Gemeentelijke regelgeving

Verordening rechtspositie burgemeester, wethouders, raads- en commissieleden gemeente Veenendaal

Gemeente Veenendaal · geldt sinds 1 april 2026

Aanhef

De raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 7 januari 2025, nummer 2156415;

gelet op de artikelen 44, 66, 95, 96, eerste en tweede lid en 97, 99 en 147 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.3.8, 3.4.1, eerste lid en 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

Besluit

vast te stellen de Verordening rechtspositie burgemeester, wethouders, raads- en commissieleden gemeente Veenendaal.

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.commissie:

commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83 of 84 van de Gemeentewet;

b.commissielid:

lid van een commissie, bedoeld in sub a, dat niet tevens lid van de raad is of ambtenaar, die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd;

c.raadslid:

een lid van de raad van de gemeente Veenendaal;

d.schaduw-raadslid:

een commissielid van een raadscommissie, ingesteld op grond van artikel 82 van de Gemeentewet, niet zijnde een raadslid;

e.gemeentesecretaris:

de op grond van artikel 102 van de Gemeentewet door het college benoemde functionaris;

f.griffier:

de op grond van artikel 107 van de Gemeentewet door de raad benoemde functionaris;

g.burgemeester

de op grond van artikel 61 van de Gemeentewet op voordracht van Onze Minister bij Koninklijk Besluit benoemde ambtsdrager;

h.wethouder:

de op grond van artikel 35 van de Gemeentewet door de raad benoemde politieke ambtsdrager;

i.Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers:

het Koninklijk Besluit van 15 oktober 2018, Stb. 2018, 386;

j.Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers:

de ministeriële regeling van 23 november 2018, Stcrt. 2018, 66006;

HOOFDSTUK II VOORZIENINGEN VOOR RAADS- EN COMMISSIELEDEN

Artikel 2 Verhoging vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen in verband met bijzondere deskundigheid of zwaarte taak

Een commissielid, niet zijnde een schaduw-raadslid, wordt een door het college nader te bepalen hogere vergoeding toegekend dan waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers aanspraak maakt als:

a.het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken; of,

b.het commissielid een vergoeding ontvangt die niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak of de omvang van de door hem te verrichten arbeid.

Artikel 3 Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie

1Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente per maand een toelage toegekend van een vierde deel van de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1., eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

2Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage toegekend zoals vermeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

Artikel 3a Toelage commissie voorzitters

Een raadslid dat voorzitter is van een commissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet, ontvangt een maandelijks toelage ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

Artikel 4 Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- of schaduwraadsleden

1Raads- of schaduw-raadsleden die willen deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van raads- of schaduwraadslid als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dienen daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.

2De in lid 1 bedoelde aanvraag kan ook voor een gehele fractie aangevraagd worden.

3Deze aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.

4De griffier beslist op de aanvraag op basis van de overgelegde stukken.

5In voorkomende gevallen beslissen de fractievoorzitters van alle in de raad vertegenwoordigde fracties op basis van meerderheid van stemmen.

6De maximale vergoeding van de scholing bedraagt € 650,- per persoon. De vergoeding wordt jaarlijks aangepast op basis van het bij de programmabegroting gehanteerde indexcijfer van de prijsstijging van het CPB.

7In geval een fractie een aanvraag voor scholing heeft ingediend bedraagt de maximale vergoeding het bedrag per persoon vermenigvuldigd met het aantal zetels van de fractie in de gemeenteraad en het aantal schaduw-raadsleden dat de fractie op dat moment heeft.

Artikel 5 Informatie- en communicatievoorzieningen

1Een raads- of schaduwraadslid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

2Een raads- of schaduwraadslid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 6 [vervallen]

Artikel 7 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

1Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

2Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in hoofdstuk 2 van deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964.

HOOFDSTUK III VOORZIENINGEN VOOR BURGEMEESTER EN WETHOUDERS

Artikel 8 Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing burgemeester en wethouders

1De burgemeester of de wethouders die willen deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers in verband met de vervulling van hun functie dienen daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de gemeentesecretaris.

2Deze aanvraag gaat vergezeld van stukken met inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.

3De gemeentesecretaris beslist op de aanvraag op basis van de overlegde stukken.

Artikel 9 Informatie- en communicatievoorzieningen

1De burgemeester of de wethouder tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

2De burgemeester of de wethouder levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 10 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

1Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

2Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in hoofdstuk 3 van deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964.

HOOFDSTUK IV DE PROCEDURE VAN DECLARATIE

Artikel 11 Betaling vaste vergoedingen

Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.

Artikel 12 Betaling en declaratie van onkosten

1Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:

a.betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreekse aan de gemeente toegezonden factuur; of,

b.betaling vooruit uit eigen middelen.

2Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

3Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden in ieder geval voor het einde van het kalenderjaar ingediend door:

a.raads- en schaduw-raadsleden ingediend bij de griffier;

b.burgemeester, wethouders en commissieleden, niet zijnde schaduw-raadsleden, ingediend bij de gemeentesecretaris.

HOOFDSTUK V SLOTBEPALINGEN

Artikel 13 Intrekking oude regeling

De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Veenendaal, vastgesteld op 17 oktober 2019, wordt ingetrokken.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2024.

Artikel 15 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie burgemeester, wethouders, raads- en commissieleden Veenendaal.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.