Aanhef
De raad van de gemeente Putten;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 mei 2023, nr. 1542657;
gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid en 10b, (vijfde lid en) zevende lid, van de Participatiewet;
gezien het advies van de Participatieraad;
besluit:
–vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Putten 2023;
–in te trekken de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Putten 2017.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
–doelgroep:
personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;
–grote afstand tot de arbeidsmarkt:
deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;
–interne werkbegeleiding:
door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek;
–jobcoaching:
door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk;
–korte afstand tot de arbeidsmarkt:
deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;
–overigevoorzieningen:
voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet;
–persoonlijke ondersteuning bij werk:
ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet;
–praktijkroute:
het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek;
–voorziening:
door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken;
–werkgever:
degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie;
–werknemer:
persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;
–wet:
Participatiewet.
Hoofdstuk 2. Beleid en evaluatie
Artikel 2. Evenwichtige verdeling en evaluatie
1Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6 van deze verordening aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.
2Het college kan de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, 5 en 8 van deze verordening, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
3Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:
a.de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en
b.de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
4Het college zendt eenmaal per raadsperiode aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. Het verslag bevat in ieder geval het oordeel van de cliëntenraad.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen
Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen
1Het college kan een voorziening weigeren als:
a.de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;
b.de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
c.de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
d.de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of
e.er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
2Het college kan een voorziening beëindigen als:
a.de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;
b.de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
c.de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
d.de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;
e.de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;
f.de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of
g.de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
3Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet.
Artikel 4. Werkstage
1Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze:
a.behoort tot de doelgroep; en
b.nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.
2Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.
3Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
4In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:
a.het doel van de werkstage; en
b.de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
Artikel 5. Sociale activering
1Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.
2Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
3Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 6. Scholing
1Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.
2Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
a.Er is een reëel perspectief dat de opleiding leidt tot betaald werk; en
b.de scholing wordt gevolgd bij een erkende opleiding.
3Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.
Artikel 7. Participatieplaats
1Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.
2Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.
3De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt de helft van het vrij te laten bedrag per maand genoemd in artikel 31 lid 2 onder k Participatiewet mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. De premie wordt eens per 6 maanden uitbetaald.
Artikel 8. Participatievoorziening beschut werk
1Het college verstrekt om de in artikel 9b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen:
a.fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;
b.uitsplitsing van taken; of
c.aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
2Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden:
a.Wmo voorziening gericht op dagbesteding;
b.sociale activering als bedoeld in artikel 5;
c.scholing als bedoeld in artikel 6;
d.persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10; of
e.schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Artikel 9. Ondersteuning bij leer-werktraject
Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:
a.van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of
b.van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Artikel 10. Persoonlijke ondersteuning bij werk
1Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep.
2Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3A van deze verordening.
Artikel 11. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers
1Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3A, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten.
2De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 70% van de loonkosten gedurende maximaal 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare respectievelijk de uiterst kwetsbare werknemer.
3Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:
a.voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden;
b.geen startkwalificatie bezit;
c.ouder is dan 50 jaar; of
d.alleenstaande ouder is.
4Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest.
5De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
6De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
Artikel 12. Proefplaats
1Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering.
2Het doel van een proefplaatsing is
a.het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie of;
b.de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet of;
c.een combinatie van beiden.
3Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als:
a.de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is;
b.het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling;
c.als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt;
d.de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen.
4Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk.
5Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
6Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3A.
Hoofdstuk 3A. Specifieke bepalingen doelgroep Breed offensief
Paragraaf 3A.1 Administratief proces loonkostensubsidie
Artikel 13a. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie
1Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.
2Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon.
3Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.
4Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
5Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Artikel 13b. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.
2Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden:
a.de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;
b.de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
c.de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur waarmee tenminste een inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt verworven;
d.het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
e.het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
f.er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en
g.de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de [maatschappelijke] opbrengsten van uitstroom naar werk.
Artikel 13c. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.
2Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
3Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon.
4Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
5Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
6Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
Artikel 13d. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan:
a.welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;
b.als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;
c.de duur en intensiteit van de ondersteuning;
d.de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening;
e.als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en
f.voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.
2Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft.
Paragraaf 3A.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 13e. Persoonlijke ondersteuning bij werk
1Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente werkt.
2Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor:
a.jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of
b.interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider.
3De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
Artikel 13f. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk
1De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.
2Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
Artikel 13g. Jobcoaching
1Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV of, indien deze vervallen is, de regeling die hiervoor in de plaats is gekomen.
2De in te zetten jobcoaching bedraagt maximaal 7% van het aantal gewerkte uren per week of, bij een dienstverband van 15 uur of minder, maximaal 1,5 uur per week.
3Na een dienstverband van 3 jaar of langer is de in te zetten jobcoaching maximaal 2 uur per week bij een dienstverband van 16 uur of meer en 1 uur per week bij een dienstverband minder dan 16 uur.
4Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst hebben of hebben gecontracteerd, biedt het college deze bij voorrang aan.
5Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien.
Artikel 13h. Jobcoaching in natura
1Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden.
2Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13i. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
1Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever.
2Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 13c tot en met 13h, worden verleend als:
a.de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan;
b.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;
c.de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en
d.de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven.
4Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede:
a.ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of
b.integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.]
Artikel 13j. Interne werkbegeleiding
1Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding.
2Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.
Paragraaf 3A.4. Specifieke bepalingen overige voorzieningen
Artikel 13k. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
1Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
2Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en
b.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
3De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
4Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
Artikel 13l. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
1Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.
Artikel 13m. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen
1Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken.
2Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
Artikel 13n. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen
Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.
Artikel 14. Uitstroompremie
1Het college kent eenmalig een uitstroompremie toe, ter hoogte van de helft van de maximale premie van artikel 31 lid 2 onder j van de wet, aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en hiermee een inkomen verwerft van 100% of meer dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
2Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van 24 maanden of langer op een uitkering aangewezen is geweest.
3De premie wordt toegekend na 6 maanden na indiensttreding, als het dienstverband voortduurt.
4Geen recht op premie bestaat als in de afgelopen 3 jaar al een uitstroompremie is ontvangen.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 15. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht
1De Verordening loonkostensubsidie Participatiewet wordt ingetrokken.
2De Re-integratieverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2017 wordt ingetrokken.
3Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening 2017, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2017 voor de duur:
a.van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of
b.dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a.
4Het college kan na afloop van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet.
5De Re-integratieverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2017 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het derde en vierde lid.
Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2023.
2Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Putten 2023.