Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 5 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3021Zaaknummer 23-001947-23

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
23-001947-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bevestiging behalve ten aanzien van de straf en met aanvulling van bewijsmotivering en bewijsmiddelen. Invoer cocaïne. De verdachte heeft geen verklaring gegeven die het voorhanden bewijs voor zijn betrokkenheid ontzenuwt en een redelijk alternatief biedt voor de betreffende uit het dossier voortvloeiende belastende omstandigheden. Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. Overschrijding redelijke termijn.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Duker en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Vonnis waarvan beroep
  3. Aanvullende bewijsmotivering
  4. Aanvullend bewijsmiddel
  5. Oplegging van straf
  6. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  7. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001947-23

datum uitspraak: 5 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-241906-21 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteland] ( [geboorteplaats]) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering aanvult en de bewijsmiddelen aanvult.

Aanvullende bewijsmotivering

Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank als volgt.

Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte betrokken was bij een gezamenlijk plan dat gericht was op de invoer van de bij [persoon 1] aangetroffen cocaïne. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte ruim voor de landing van het vliegtuig, om 01:37 uur, contact heeft gehad met ‘ [persoon 2] ’ waarbij zij onder meer bespreken dat “de dingen 8 uur vliegen”. Uit het dossier volgt voorts dat de verdachte later die ochtend telefonisch contact heeft gezocht met [persoon 3] en heeft gebeld met [persoon 1] terwijl deze op zijn bagage stond te wachten. Uit de Whatsappconversatie tussen de verdachte en ‘ [persoon 2] ’ blijkt vervolgens dat wordt besproken dat de invoer niet goed is gegaan: “De man is gevallen pa”.

Deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien en in combinatie met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van de cocaïne en schreeuwen om een verklaring. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep enkel verklaard dat hij er niets mee te maken heeft. Verder heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht. Daarmee heeft de verdachte geen verklaring gegeven die het voorhanden bewijs voor zijn betrokkenheid ontzenuwt en een redelijk alternatief biedt voor de betreffende uit het dossier voortvloeiende belastende omstandigheden.

Het hof is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de aard van de invoer van de cocaïne en wezenlijk bijdroeg aan een gezamenlijk plan tot deze invoer.

Aanvullend bewijsmiddel

Een proces-verbaal van bevindingen analyse telecom [persoon 1] d.d. 7 augustus 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina 118 tot en met 125 van het procesdossier.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De bij de verdachte [persoon 1] aangetroffen mobiele telefoon werd ten behoeve van het onderzoek inbeslaggenomen. Uit de analyse van de telefoon werd het volgende bevonden.

Onder de applicatie Whatsapp onder oproepen is een inkomend gesprek op 4 augustus [het hof begrijpt: 4 augustus 2021] omstreeks 07:52 uur van het telefoonnummer [telefoonnummer] te zien. Dit gesprek duurde 0:28 seconden. Dit telefoonnummer betreft de vriend van “ [persoon 4] ” waar eerder over gesproken wordt in de Whatsapp conversatie. Uit onderzoek is gebleken dat in dit gesprek de instructies worden gegeven waar de koerier heen moest gaan middels een taxi om aldaar zijn verdovende middelen over te dragen aan de organisatie.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden, met aftrek van het voorarrest.

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de ouderdom van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het invoeren van 852,50 gram cocaïne op de luchthaven Schiphol. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding. De handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hieraan heeft bijgedragen.

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gekregen in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt bij georganiseerde invoer van verdovende middelen bij een hoeveelheid van 500 tot 1.000 gram een gevangenisstraf van acht tot twaalf maanden genoemd. Het hof neemt dit als uitgangspunt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 september 2026 is de verdachte tweemaal eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.

Op grond van het voorgaande acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf maanden in beginsel passend.

Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Op 3 juli 2023 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 5 oktober 2026. Bij de behandeling in hoger beroep is de redelijke termijn met één jaar en drie maanden geschonden. In deze overschrijding ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te matigen door de duur van de gevangenisstraf met één maand te verminderen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Duker en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.