Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 oktober 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3014Zaaknummer 200.356.427_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
200.356.427_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt beslissing rechtbank dat er ‘toegewerkt wordt naar omgang in de thuissituatie vader’ inzake een begeleide omgangsregeling tussen vader en ernstig meervoudig gehandicapt kind. GI is nauw betrokken en heeft hier voorwaarden aan verbonden.

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 30 oktober 2025

Zaaknummer: 200.356.427/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/431262 / JE RK 25-163

in de zaak in hoger beroep en in het incident van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in het incident en in het hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Ergec,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.G. Weitkamp.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) in de procedure gekend.

In het kort

De moeder is het niet eens met de gewijzigde zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld tussen de vader en de 12-jarige [kind].

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 25 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 mei 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de kinderrechter inzake het toewerken “naar een omgang in de thuissituatie bij de vader”, de tenuitvoerlegging van deze beschikking op dat punt eveneens te schorsen en voor het overige de beschikking in stand te laten.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2025, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 september 2025, heeft de GI verzocht de moeder in haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger GI].
  • de vader.

De raad en de advocaat van de vader hebben zich afgemeld om de mondelinge behandeling bij te wonen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het V-formulier van 23 juli 2025 van de advocaat van de moeder met bijlagen;
  • de brief van de raad van 14 augustus 2025;
  • het V-formulier van 22 augustus 2025 van de advocaat van de moeder met één bijlage;
  • het V-formulier van 8 september 2025 met bijlagen van de advocaat van de moeder.
2.6.

Met [kind] heeft vanwege haar beperkingen geen gesprek plaatsgevonden.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn met elkaar getrouwd geweest. Tijdens hun huwelijk is, zover in dit hoger beroep van belang, geboren:

- [kind] (hierna: [kind] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [kind] uit. [kind] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2.

Sinds 12 juni 2024 staat [kind] onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 januari 2026.

3.3.

Bij beschikking van 21 februari 2019 heeft de rechtbank, kort gezegd, bepaald dat [kind] in de oneven weekenden van vrijdag 15.15 uur tot en met zondag 17.30 uur bij de vader verblijft en de helft van de vakanties en feestdagen.

Bij de rechtbank

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, naar aanleiding van het verzoek van de GI daartoe, de beschikking van 21 februari 2019 en het daarvan onderdeel uitmakende en aan die beschikking gehechte ouderschapsplan als volgt gewijzigd:

- de vader en [kind] zijn in het kader van de verdeling van zorg- en

opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact iedere twee weken

gedurende twee uur op woensdag van 10.00 uur tot 12.00 uur, waarbij de GI de

regie heeft in de opbouw en de uitvoering van de omgang en waarbij toegewerkt

wordt naar contactherstel tussen [kind] en de vader en een omgang in de

thuissituatie bij de vader onder de voorwaarden zoals omschreven in de aan deze

beschikking gehechte brief van de GI van 1 november 2024 voor zover hiervan in

deze beschikking niet is afgeweken.

Verder heeft de rechtbank bepaald dat de GI de contactmomenten de eerste twee maanden elke maand evalueert en dat er vervolgens, na twee maanden, één keer per twee maanden moet worden geëvalueerd met de ouders en betrokken hulpverleners om eventuele uitbereiding in tijd of locatie te bespreken.

Bij het hof

3.5.1.

De moeder kan zich niet volledig verenigen met deze beslissing en zij is van het gedeelte ‘toewerken naar omgang in de thuissituatie bij de vader’ in hoger beroep gekomen. In haar hoger beroepschrift, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft een onjuiste beslissing genomen dan wel haar bevoegdheid overschreden door dit gedeelte van het verzoek van de GI toe te wijzen. Over de vraag of er omgang in de thuissituatie bij de vader kan plaatsvinden loopt namelijk een bodemprocedure tussen de ouders. Er wordt nu ten onrechte het beeld geschetst dat de moeder (het wederom opstarten van) de begeleide omgang zou frustreren. Vanwege haar progressieve ziekte kan de situatie van [kind] van tijd tot tijd verergeren, zodat ze niet eens naar de dagbesteding kan. Uit het raadsrapport van 24 mei 2024 blijkt dat het binnen het raadsonderzoek niet helder is geworden of de zorg voor [kind] in de thuissituatie bij de vader te realiseren valt. De rechtbank legt de beslissing of aan de voorwaarden is voldaan in handen van de GI en de betrokken hulpverleners. Er dient eerst nader onderzoek plaats te vinden voordat er beslist kan worden over een mogelijke omgang in de thuissituatie van de vader.

Er zijn veel dingen gebeurd die bij de moeder tot een angst hebben geleid. Daarom kan ze [kind] niet laten verblijven in de thuissituatie bij de vader. De moeder is bang dat hier te snel naar wordt toegewerkt, terwijl op dit moment nog steeds onvoldoende is onderzocht wat daarvoor nodig is. De moeder heeft ook last van de onzekerheid, omdat ze niet weet wanneer het contact wordt uitgebreid en op welke manier. Ze heeft nog geen recente rapportages gezien van het verloop van de begeleide omgangsregeling, dus ze weet niet hoe [kind] reageert op de bezoeken van de vader. Tot slot is de moeder het niet eens met de op 29 augustus 2025 aangevulde voorwaarden van de GI met betrekking tot het wandelen met [kind], omdat daar een deskundige bij moet zijn in geval van bijvoorbeeld een epilepsieaanval bij [kind].

De moeder doet een uitdrukkelijk bewijsaanbod van al de door haar ingenomen standpunten middels het overleggen van bewijsstukken en het horen van getuigen waaronder zijzelf.

3.5.2.

De GI voert in het verweerschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.

Het contact tussen [kind] en de vader vindt nu plaats op de [locatie zorginstantie]: een [zorginstantie] locatie waar [kind] vier dagen per week dagbesteding heeft. Het is in het belang van [kind] dat het contact wordt uitgebreid naar contact in de thuissituatie van de vader. Dit is een natuurlijke omgeving waar de vader en [kind] onbelast contact met elkaar kunnen hebben. Wanneer in de evaluaties wordt gezien dat de vader beschikt over de benodigde vaardigheden, zoals geobserveerd door de omgangsbegeleiding van [zorginstantie], en het contact tussen hen is hersteld, zal moeten worden onderzocht wat nog nodig is in de thuissituatie van de vader. De vader beschikt in zijn woning over een aantal aanpassingen, daar [kind] eerder omgang had bij vader thuis. De vader heeft een medische achtergrond (apotheker) en hij kent [kind]. De vader is bereid om medische kennis op te doen voor zover hij deze niet heeft. Hij kan hiervoor ondersteuning van een derde partij krijgen (bijvoorbeeld van een praktijkondersteuner/wijkverpleegkundige) zodat hij aantoonbaar bekwaam is om te kunnen voorzien in de medische zorg van [kind], zoals ook de moeder hierin bekwaam is geworden. Sinds 18 juni 2025 begeleidt de Gl de omgang in afwachting van de start van [zorginstantie]. De bezoeken die de GI sindsdien heeft geobserveerd, verlopen positief. De vader sluit aan bij [kind] en ziet wanneer het te veel wordt voor haar, waarbij hij ‘ondertitelt’ wat hij bij [kind] ziet en zich hieraan aanpast. De GI maakt hiervan verslagen, maar die zijn nog in conceptvorm en daarom nog niet verstuurd naar de ouders. Tijdens de evaluaties wil de Gl met beide ouders en betrokken hulpverlening van [zorginstantie] het verloop van de omgang bespreken en wat er gezien wordt bij [kind]. Het tempo en de belastbaarheid van [kind] staan voorop en zijn leidend voor het uitbreiden van de omgang op locatie en het eventueel uitbreiden van de omgang naar de thuissituatie van de vader. De eerdere voorwaarden van 1 november 2024 zijn aangepast en hebben geleid tot nieuwe voorwaarden zoals opgesteld in de brief van de GI van 29 augustus 2025. De aanpassing van de voorwaarden heeft te maken met twee onderwerpen: buitenactiviteiten (wandelen) met [kind] en het aanbieden van verschillende methodes in het opvoederschap. De GI hoopt dat [zorginstantie] binnenkort start met het concreet toewerken naar omgang in de thuissituatie van de vader. Nu is daar nog geen sprake van. De GI weet niet wanneer dat gaat gebeuren. De GI benadert mensen om dat te onderzoeken de GI daarover te adviseren.

3.5.3.

De vader voert in zijn verweerschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.

Sinds de bestreden beschikking, hebben enkele contactmomenten plaatsgevonden tussen [kind] en de vader gedurende twee uur bij de [locatie zorginstantie]. Er zijn geen contra-indicaties voor omgang in de thuissituatie bij de vader. Wel dient te worden bezien welke faciliteiten en/of hulp hiervoor nodig is, gezien de medische situatie van [kind]. De raad heeft in zijn rapport expliciet aangegeven dat hiervoor noodzakelijk is dat een gezinsvoogd gaat kijken hoe deze doelen behaald kunnen worden, omdat de ouders zelf niet in staat zijn om het contact tussen [kind] en de vader te herstellen en te onderzoeken wat hierin mogelijk is. Al in de eerste OTS-beschikking van 12 juni 2024 heeft de rechtbank expliciet benoemd dat toegewerkt moet worden naar contact tussen de vader en [kind] in de thuissituatie van de vader. De vader doet er alles aan om dit te realiseren. Hij heeft hiertoe hulp gevraagd en toegezegd gekregen van de organisatie MEE [locatie]. Dit staat echter on hold vanwege de stagnatie in het proces. De vader is bovendien zelf medisch onderlegd, want hij is opgeleid tot apotheker en als zodanig BIG-geregistreerd. Uit niets is gebleken dat de vader zich de zorg voor [kind] niet eigen kan maken, zoals de moeder. [kind] reageert altijd blij op contact met de vader en ze geniet hier zichtbaar van. Het is van groot belang dat de vader weer een grotere rol gaat spelen in het leven van [kind]. De moeder houdt [kind] al vijf jaar weg bij hem en dat valt hem zwaar. Hij heeft kennis en ervaring misgelopen om voor [kind] te kunnen zorgen en hij wil de zorg graag samen met de moeder vormgeven.

Het hof overweegt als volgt.

Verzoek tot schorsing

3.6.

De moeder heeft haar incidentele verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken. Het hof zal de moeder in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

Bevoegdheid rechter

3.7.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank, anders dan de moeder aanvoert, geen bevoegdheid heeft overschreden door deze beslissing te nemen. De GI heeft terecht het inleidende verzoek gebaseerd op grond van artikel 1:265g BW en de rechtbank heeft vervolgens – ook terecht – dit toetsingskader gebruikt om over het verzoek te beslissen. Dat er tussen de ouders nog een bodemprocedure loopt, die ook over het contact tussen de vader en [kind] gaat, maakt dit niet anders.

Inhoudelijke beoordeling

3.8.1.

Op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter (en in hoger beroep het hof) zowel op verzoek van de GI als de met gezag belaste ouder een eerder vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd en wijziging in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

3.8.2.

Uit de stukken is gebleken dat de 12-jarige [kind] ernstig meervoudig gehandicapt is. Ze is gediagnosticeerd met een zeldzame neurologische ontwikkelingsstoornis (RETT-syndroom) waarvoor zij intensieve zorg nodig heeft. Kenmerkend voor het RETT syndroom is dat verworven vaardigheden, gemiddeld vanaf de 12-jarige leeftijd, steeds verder zullen afnemen. [kind] kan niet praten, is niet zindelijk en moet continu één-op-één worden verzorgd. Af en toe heeft ze RETT-aanvallen: dit zijn epilepsieachtige aanvallen. [kind] is erg prikkelbaar en kan niet gedurende langere tijd veel verschillende mensen om zich heen verdragen. Vanwege deze uitzonderlijke medische toestand moet er uiterst behoedzaam met [kind] worden omgegaan. Het is voor [kind] aan de ene kant erg belangrijk dat ze zo stabiel mogelijk wordt gehouden zonder dat zij overbelast raakt. Het is aan de andere kant ook belangrijk dat zij de mogelijkheden krijgt om een hecht contact met haar beide ouders aan te gaan. Met de moeder is dat een vanzelfsprekendheid; de moeder heeft door de jaren heen de nodige medische kennis opgegaan om met de beperkingen van [kind] om te gaan en [kind] is op donderdag en de meeste weekenden altijd bij de moeder thuis. Met de vader is het contact minder vanzelfsprekend. Uit het dossier is gebleken dat [kind] sinds oktober 2020 niet meer bij de vader thuis is geweest en dat de contacten daarna zijn hervat onder begeleiding bij de [locatie zorginstantie] totdat de [locatie zorginstantie] hier in mei 2024 mee stopte. Hierdoor is de omgang in ieder geval tweemaal – zowel in 2020 als in 2024 – stil komen te liggen voor enkele maanden.

3.8.3.

Sinds de bestreden beschikking is de omgang tussen de vader en [kind] weer opgebouwd naar twee uur per twee weken. Uit de voorwaarden van de GI (eerst die van 1 november 2024 en later die van 29 augustus 2025) blijkt dat bij de omgang tussen de vader en [kind] altijd de belastbaarheid van [kind] voorop staat. Het hof deelt de vrees van de moeder niet dat er te snel wordt toegewerkt naar contact in de thuissituatie bij de vader en het hof is het ook niet met de moeder eens dat er nader onderzoek aan vooraf dient te gaan. Juist door het naleven van deze voorwaarden kan worden onderzocht en stapsgewijs worden vastgesteld of het inderdaad verantwoord is om [kind] naar de vader thuis te laten gaan en, zo ja, onder welke voorwaarden. De moeder heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen aannemen dat deze ‘stip op de horizon’ er nooit mag komen. Het gedrag van de vader geeft daartoe geen aanleiding. Integendeel, de vader stelt zich verantwoord op jegens [kind] en laat tot nu toe zien dat hij in staat is om te anticiperen op wat [kind] nodig heeft. Verder is de GI nauw betrokken bij [kind] en haar ouders en heeft de betrokken jeugdbeschermer tijdelijk zelf de begeleiding van de omgang op zich genomen in afwachting van de start van [zorginstantie]. Daardoor heeft hij ook goed zicht op de situatie. Het hof acht de GI voldoende bekwaam om in te schatten wanneer het juiste moment is aangebroken om [kind] omgang met de vader te laten hebben in zijn thuissituatie. Het is belangrijk dat de GI de regie behoudt in het verloop van de contactregeling tussen de vader en [kind]. Hiermee is gegarandeerd dat het belang van [kind] altijd voorop staat. Het hof vertrouwt hierin op de professionaliteit van de GI en neemt hierbij ook in aanmerking dat de GI tot op heden heeft laten zien voldoende oog te hebben voor wat [kind] aankan, gelet op de voorwaarden van 1 november 2024 en 29 augustus 2025, waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat het bezoek van de vader wordt ingekort indien gemerkt wordt dat het bezoekmoment te veel vraagt van [kind].

3.8.4.

Op grond van het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat op termijn toegewerkt dient te worden naar omgang in de thuissituatie van de vader, zodra de GI dit verantwoord acht. Dit betekent dat het hof het hoger beroep van de moeder afwijst met bekrachtiging van de bestreden beschikking. Al het overige dat de moeder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.8.5.

Tot slot passeert het hof het bewijsaanbod van de moeder, omdat ze onvoldoende concreet heeft aangegeven op welke stelling het bewijsaanbod betrekking heeft.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.