Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 20 juli 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3017Zaaknummer 23-001604-25

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
23-001604-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vernietiging vonnis ivm andere bewezenverklaring in zaak E. Bewezenverklaring van telkens: diefstal. Tenlastegelegde diefstal met geweld in zaak E niet bewezen ivm het ontbreken van het oogmerk als bedoeld in artikel 312 Sr. Toepassing van artikel 9a Sr omdat in andere strafzaak een ISD-maatregel is opgelegd welke op dat moment ten uitvoer wordt gelegd.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-225777-24, in de zaak met parketnummer 15-022867-25 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 15-099764-25, in de zaak met parketnummer 15-061355-25 en in de zaak met parketnummer 15-064142-25 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-225777-24, in de zaak met parketnummer 15-022867-25 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 15-099764-25, in de zaak met parketnummer 15-061355-25 en in de zaak met parketnummer 15-064142-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-225777-24, in de zaak met parketnummer 15-022867-25 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 15-099764-25, in de zaak met parketnummer 15-061355-25 en in de zaak met parketnummer 15-064142-25 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.W.T. Klappe en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Tenlasteleggingen
  3. Vonnis waarvan beroep
  4. Bespreking van een artikel 359a Sv-verweer
  5. Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak E tenlastegelegde
  6. Bewezenverklaring
  7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  8. Strafbaarheid van de verdachte
  9. Oplegging van straf
  10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  11. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001604-25

datum uitspraak: 20 juli 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-225777-24 (zaak A), 15-022867-25 (zaak B), 15-061355-25 (zaak C), 15-064142-25 (zaak D) en 15-099764-25 (zaak E) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

In de zaak met parketnummer 15-225777-24 (zaak A): hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer één of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-022867-25 (zaak B; gevoegd): 1.hij op of omstreeks 28 december 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een of meer winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een of meer winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-061355-25 (zaak C; gevoegd): hij op of omstreeks 12 februari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een of meer winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-064142-25 (zaak D; gevoegd): hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-099764-25 (zaak E; gevoegd): hij op of omstreeks 1 april 2025 te Utrecht winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een medewerker van die [winkel 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die medewerker van de [winkel 3] in het gezicht te slaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van zaak E tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking van een artikel 359a Sv-verweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafmaat op het standpunt gesteld dat in zaak E sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat bij de aanhouding van de verdachte transportboeien zijn aangelegd in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie.

Het hof ziet aanleiding om dit verweer op deze plaats te bespreken.

Het aanleggen van handboeien is op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie allereerst toegelaten indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting.

Het hof is van oordeel dat hiervan in casu geen sprake was.

Het aanleggen van handboeien is daarnaast toegelaten met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de arrestant of politieambtenaar of van de overige betrokkenen. De noodzaak van het boeien kan in dat kader onder meer gelegen zijn in de aard van het strafbare feit op grond waarvan de aanhouding van de verdachte heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld als de verdachte is betrapt op een geweldsdelict zoals diefstal met geweld.

De verdachte is blijkens het procesdossier aangehouden op verdenking van diefstal en mishandeling. Het hof is daarom van oordeel dat de noodzaak van het aanleggen van de transportboeien gelegen is in de aard van die verdenking, zodat in overeenstemming met artikel 22 van de Ambtsinstructie is gehandeld en geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak E tenlastegelegde

De verdachte heeft bekend dat hij de tenlastegelegde winkeldiefstallen heeft gepleegd. De verdediging heeft ten aanzien van het in zaak E tenlastegelegde feit bepleit dat de diefstal niet kan worden gekwalificeerd als ‘diefstal met geweld’ als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast.

De verdachte heeft in de [winkel 3] in Utrecht diverse sleutelhangers in zijn jaszak gestopt, waarna hij de winkel heeft verlaten. Een winkelmedewerker is achter de verdachte aangelopen, heeft hem mee terug de winkel in genomen en heeft de sleutelhangers uit de jaszak van de verdachte gepakt. De verdachte is vervolgens op een tafel in de winkel gaan zitten en heeft met zijn rechterhand uitgehaald in de richting van het gezicht van de winkelmedewerker. De winkelmedewerker heeft teruggeslagen, waarna de verdachte de winkelmedewerker weer met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van diefstal met geweld als bedoeld in artikel 312 Sr is vereist dat het door de verdachte toegepaste geweld is gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, dan wel om, bij betrapping op heterdaad, de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep kan worden vastgesteld dat de verdachte geweld heeft gebruikt tegen de aangever, maar niet dat hij dit heeft gedaan met een van de voornoemde oogmerken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, op het moment dat het geweld plaatsvond, de diefstal voltooid was en dat de winkelmedewerker de sleutelhangers al had teruggepakt. Niet is gebleken dat de verdachte na het gepleegde geweld heeft willen vluchten.

Het hof acht om die reden, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, niet bewezen dat sprake is van de strafverzwarende omstandigheid dat de diefstal is vergezeld of gevolgd van geweld als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 15-225777-24 (zaak A): hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer winkelgoederen, die geheel aan de [winkel 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-022867-25 (zaak B; gevoegd):

1.

hij op of omstreeks 28 december 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer winkelgoederen, die geheel aan [winkel 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer winkelgoederen, die geheel aan [winkel 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-061355-25 (zaak C; gevoegd):

hij op of omstreeks 12 februari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer winkelgoederen, die aan [winkel 1], in elk geval aan een ander, toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-064142-25 (zaak D; gevoegd):

hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer winkelgoederen, die geheel aan [winkel 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In de zaak met parketnummer 15-099764-25 (zaak E; gevoegd):

hij op of omstreeks 1 april 2025 te Utrecht winkelgoederen, die geheel aan de [winkel 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A tot en met E bewezenverklaarde levert op:

telkens: diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

De hiervoor besproken stelling van de raadsman dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat dit gelet op de aard en ernst en het daardoor veroorzaakte nadeel, dient te leiden tot strafvermindering is hiervoor reeds besproken en verworpen.

Daarnaast heeft de raadsman het hof verzocht aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen, gelet op de aan de verdachte opgelegde en thans nog lopende ISD-maatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich zes keer schuldig gemaakt aan het plegen van winkeldiefstal. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Diefstal is een ergerlijk feit dat hinder en schade veroorzaakt bij de gedupeerden. Uit het strafblad van de verdachte van 25 juni 2026 blijkt dat hij vaker is veroordeeld voor vermogensdelicten. Het voorgaande rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals in eerste aanleg is opgelegd.

Ter zitting in hoger beroep - en uit het strafblad - is gebleken dat aan de verdachte, na het begaan van deze feiten, bij onherroepelijk vonnis van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2026 een ISD-maatregel is opgelegd voor de duur van twee jaren. De ISD-maatregel wordt op dit moment ten uitvoer gelegd. Het hof acht het onwenselijk dat de verdachte na afronding van het ISD-traject wordt geconfronteerd met nog een openstaande gevangenisstraf voor deze feiten.

Het hof is om die reden van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9a, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-225777-24, in de zaak met parketnummer 15-022867-25 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 15-099764-25, in de zaak met parketnummer 15-061355-25 en in de zaak met parketnummer 15-064142-25 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-225777-24, in de zaak met parketnummer 15-022867-25 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 15-099764-25, in de zaak met parketnummer 15-061355-25 en in de zaak met parketnummer 15-064142-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-225777-24, in de zaak met parketnummer 15-022867-25 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 15-099764-25, in de zaak met parketnummer 15-061355-25 en in de zaak met parketnummer 15-064142-25 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.W.T. Klappe en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.