna: het Vluchtelingenverdrag), waaronder de voorwaarden dat de verdachte rechtstreeks komt van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd en hij de vervalste documenten onmiskenbaar heeft aangewend in het kader van zijn vlucht, is voldaan (zie ook de conclusie van de Procureur-Generaal van 3 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:486, paragraaf 14 en 17). Het vorenstaande is slechts anders (zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:31) als onverwijld en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat de vreemdeling geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is.
Naar het oordeel van het hof doet zich in deze zaak met betrekking tot de verdachte niet de (uitzonderings-)situatie voor dat onverwijld en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat de verdachte geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voormelde feiten en omstandigheden geven het hof daartoe geen aanleiding. Voorts is ten tijde van het sluiten van het onderzoek in deze zaak nog niet onherroepelijk beslist op de door de verdachte in Nederland ingediende eerste asielaanvraag. Dit brengt het hof gelet op het vorenoverwogene tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie in deze zaak niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen.
Het hof zal voorts het voorwaardelijk verzoek van de advocaat-generaal hem in de gelegenheid te stellen ter voeging in het dossier alsnog de stukken ten aanzien van de asielaanvraag van de verdachte in Griekenland aan te leveren, voor zover dit voor enige te nemen beslissing door het hof van belang wordt geacht, afwijzen. Het hof acht kennisneming van deze stukken niet relevant voor de thans te nemen beslissing, nu uit de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het criterium betrekking heeft op het nog niet onherroepelijk zijn van de beslissing op de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag in Nederland. Kennisneming van de asielstatus van de verdachte in Griekenland zou dat niet anders maken.
Het voorgaande brengt met zich mee dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. G.P.N. Robben en mr. I.R. Rigter, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 27 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. I.R. Rigter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.