Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 5 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3023Zaaknummer 23-002027-24

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
23-002027-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

OM-appel. Bewezenverklaring brandstichting. Oplegging taakstraf. Constatering van overschrijding van de wettelijke termijn. BP niet-ontvankelijk in vordering.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Tenlastelegging
  3. Vonnis waarvan beroep
  4. Bewijsoverweging
  5. Bewezenverklaring
  6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  7. Strafbaarheid van de verdachte
  8. Oplegging van straf
  9. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
  10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  11. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002027-24

datum uitspraak: 5 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-040280-24 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 april 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare en/of ontvlambare vloeistof, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een of meerdere voertuig(en) behorende bij [slachtoffer 1] (met kenteken [kenteken 1]) en/of [slachtoffer 2] (met kenteken [kenteken 2]) geheel of gedeeltelijk is en/of zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten (nabij geparkeerde) voertuigen te duchten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde, met name gelet op het in hoger beroep overgelegde aanvullende proces-verbaal van bevindingen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat het dossier enkel uit indirect bewijs bestaat.

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 1 april 2023 heeft aangever [slachtoffer 1] ruzie gehad met zijn vriendin [persoon 1]. Op diezelfde dag heeft [persoon 2], de zus van [persoon 1], via de telefoon van haar zus een spraakbericht naar [slachtoffer 1] gestuurd, waarin zij heeft gezegd: “Kom vieze kankerlijer, kom als je nog een keer mij zusje aanraakt je gaat zien wat er gebeurt, kom, je wilt je spullen kom het halen vriend”. Het hof leidt hieruit af dat [persoon 1] met haar zus [persoon 2] heeft gesproken over de ruzie met [slachtoffer 1].

In de nacht van 4 april 2023 is de auto van aangever [slachtoffer 1], die stond geparkeerd op de [locatie], in brand gestoken en heeft ook de auto van aangever [slachtoffer 2] brandschade opgelopen. Dit is vastgelegd op camerabeelden.

[slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij van [persoon 1] had gehoord dat haar zus en diens vriend, de verdachte, de brand hadden veroorzaakt. [persoon 1] heeft bij de politie verklaard dat [persoon 2] haar had verteld dat haar vriend ‘ [verdachte] ’ de brand heeft gesticht.

In het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek is later in het jaar de telefoon van een aangehouden verdachte [medeverdachte] onderzocht en is daarin een chatgesprek aangetroffen tussen het contact [contact] met telefoonnummer [telefoonnummer] en deze [medeverdachte]. Op 4 april 2023 tussen 05:03 uur en 05:28 uur – ongeveer twee uur na de brand – stuurt [contact] onder meer de volgende berichten: “Heb die koelie ze taxi bus in de fik gegooid”, “Samen met me wifey Bonni en Claude”. Vervolgens werd door [contact] een nieuwsbericht van 112-meldingen gedeeld over een melding op de [locatie] waar de brandweer naar onderweg is.

Uit het in hoger beroep aan het dossier toegevoegde proces-verbaal van bevindingen volgt voorts dat in de chatgesprekken tussen [contact] en [medeverdachte] de tweede naam van de verdachte, ‘ [verdachte] ’, wordt genoemd en dat foto’s, waaronder een ‘selfie’, zijn verstuurd waarop de verdachte is te herkennen. Kort nadat de chat met [contact] op 23 april 2023 stopte, werd op dezelfde dag met een ander telefoonnummer een nieuwe app aangemaakt met de naam ‘ [verdachte] ’.

Het hof overweegt op basis hiervan als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat hij de berichten over het in de brand steken van de auto heeft verstuurd. Wel heeft hij verklaard de persoon te zijn op de foto’s die over en weer zijn gestuurd tussen [contact] en [medeverdachte], zonder daarbij een aannemelijke verklaring te geven voor hoe die foto’s vanaf die telefoon kunnen zijn verstuurd als die telefoon niet door hem werd gebruikt. Bij het ontbreken van een aannemelijke verklaring die wijst in een andere richting, gaat het hof er op grond van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden van uit dat het de verdachte is geweest die gebruik maakte van het betreffende nummer met de contactnaam [contact] en die de Whatsappberichten naar [medeverdachte] heeft verzonden.

Gelet op de inhoud van deze berichten, waarin de brandstichting kort na het incident wordt besproken, in onderlinge samenhang bezien met het motief, de (de auditu) verklaringen van [slachtoffer 1] en [persoon 1] en de camerabeelden waarop de brandstichting te zien is, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de brandstichting heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 april 2023 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare en ontvlambare vloeistof, ten gevolge waarvan meerdere voertuigen behorende bij [slachtoffer 1] (met kenteken [kenteken 1]) en [slachtoffer 2] (met kenteken [kenteken 2]) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten (nabij geparkeerde) voertuigen te duchten was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich ‘s nachts schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting van een auto, waardoor twee auto’s (ernstig) beschadigd zijn geraakt. Hij heeft hiermee een gebrek aan respect voor andermans eigendommen getoond. Door zijn toedoen zijn de auto’s van de aangevers flink beschadigd. Daarbij bestond het risico dat de brand zou overslaan naar nog meer voertuigen. Dat dit risico zich niet heeft verwezenlijkt is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. Feiten als het onderhavige dragen bij aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de omwonenden in het bijzonder.

De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt, gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet echter in de hierna te bespreken omstandigheden aanleiding daarvan af te wijken.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van de verdachte van 10 september 2026 volgt dat hij in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het lijkt er echter op dat het de verdachte is gelukt zijn leven over een andere boeg te gooien en op een meer verantwoorde wijze vorm te geven. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het de laatste tijd heel goed met hem gaat. Hij heeft een fulltime baan als assistent-manager van de versafdeling van een supermarkt en volgt daarnaast een opleiding aan het ROC. Verder is via het buurtteam een traject gestart gericht op het vinden van vast onderdak. Voorts houdt het hof in strafmatigende zin rekening met jeugdigheid van de verdachte en met het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit.

Bij deze stand van zaken acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te ingrijpend en zal het daarom een taakstraf opleggen.

Ten slotte stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 11 september 2024 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 5 oktober 2026. Het gaat daarmee om een overschrijding van drieënhalve week. Het hof is van oordeel dat vanwege de geringe overschrijding kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 67.250,00 aan materiële schade, bestaande uit schade aan de leaseauto. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Daarnaast heeft de benadeelde partij in hoger beroep een vordering gedaan bestaande uit achterstallige leasetermijnen en uit kosten en schade die voortvloeien uit de ontbinding van de leaseovereenkomst en de terugname van het voertuig. Deze schade bedraagt € 29.777,20.

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op het feit dat de vordering te onduidelijk en ingewikkeld is.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, primair in verband met de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat de vordering onvoldoende duidelijk is en een te zware belasting vormt voor het strafproces.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de vordering van € 67.250,00 stelt het hof vast dat uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken onvoldoende duidelijk is geworden wie de gestelde schade aan de leaseauto heeft geleden: de benadeelde partij of de leasemaatschappij. De vordering is ook overigens niet nader toegelicht. Het hof kan daarom niet vaststellen dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit zelf schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering is onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering.

Ten aanzien van de vordering van € 29.777,20 overweegt het hof als volgt.

Voor zover deze vordering moet worden aangemerkt als een nieuwe vordering, kan de benadeelde partij daarin niet worden ontvangen. Een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij kan niet worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Ingevolge artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van zijn eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945 en HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279). De schade ter zake van de achterstallige leasetermijnen en de kosten en schade die verband houden met de ontbinding van de leaseovereenkomst en de terugname van het voertuig is in eerste aanleg niet gevorderd. Deze schadeposten kunnen daarom niet voor het eerst in hoger beroep worden opgevoerd.

Voor zover de vordering van € 29.777,20 niet moet worden gezien als een aanvullende vordering tot schadevergoeding, is het hof van oordeel dat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering dan onvoldoende is onderbouwd.

De benadeelde partij wordt ook daarom in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.