Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3388Zaaknummer 200.356.135_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.356.135_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
bekrachtiging vastgestelde zorgregeling (week op week af-regeling); artikel 1:265g BW
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond van 13 maart 2025;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.M. Bossink en H.J. Witkamp, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 november 2025
Zaaknummer: 200.356.135/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/338673 JE RK 25-184
in de zaak in hoger beroep van:
[vader],
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg [locatie],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats], tevens kantoor houdende te [plaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
Het hof merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
wonende te [woonplaats 2], gemeente [gemeente],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.A.W. Hermans.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze zaak gaat over de vaststelling van de zorgregeling betreffende de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige].
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 13 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 juni 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat het verzoek van de GI tot vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van een recht op omgang (weekregeling) alsnog afgewezen dient te worden.
Kosten rechtens.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek toegelicht in die zin dat hij wil terugvallen op de eerder door de ouders onderling vastgestelde 2/2/3 regeling.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 september 2025 heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader nietontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Hoppers;
- [naam 1], namens de GI;
- de moeder, bijgestaan door mr. Hermans.
Het hof heeft bijzondere toegang om de mondelinge behandeling bij te wonen verleend aan:
- [begeleider], begeleider van de vader, verbonden aan Re-trac;
- [naam 2], verbonden aan [instantie];
- [stagiare 1] en [stagiaire 2], stagiaires van de GI respectievelijk één van de advocaten.
De raad heeft het hof per brief d.d. 3 oktober 2025 laten weten niet naar de mondelinge behandeling te zullen komen.
3 De beoordeling
De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en tijdens die relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] staat ingeschreven bij de vader.
Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 27 juni 2026.
De vader en de moeder hebben sinds oktober 2024 onderling een verdeling in de omgang met [minderjarige] vastgesteld waarbij [minderjarige] steeds afwisselend twee dagen bij de ene ouder is, dan twee dagen bij de andere ouder en vervolgens drie dagen bij de eerste ouder, enzovoort (hierna: 2/2/3-regeling).
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank bepaald dat een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang wordt vastgesteld in die zin dat [minderjarige] volgens co-ouderschap gedurende een week bij de ene ouder verblijft en vervolgens een wisseling heeft naar de andere ouder (week op week af) en dat het wisselmoment zal plaatsvinden iedere maandagochtend om 08.30 uur waarbij de ouder waar [minderjarige] op dat moment verblijft, [minderjarige] naar de andere ouder brengt.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
De vader voert in het beroepschrift zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan. Het is voor [minderjarige] veel te lang om de andere ouder een week te moeten missen. [minderjarige] is nog erg jong en dit kan niet aan [minderjarige] worden uitgelegd. De vader ziet dat [minderjarige] angst en paniek heeft. De 2/2/3-regeling zoals die eerder werd uitgevoerd, is voor [minderjarige] veel minder belastend.
Sinds er uitvoering wordt gegeven aan de door de rechtbank vastgestelde week op week afregeling zijn de zorgen over het gedrag van [minderjarige] en de hechting nóg meer zichtbaar en heeft [minderjarige] nog meer angsten wanneer de vader weggaat. Hij is nog aanhankelijker richting de vader geworden en hij houdt de vader nauwlettend in de gaten. [minderjarige] heeft nog altijd veel moeite met de wisselmomenten en vooral wanneer hij naar de moeder gaat. De vader vindt de omgang tussen de moeder en [minderjarige] belangrijk, eerder waren de ouders samen ook een co-ouderschapsregeling overeengekomen. De GI kwam echter al na ongeveer een week nadat de ouders de 2/2/3-regeling zijn gaan uitvoeren met het plan om de regeling weer te wijzigen naar een weekregeling. De ouders waren ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in overleg over een aantal kleine wijzigingen. De indiening van het verzoekschrift door de GI heeft alleen maar voor meer verwijdering tussen de ouders geleid. Ook is het zo dat de GI is afgegaan op de informatie van het [instantie], dus de situatie bij de moeder. Er is niet gekeken naar hoe [minderjarige] reageert bij de vader. Verder heeft de moeder zonder overleg met de vader en dus ook zonder toestemming van de vader kinderopvang voor [minderjarige] geregeld voor twee dagen per week. De vader heeft in de basis geen bezwaren tegen kinderopvang maar wel in deze situatie, wanneer er net voor [minderjarige] weer een grote verandering heeft plaatsgevonden.
Per saldo zijn er minder contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] dan in de eerdere 2/2/3-regeling. Dit is voor de vader onbegrijpelijk. De vader acht het in het belang van [minderjarige] wenselijk en noodzakelijk dat het verzoek van de GI alsnog afgewezen wordt en dat de ouders vanuit de 2/2/3-regeling gaan kijken wat [minderjarige] écht nodig heeft, waar zijn gedrag vandaan komt en wat daadwerkelijk in zijn belang is, vooral ook kijkend naar de langere termijn: als de moeder niet meer in het [instantie] verblijft, zij nog geen behandeling heeft ondergaan, de ouders mogelijk niet in de buurt van elkaar wonen en [minderjarige] naar school gaat etcetera.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
Sinds de invoering van de week op week af-regeling zien de professionals vanuit het [instantie] een duidelijke verbetering in het welzijn van [minderjarige]. Hij ervaart meer rust en structuur, heeft een betere dagelijkse routine en emotionele stabiliteit. De GI ziet nu vooral een vrolijke jongen die zich goed ontwikkelt. Zowel het [instantie] als de moeder zien verbetering bij de overdrachten van de vader naar de moeder en andersom. [minderjarige] eet beter, praat goed en heeft plezier in spelen en leren. Ook is de band tussen de moeder en [minderjarige] versterkt door de huidige contactregeling. De GI ziet dat de moeder haar ouderlijke verantwoordelijkheden op een evenwichtige wijze combineert. Wanneer er wordt teruggegaan naar de 2/2/3-regeling zal het welzijn van [minderjarige] met grote waarschijnlijkheid verslechteren aangezien hij dan vaker onvoorspelbaarheid ervaart. Dit was voorheen ook zichtbaar. De spanningen die de vader beschrijft bij de wisseling laten zien dat het juist goed is dat er nu een regeling is met minder wisselingen. De GI constateert op dit moment dat [minderjarige] steeds meer gewend raakt aan de week op week af-regeling en dat hij tijdens de wisselingen steeds beter op de moeder reageert.
Het klopt dat de GI redelijk snel met de ouders over een weekregeling is gaan spreken. [minderjarige] liet op dat moment veel spanning zien in zijn gedrag en het is op de jonge leeftijd van [minderjarige] belangrijk om tijdig in te grijpen.
Gelet op de zichtbare vooruitgang en het belang van stabiliteit voor [minderjarige], verzoekt de GI de week op week af-regeling te continueren.
De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan.
Sinds het aantal wisselmomenten is afgenomen heeft [minderjarige] meer rust gekregen. [minderjarige] went makkelijker, heeft minder tijd nodig om zijn draai te vinden en is ook de dagen na het wisselmoment rustiger. Hij heeft meer energie en is minder moe.
Het is voor de moeder onduidelijk waarom de vader in zijn beroepschrift ingaat op de kwaliteiten van de moeder en de kinderopvang. Onder de streep verblijft [minderjarige] even lang bij de moeder. Alleen het aantal wisselmomenten en de aaneengesloten periode wijzigt.
De persoonlijke situatie van de moeder is enorm veranderd. Ze heeft haar leven op orde gekregen; is mentaal stabiel en heeft ondersteuning vanuit diverse instanties. Ze heeft haar Hbo-opleiding afgerond, heeft een vaste baan van 28 uur per week, gaat wekelijks naar NAmeetings en is inmiddels vijftien maanden clean. De moeder heeft een goede hechting ontwikkeld met [minderjarige].
De moeder constateert duidelijke verbeteringen in het gedrag van [minderjarige] sinds de wijziging in de contactregeling. De stellingen van de vader hebben betrekking op andere omstandigheden en sluiten niet aan bij de positieve ontwikkeling die [minderjarige] na de verandering laat zien. De moeder acht het onwenselijk om terug te keren naar de oude regeling.
De motivering van de beslissing
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Het hof acht de contactregeling zoals die is neergelegd in de bestreden beschikking noodzakelijk in het belang van [minderjarige]. Het hof zal hierna uitleggen waarom het hof dat beslist.
Nadat de relatie tussen de ouders begin 2024 is geëindigd, is [minderjarige] bij de vader blijven wonen en heeft de moeder in eerste instantie twee keer per week contact gehad met [minderjarige] in de woning van de vader. Dit zorgde bij [minderjarige] voor spanningen. In augustus 2024 is voor de moeder een stabiele woonsituatie gerealiseerd met plaatsing in een [instantie]. De ouders hebben toen een opbouwschema voor omgang tussen de moeder en [minderjarige] afgesproken en zijn uiteindelijk een 2/2/3-regeling overeengekomen. Kort daarna is door de GI besloten dat een week op week af regeling beter is voor de ontwikkeling van [minderjarige], gelet op de spanningen en onrust die [minderjarige] na de wisselmomenten liet zien. De GI heeft dit in overleg met de betrokken professionals gedaan. Gebleken is dat er de afgelopen periode sprake is van een positieve ontwikkeling.
Wel is uit het dossier en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de bevindingen van de vader onvoldoende zijn betrokken in de overwegingen die de GI heeft gemaakt om te komen tot een andere zorgregeling. Ook is de vader onvoldoende door de moeder en de GI betrokken bij het regelen van de kinderopvang voor [minderjarige]. Dat heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling ook erkend.
Gelet op de achtergrond en de situatie zoals die was voordat deze regeling is ingezet, namelijk dat de vader de hoofdopvoeder was en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader was, had er meer oog voor de vader moeten zijn en het is invoelbaar dat de vader daarvoor erkenning mist.
Dit laat echter onverlet dat voldoende is gebleken dat [minderjarige] gebaat is bij meer rust en regelmaat en minder wisselmomenten. Dat geeft hem meer duidelijkheid en is beter voor het welzijn van [minderjarige]. Bovendien loopt de door de rechtbank vastgestelde regeling inmiddels een half jaar en gaat dat goed.
Gelet op het voorgaande ziet het hof in de bezwaren van de vader onvoldoende reden om terug te gaan naar de 2/2/3-regeling. De grieven van de vader falen.
Afsluitende conclusie
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en deze zaak over hun minderjarige zoon gaat.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond van 13 maart 2025;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.M. Bossink en H.J. Witkamp, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.