Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 1 maart 2017

ECLI:NL:GHAMS:2017:624Zaaknummer 23/000436-17

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
1 maart 2017
Publicatiedatum
24 april 2019
Zaaknummer
23/000436-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige hechtenis

Het hof:

WIJST TOE het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

SCHORST het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het moment van de tenuitvoerlegging van de door het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/005289-15 opgelegde gevangenisstraf tot aan de dag dat zijn detentie vanwege het uitzitten van deze straf eindigt.

Zulks onder de voorwaarden dat de verdachte:

1. indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

2. ingeval hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

3. bij iedere oproeping vanwege een justitiële instantie in persoon zal verschijnen;

4. zich niet zal schuldig maken aan strafbare feiten;

5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Deze beschikking is gegeven op 1 maart 2017 in raadkamer van dit hof door

mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter,

mrs. M.L. Leenaers en Y.M.J.I. Baauw – de Bruijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 1 maart 2017,

de advocaat-generaal

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. De feiten en de rechtsgang
  2. De beoordeling
  3. 23 000436-17
  4. De beslissing

23/000436-17

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

BESCHIKKING op een verzoek strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in [locatie].

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft gezien de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2017.

Voorts heeft het hof gezien het namens de verdachte ingediende verzoekschrift strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis, dat op 9 februari 2017 bij het hof is binnengekomen. Het verzoekschrift strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf te kunnen ondergaan.

Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 1 maart 2017 gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis.

Het hof heeft gelet op artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering.

De beoordeling

Het hof is van oordeel dat het uitzitten van een onherroepelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in beginsel als alternatief kan dienen voor voorlopige hechtenis en – behoudens contra-indicaties - een grond voor schorsing kan opleveren aangezien het ondergaan van een reeds opgelegde vrijheidsstraf een op dat moment voor de verdachte gunstiger vorm van vrijheidsbeneming is dan de voorlopige hechtenis.

Het hof acht termen aanwezig om de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen zodat de verdachte de thans onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 23/005289-15 kan ondergaan. Het hof gaat er hierbij vanuit dat nu er sprake is van een executie van die straf in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis detentiefasering niet zal plaatsvinden. Indien dit wel het geval is eindigt de schorsing van de voorlopige hechtenis op het moment van aanvang van de detentiefasering.

23 000436-17

De beslissing

Het hof:

WIJST TOE het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

SCHORST het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het moment van de tenuitvoerlegging van de door het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/005289-15 opgelegde gevangenisstraf tot aan de dag dat zijn detentie vanwege het uitzitten van deze straf eindigt.

Zulks onder de voorwaarden dat de verdachte:

1. indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

2. ingeval hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

3. bij iedere oproeping vanwege een justitiële instantie in persoon zal verschijnen;

4. zich niet zal schuldig maken aan strafbare feiten;

5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Deze beschikking is gegeven op 1 maart 2017 in raadkamer van dit hof door

mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter,

mrs. M.L. Leenaers en Y.M.J.I. Baauw – de Bruijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 1 maart 2017,

de advocaat-generaal

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.