Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 oktober 2026

ECLI:NL:CBB:2026:511Zaaknummer 26/710 en 26/738

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
26/710 en 26/738
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, beroep ongegrond (toepassing art. 8:86 Awb). Schorsing chauffeurskaart i.v.m. vermoeden dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een nieuwe VOG. Verzoeker wordt verdacht van overtreding van de Opiumwet.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

w.g. H.S.J. Albers w.g. A.A. Dijk

Afschrift verzonden aan partijen op:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam 1] , te [woonplaats] (verzoeker)
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 26/710 (voorlopige voorziening) en 26/738 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (verzoeker)

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigden: mr. W. van Dijk en mr. G.H.H. Bisschoff)

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2026 (schorsingsbesluit) heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van verzoeker geschorst tot 11 november 2026, in afwachting van een uit te voeren onderzoek naar de intrekking van de chauffeurskaart.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Met het besluit van 30 september 2026 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 14 oktober 2026. Aan de zitting hebben verzoeker en de gemachtigden van de staatssecretaris deelgenomen.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Verzoeker is werkzaam als taxichauffeur en beschikte over de vereiste chauffeurskaart op grond van artikel 81, vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp 2000).

1.2

Op 1 juli 2026 hebben de politie en de gemeente [woonplaats] een controle uitgevoerd op het adres [adres] te [woonplaats]. Op dit adres is, in een bedrijfsloods, het bedrijf [naam 2] gevestigd, waarvan verzoeker de eigenaar is. Tijdens deze controle is op de eerste verdieping van het pand een hennepkwekerij aangetroffen. Verzoeker is door de politie ter plaatse aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 3, aanhef en onder D, van de Opiumwet en artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet. Ook heeft de politie één van verzoekers taxi’s (een Tesla) in beslag genomen. De politie heeft de staatssecretaris op de hoogte gesteld van dit incident en daarbij de relevante processen-verbaal overgelegd.

1.3

De staatssecretaris heeft de chauffeurskaart met het schorsingsbesluit geschorst tot 11 november 2026, vanwege het vermoeden dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Volgens de staatssecretaris is verzoeker betrokken geweest bij een ernstig incident dat afbreuk doet aan het belang van veilig taxivervoer. Vanwege de ernst hiervan kan de uitkomst van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden niet worden afgewacht.

1.4

Op 16 september 2026 heeft de staatssecretaris verzoeker op grond van artikel 82, zesde lid, van het Bp 2000 verzocht om een nieuwe VOG te overleggen. In deze brief is tevens aan verzoeker medegedeeld dat zijn chauffeurskaart tot 9 december 2026 geschorst blijft, tenzij hij eerder een nieuwe VOG overlegt.

1.5

In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij aan de inhoud van de processen-verbaal van de politie het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat verzoeker, gelet op de aard en ernst van de overtreding, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. De staatssecretaris is niet bevoegd om te beoordelen of verzoeker de overtreding daadwerkelijk heeft begaan. Voor de beoordeling van de staatssecretaris is niet relevant of de taxi bij de overtreding is gebruikt. De overtreding hoeft ook geen verband te houden met het taxivervoer. Ten slotte stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat het besluit om de chauffeurskaart te schorsen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Standpunten partijen

2. Verzoeker voert allereerst aan dat zijn structurele maandelijkse financiële verplichtingen ongeveer € 5.163,- bedragen, afgezien van persoonlijke kosten en andere uitgaven. Ook draagt hij financieel bij aan de noodzakelijke kosten van zijn kinderen. Verzoeker heeft geen andere inkomstenbron, zodat zijn financiële belang direct en aanzienlijk is. Vervolgens verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om de noodzaak en evenredigheid van de schorsing te beoordelen. Hij ziet niet in waarom de schorsing is opgelegd voor de maximale duur van twaalf weken. Volgens hem had ook kunnen worden volstaan met een lichtere maatregel of een schorsing van een kortere duur. Verder vraagt hij rekening te houden met de volgende omstandigheden. Het incident van 11 juli 2026 had geen betrekking op de uitvoering van zijn werkzaamheden als taxichauffeur. Hij wijst op zijn lange staat van dienst. Daarnaast betwist verzoeker uitdrukkelijk dat de gedragingen waarop de schorsing is gebaseerd persoonlijk aan hem kunnen worden toegerekend. Hij had de eerste verdieping van het pand verhuurd aan een derde. Hij heeft geen opdracht gegeven tot het opzetten of onderhouden van de hennepkwekerij, daarvoor geen toestemming gegeven en daaruit ook geen financieel voordeel genoten. In zijn taxi zijn bovendien geen drugs aangetroffen en de Tesla die in beslag was genomen, is inmiddels aan hem teruggegeven. Verder wijst verzoeker erop dat de strafrechtelijke procedure nog niet definitief is afgerond. Ten slotte heeft verzoeker op 18 september 2026 een VOG aangevraagd, direct nadat hij op 17 september 2026 de brief van de staatssecretaris had ontvangen waarin stond dat hij deze kon aanvragen. Daarmee heeft hij alles gedaan wat binnen zijn mogelijkheden ligt om zo snel mogelijk duidelijkheid en herstel te verkrijgen.

3. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat op basis van de processen-verbaal het vermoeden bestaat dat verzoeker betrokken is bij overtredingen van de Opiumwet en dat hij daarom niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. De staatssecretaris wijst daarbij op het screeningsprofiel (65; Taxibranche; chauffeurskaart) dat in dit geval van toepassing is, waarin is vermeld dat overtredingen van de Opiumwet ‘bijzonder relevant’ zijn. Verder meent de staatssecretaris dat de ontkenning door verzoeker, gelet op wat in de processen-verbaal is opgenomen, ongeloofwaardig is. Voor de beoordeling van de vraag of het vermoeden bestaat dat een taxichauffeur niet meer voldoet aan de eisen voor afgifte van een VOG, is niet vereist dat de overtreding verband houdt met het taxivervoer. Of verzoeker daadwerkelijk schuldig is, zal in een strafrechtelijke procedure moeten worden beoordeeld en ligt in deze bestuursrechtelijke procedure niet voor. Ten slotte stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij onevenredig wordt getroffen door de schorsing. Wettelijk kader

4.1

Op grond van artikel 82, zesde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder c, van het Bp 2000 kan de minister, indien hij vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG, verlangen dat die bestuurder binnen een door hem vast te stellen termijn opnieuw verzoekt om afgifte van een VOG. De bestuurder overlegt binnen een door de minister vast te stellen termijn de nieuwe VOG.

4.2

Op grond van artikel 10, derde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) kan een chauffeurskaart voor een termijn van ten hoogste twaalf weken worden geschorst bij het vermoeden dat de bestuurder niet of niet tijdig een nieuwe VOG overlegt.Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter merkt de brief van de staatssecretaris van 16 september 2026 aan als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, omdat daarin de termijn van de schorsing met vier weken is verlengd tot 9 december 2026. Het beroep heeft daarom mede betrekking op dat besluit.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris aan de inhoud van de genoemde processen-verbaal het vermoeden kunnen ontlenen dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG vanwege de verdenking van het strafbare feit. Verzoeker betwist niet dat er op de eerste verdieping van het pand dat hij huurt voor zijn bedrijf een hennepkwekerij is aangetroffen. Hij stelt echter dat hij deze verdieping had verhuurd en dat hij dus niets met de kwekerij te maken had en er ook niets vanaf wist. De voorzieningenrechter is het met de staatssecretaris eens dat deze ontkenning, gelet op de inhoud van de processen-verbaal, ongeloofwaardig is. Op de begane grond van het pand, waar verzoeker zijn taxi’s stalt, zijn allerlei materialen aangetroffen die bestemd waren voor de hennepkwekerij. De kwekerij was bovendien vrij toegankelijk vanaf de begane grond. Ook zijn de sleutels van de taxi’s van verzoeker op de eerste verdieping aangetroffen. Ten slotte blijkt uit de processen-verbaal dat verzoeker heel zenuwachtig was tijdens de inspectie en ook probeerde weg te rennen. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat het, zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt, niet relevant is of de overtreding waarvan verzoeker wordt verdacht verband houdt met zijn werkzaamheden als taxichauffeur. Er is voldoende informatie voor het vermoeden dat verzoeker niet of niet tijdig een nieuwe VOG zal kunnen overleggen. Daarom was de staatssecretaris bevoegd de chauffeurskaart van verzoeker te schorsen.

7. De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat de staatssecretaris van zijn bevoegdheid tot schorsing van de chauffeurskaart gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter acht de afweging die de staatssecretaris heeft gemaakt niet onredelijk en de gevolgen van het schorsingsbesluit niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel van het waarborgen van de kwaliteit, en dan met name de veiligheid, van het taxivervoer. Dat verzoeker verdacht wordt van het ernstige feit van 11 juli 2026 doet het vermoeden ontstaan dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG waarmee hij aantoont dat zijn gedrag geen bezwaar vormt voor de functie van taxichauffeur. Zoals de staatssecretaris ter zitting heeft toegelicht, zijn taxichauffeurs verantwoordelijk voor de veiligheid van hun passagiers, terwijl overtredingen van de Opiumwet gepaard gaan met een verhoogd risico op (gewelds)delicten waar passagiers niet onwetend aan moeten worden blootgesteld. Het is dan ook in het belang van het veilig taxivervoer dat de chauffeurskaart geschorst is. De staatssecretaris heeft dat belang zwaarder mogen laten wegen dan de financiële schade die verzoeker als gevolg van het schorsingsbesluit lijdt. Dat verzoeker tijdens de looptijd van het schorsingsbesluit geen inkomsten heeft bij hoge maandlasten maakt het besluit niet zo onevenwichtig dat de staatssecretaris daarvan af moest zien. De omstandigheden van het geval waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden kunnen in het kader van een aanvraag van de VOG en de strafprocedure een rol spelen.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de staatssecretaris met het wijzigingsbesluit van 16 september 2026 de termijn van ten hoogste twaalf weken uit artikel 10, derde lid, van de Regeling heeft verlengd met vier weken. De voorzieningenrechter stelt echter ook vast dat verzoeker hierdoor niet in zijn belangen wordt geschaad. Hij is tijdig, namelijk vier weken na het schorsingsbesluit, in de gelegenheid gesteld om een nieuwe VOG aan te vragen. Hij heeft dat inmiddels ook gedaan, zoals blijkt uit de overgelegde ontvangstbevestiging van Justis. Als hij de VOG niet op tijd kan overleggen, dan heeft de staatssecretaris geen andere mogelijkheid dan de chauffeurskaart in te trekken. De staatssecretaris heeft tijdens de zitting toegelicht dat de termijn voor de schorsing waarschijnlijk is verlengd omdat er rekening mee wordt gehouden dat Justis mogelijk meer tijd nodig heeft voor de besluitvorming. Dit is dus in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet geen aanwijzingen om aan te nemen dat de staatssecretaris verzoeker wil dwarszitten en daarom de termijn heeft verlengd, zoals verzoeker tijdens de zitting heeft betoogd. De voorzieningenrechter acht het besluit om de termijn van de schorsing met vier weken te verlengen in dit geval niet onrechtmatig.

Slotsom

9 Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

w.g. H.S.J. Albers w.g. A.A. Dijk

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.