Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Wet basisregistratie personen Purmerend

Gemeente Purmerend · geldt sinds 20 februari 2015

Migratie

Artikel 2.38 Vestiging uit buitenland

1Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

2Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.

3Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en overlegt de geschriften ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, overlegt hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.

4Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.

5In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.

6Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien: a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte, b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.

Iedereen moet volgens artikel 2.38 BRP aangifte van verblijf en adres doen als deze tenminste twee derde van het jaar in Nederland verblijft. Doet hij dit niet dan wordt hem een bestuurlijke boete opgelegd. Voordat het college van burgemeester en wethouders dit doet, roepen we betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep staat een termijn. Verschijnt hij niet op of voor deze datum, dan krijgt betrokkene een tweede oproep. In de oproepen staat de waarschuwingsclausule; verschijnt u niet, dan riskeert u een bestuurlijke boete.

Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:

-Betrokkene verschijnt en doet aangifte van verblijf en adres. Het college van burgemeester en wethouders overweegt om van een boete af te zien.

-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van burgemeester en wethouders betrokkene niet in te schrijven in de BRP en legt geen boete op.

-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene niet in Nederland woont. In dat geval besluit het college betrokkene ambtshalve op te nemen als ingeschreven en legt een bestuurlijke boete op volgens artikel 2.38 Wet BRP.

-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt overeenkomstig het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene verblijft op een adres in Nederland. Is dat het geval, dan volgt na het doorlopen van de voornemenprocedure een besluit tot ambtshalve inschrijving en een boete oplegging volgens overtreding artikel 2.47 en artikel 2.38 Wet BRP.

Artikel 2.39 Adreswijziging

1De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.

2Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres.

3Als een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Iedereen moet volgens artikel 2.39 BRP aangifte van verhuizing doen, als hij een ander woonadres heeft of krijgt. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete worden opgelegd. Voordat het college van burgemeester en wethouders dit doet, roept het college betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep staat een termijn. Verschijnt hij niet op of voor deze datum, dan krijgt betrokkene een tweede oproep. In de oproepen staat de waarschuwingsclausule; verschijnt u niet, dan riskeert u een bestuurlijke boete.

Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:

-Betrokkene doet alsnog aangifte van verhuizing. Er kan worden overwogen om van een boete af te zien.

-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verhuisd is. In dat geval besluit het college van burgemeester en wethouders betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres en geen boete op te leggen.

-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. Ook weigert hij aangifte te doen van verhuizing. Van de weigering maken we een aantekening. In dat geval besluit het college betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken naar een onbekend adres volgens artikel 2.20, of als zijn nieuwe adres bekend is, hem ambtshalve te verhuizen naar zijn nieuwe adres. Het college legt een boete op volgens overtreding artikel 2.39 Wet BRP.

-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt overeenkomstig het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is verhuisd. Als dat het geval is, besluit het college tot ambtshalve verhuizing naar het nieuwe adres of tot ambtshalve opneming als vertrokken naar een onbekend adres ingevolge artikel 2.20. Het college legt een boete op volgens overtreding artikel 2.47 en artikel 2.39 Wet BRP.

Artikel 2.40 Kiezen briefadres en mededeling doen van die mogelijkheid door hoofd instelling

1Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

2Een instelling wordt slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisregistratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.

3Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft: a. instellingen voor gezondheidszorg; b. instellingen op het gebied van de kinderbescherming; c. penitentiaire instellingen.

4Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen indien het betreft een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

5Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.

Bestuurlijke boete is in beginsel op te leggen. In de praktijk informeert het college van burgemeester en wethouders de instelling over deze verplichting. Wil men zonder goede reden niet meewerken dan kan het college wijzen op de mogelijkheid van een bestuurlijke boete.

Artikel 2.43 Vertrek naar het buitenland

1De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

2De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.

3Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

Iedereen moet volgens artikel 2.43 BRP aangifte van vertrek doen als hij emigreert. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete worden opgelegd. Voordat het college van burgemeester en wethouders dit doet, roept het college betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep staat een termijn. Verschijnt hij niet op of voor deze datum, dan krijgt betrokkene een tweede oproep. In de oproepen staat de waarschuwingsclausule; verschijnt u niet, dan riskeert u een bestuurlijke boete.

Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:

-Betrokkene doet alsnog aangifte van vertrek. Het college kan overwegen geen boete op te leggen.

-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van burgemeester en wethouders betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres of op een ander adres in Nederland en legt geen boete op.

-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. In dat geval besluit het college betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken en legt een bestuurlijke boete op volgens artikel 2.43 Wet BRP.

-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt overeenkomstig het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is vertrokken. Als dat het geval is, dan besluit Het college tot ambtshalve vertrek en legt een boete op volgens overtreding artikel 2.47 en artikel 2.43 Wet BRP.

Artikel 2.45 Na aangifte inlichtingen geven en geschriften overleggen/in persoon verschijnen

1Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.

2In de aangifte van een briefadres worden redenen voor aangifte van een briefadres meegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.

3De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.

4De briefadresgever verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.

5Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 2.45 valt uiteen in twee onderdelen:

a) Het verzoek nadere informatie te vragen aan de burger die aangifte doet van een adreswijziging voor de bijhouding van de gegevens in de BRP, dan wel betrokkene te vragen in persoon te verschijnen.

b) De mogelijkheid een briefadres aan te vragen, met daarbij vermeld de voorwaarden waaronder het aangevraagd kan worden en welke verplichtingen er verbonden kunnen worden aan het hebben van een briefadres.

Het college van burgemeester en wethouders legt de bestuurlijke boete op voor het niet verstrekken van informatie of het niet in persoon verschijnen, terwijl betrokkene is opgeroepen om te verschijnen.

Het college van burgemeester en wethouders legt de boete ook op voor de volgende verplichtingen inzake het hebben van een briefadres:

-Aan de briefadresgever vanwege zijn verplichting om zorg te dragen voor de post van de briefadresnemer. Het college kan de verplichting bij overtreding bestraffen met een bestuurlijke boete, maar de verwijtbaarheid moet wel aantoonbaar zijn.

-Aan de briefadresgever vanwege het verzoek inlichtingen te verschaffen ter zake van het briefadres. Bij overtreding van lid 4 kan de bestuurlijke boete een houdbare sanctie zijn.

We kunnen de briefadresgever kan wel om informatie vragen, maar deze hoeft bijvoorbeeld niet te weten waar de briefadresnemer verblijft. Als de briefadresgever aangeeft dat hij niet beschikt over bepaalde informatie, dan heeft hij voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te geven. Hij kan geen bestuurlijke boete krijgen, als hij aangeeft geen informatie te hebben. Hij kan geen boete krijgen voor hetgeen hij niet weet.

Als aannemelijk is dat de briefadresgever wel degelijk weet waar de gezochte persoon verblijft en dit niet meedeelt, dan is dit wel te bekrachtigen met een bestuurlijke boete. Ook kan het zijn dat de briefadresgever deze functie niet meer kan uitoefenen. Het college van burgemeester en wethouders stelt dit vast. De verplichtingen voor de briefadresgever vervallen in dat geval.

Artikel 2.47 Na vermoedelijk verzuim aangifte inlichtingen geven en geschriften overleggen/in persoon verschijnen

Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

Artikel 2.47 Wet BRP verplicht de ingeschrevene om informatie te verstrekken over zijn adres, wanneer het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat de ingeschrevene geen aangifte heeft gedaan van verblijf en adres, adreswijziging of vertrek. Ook kan de burger volgens dit artikel verplicht worden om in persoon te verschijnen.

Tijdens het adresonderzoek vraagt het college van burgemeester en wethouders aanvullende informatie over het adres, of vraagt de betrokkene om in persoon te verschijnen om aangifte te doen. Hiervoor geeft het college van burgemeester en wethouders betrokkene een termijn. Is de termijn verstreken dan sturen we betrokkene een voornemenbrief. Hierin geven we betrokkene een tweede mogelijkheid om in persoon te verschijnen of de gevraagde informatie te geven. Voldoet betrokkene hier niet aan, dan kan deze hiervoor een bestuurlijke boete krijgen.

Artikel 2.48 Anderen op wie verplichtingen ook rusten

De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47, rusten op:

a.Ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar.

b.Ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult.

c.Curatoren voor onder curatele gestelden.

In artikel 2.48 Wet BRP staan de personen genoemd, op wie de verplichting van het doen van aangifte rust, namens minderjarigen en onder curatele gestelden. De in dit artikel genoemde personen krijgen de bestuurlijke boete als ze geen aangifte doen van de adreswijziging namens personen, die ze vertegenwoordigen.

Voor de aangifte van adreswijziging van een kind kunnen meerdere mensen verplicht zijn om aangifte te doen namens het kind. In dat geval moeten we bepalen op welke persoon in de betrokken situatie de verplichting van aangifte het meest rust. Dit zal/zullen in het algemeen de persoon/personen is/zijn bij wie het kind gaat wonen, dan wel de persoon/personen die verantwoordelijk is/zijn voor de opvoeding en verzorging van het kind. Als meerdere personen verplicht zijn tot aangifte, dan zijn ze wel hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de bestuurlijke boete.

-Twee ouders kunnen samen één boete krijgen. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk.

-Gaat het om ouders van een minderjarig kind waarvoor ze aangifte moeten doen, dan krijgt de ouder bij wie het kind verblijft de boete.

-Verblijft het kind niet bij de ouders dan krijgen de ouders of de voogd of de verzorger de boete. Een en ander afhankelijk van de situatie blijkens het dossier. Voor de hand ligt dat degene die het kind feitelijk dagelijks verzorgt het meest in aanmerking komt.

Artikel 2.50 Instellingen of bedrijven verstrekken informatie over verblijvende personen op aanwijzing van het college van burgemeester en wethouders

Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.

Het college van burgemeester en wethouders kan instellingen en/of bedrijven aanwijzen die ze deze verplichting opleggen.

In dat geval:

-Vermeldt het college van burgemeester en wethouders in die aanwijzing wanneer de instellingen en/of bedrijven de informatie moeten verstrekken.

-Kan bij overtreding van die verplichting het college uiteindelijk een bestuurlijke boete opleggen.

Het college van burgemeester en wethouders kan het beperken tot zogenaamde risico-adressen, zoals bijvoorbeeld pensions of kamerverhuurbedrijven. Bij niet-aanwijzing maken we in overleg werkafspraken met de instellingen en/of bedrijven. Bijvoorbeeld dat zij personen informeren over de aangifteplicht. Bij het aanwijzen van instellingen of het maken van afspraken geven we de instellingen informatie over het gemeentelijke boetebeleid.

OVERIG

Artikel 2.44 Spontaan inlichtingen geven en geschriften overleggen over burgerlijke staat

De ingezetene brengt alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk ter kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Hij verstrekt aan het college, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

Op grond van artikel 2:44 Wet BRP is de betrokkene verplicht om brondocumenten of inlichtingen te verstrekken of in persoon te verschijnen. Een bestuurlijke boete voor deze overtreding zal in de regel samen gaan met artikel 2.46. Als de burger iets niet spontaan doet en het college van burgemeester en wethouders komt hier achter, dan zal zij de burger vragen dit alsnog te doen. Dit laatste valt dan direct onder de werking van artikel 2.46. Het college zal geen dubbele boete (zowel voor 2.44 als voor 2.46) opleggen.

Artikel 2.46 Op verzoek inlichtingen geven en geschriften overleggen over burgerlijke staat/in persoon verschijnen

De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

Dit verzoek doen we meestal bij de aangifte van verblijf en adres. Als de burger dan verklaart welke gegevens bij zijn burgerlijke staat horen en hij niet direct de noodzakelijke brondocumenten kan overleggen, zal het college van burgemeester en wethouders hem verzoeken daar alsnog binnen een redelijke termijn mee te komen. Die termijn kan uiteenlopen afhankelijk van hoeveel tijd het naar verwachting kost om de documenten te verkrijgen. Het scheelt nogal uit welk land documenten afkomstig zijn. We letten daarbij op uitzonderingsgroepen als asielzoekers.

Oproep om te verschijnen.

In de oproep staan datum of termijn vermeld. Bij niet verschijnen op datum, of overschrijding termijn, volgt een tweede oproep.Komt betrokkene deze weer na, dan volgt de bestuurlijke boete. Het kan voorkomen dat we oproepen op basis van een lopend onderzoek dat ook als zodanig is terug te vinden op de persoonslijst. De betreffende gegevens staan dan in onderzoek.

-Verhuist de burger tijdens het onderzoek naar een andere gemeente, dan sturen we het onderzoeksdossier naar de bijhoudingsgemeente.

-Wanneer er geen gegevens op de persoonslijst in onderzoek staan, dan sturen we het dossier naar de volgende bijhoudingsgemeente.

Voorbeeld: de burger heeft bij zijn aangifte van verblijf en adres verklaard gehuwd te zijn maar had daar geen document van bij zich. Hij krijgt van het college van burgemeester en wethouders de verplichting opgelegd alsnog binnen een termijn te komen met het brondocument. Wanneer de burger binnen die termijn verhuist naar een andere gemeente, dan kan die volgende bijhoudingsgemeente het proces oppakken middels het toegestuurde dossier. Als de vorige bijhoudingsgemeente al gedreigd had met een bestuurlijke boete, danis het advies aan de volgende bijhoudingsgemeente voor het opleggen van de bestuurlijke boete zelf ook eerst een waarschuwing af te geven.

Artikel 2.51 Inlichtingen en geschriften overleggen over een overlijden van een familielid

De echtgenoot, geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, voor zover mogelijk, inlichtingen over dat overlijden. Ze overleggen daarbij de geschriften die noodzakelijk zijn voor de basisregistratie.

Uitgangspunten:

-Belangrijk is dat het college van burgemeester en wethouders redelijk zeker weet dat de betreffende persoon is overleden, maar zelf niet over de overlijdensakte beschikt. Ondanks eventuele pogingen daartoe (via bijv. ambassade).

-Er is geen goed brondocument om de overlijdensgegevens aan te ontlenen.

-Het niet overleggen van stukken of niet geven van inlichtingen is verwijtbaar.

-We kiezen zorgvuldig het familielid aan wie we de verplichting opleggen. Het opleggen van een boete kan hier fungeren als middel om de BRP goed op orde te brengen. We leggen de boete alleen op als zeker is dat het familielid de akte heeft of eenvoudig kan krijgen.

Artikel 2.52 Identificatieplicht bij in persoon verschijnen

-Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, overlegt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

-De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en overleggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid.

Bij weigering om een ID-bewijs te overleggen legt het college van burgemeester en wethouders de bestuurlijke boete op. Dit kan lastig zijn wanneer het college niet weet met wie zij te maken heeft. Als duidelijk is dat een burger ID-fraude pleegt (hij zich bewust voor een ander uitgeeft, bijvoorbeeld bij een aangifte, als bedoeld in de wet BRP), dan doen we hiervan aan bij de politie. Het sanctioneren van ID-fraude past beter in het strafrecht.

De gelegenheidsgever

Een gelegenheidsgever is iemand die bewust verklaart of toelaat dat een persoon zich op zijn adres als wonend laat inschrijven zonder de intentie daar feitelijk te gaan wonen. Deze situatie moet bij beiden bekend zijn.

Verwijtbaar gedrag

Daarnaast moet het wel gaan om verwijtbaar gedrag. Het college van burgemeester en wethouders kan degene die bewust toelaat dat een ander ten onrechte op zijn woonadres is opgenomen een bestuurlijke boete opleggen. Het betreft die gevallen waarin een ingezetene weet dat een ander zijn woonadres misbruikt, in die zin dat die ander ook met dat woonadres is ingeschreven, terwijl hij ook weet dat die ander daar niet woont. Bijvoorbeeld omdat die ander daar voordeel bij heeft voor uitkering of studie. Voorwaarde is wel dat de betrokkene dit bewust toelaat. Hij moet op enigerlei wijze met de situatie hebben ingestemd. We moeten voorkomen dat iemand, die post op zijn woonadres ontvangt voor iemand (al dan niet bij hem bekend) die niet op zijn adres woont, een bestuurlijke boete krijgt enkel en alleen omdat hij geen actie heeft ondernomen, door bijvoorbeeld de gemeente in te lichten.

Voor verwijtbaarheid moet bewijs zijn. Dit begint bijvoorbeeld bij een ondertekende verklaring over inwoning op het adres. Hierbij moet de toestemmingsgever verklaren dat hij naar waarheid verklaart dat betrokkene op zijn adres gaat wonen of woont. Ook moet in de verklaring staan dat als hij deze verklaring aflegt terwijl betrokkene niet op dit adres woont hij een bestuurlijke boete riskeert.

Bewust gelegenheid geven

De gelegenheidsgever moet zich bewust zijn dat hij gelegenheid geeft aan iemand om zich in te schrijven op een adres als woonadres, terwijl hij er feitelijk niet woont. Het begin van bewustzijn ligt bij de ondertekende verklaring, waarin staat dat iemand woont of gaat wonen op zijn adres. Uit het geheel van omstandigheden kunnen we vervolgens afleiden in hoeverre hij betrokkene gelegenheid heeft gegeven zich in te schrijven op een adres, waar hij feitelijk niet woonde.

Ten eerste is het bewijs dat betrokkene feitelijk ergens anders heeft gewoond van belang. Dit is af te leiden uit bewijsstukken die we aan de betrokkene vragen tijdens een adresonderzoek, zoals bankafschriften, persoonlijke poststukken, loon en uitkeringsstroken, abonnementen. Het is ook af te leiden uit een terugmelding van een bestuursorgaan, uit verklaringen van betrokkene, van degene die de verklaring inwoning aflegde of anderen. Het kan ook ter plaatse geconstateerd zijn. Daarnaast moeten we altijd nagaan of er nog andere omstandigheden zijn waardoor het aannemelijk is dat bewust gelegenheid is gegeven.

Ten tweede is het van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de situatie dat betrokkene er niet woont al bestond toen de verklaring inwoning werd gegeven. Of dat betrokkene er eerst heeft gewoond en later weg is gegaan. Daarvoor moeten we eerst vaststellen hoe lang de periode is dat betrokkene niet meer woont op het adres en of degene die de verklaring inwoning aflegde heeft gemeld dat betrokkene niet langer op dit adres woont. Is dit al een aantal maanden of langer en heeft degene die de verklaring inwoning aflegde de situatie laten voortbestaan? Dan moeten we bepalen of er nog andere omstandigheden die het aannemelijk maken dat bewust gelegenheid is gegeven.

Ten derde moeten we bepalen of er andere omstandigheden die aanleiding zijn dat iemand bewust gelegenheid heeft gegeven voor een onjuiste inschrijving op het adres.

Onderstaande omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen:

-De relationele- of familieband tussen betrokkene en degene die de verklaring inwoning aflegde. Hoe beter het contact of beter de familieband, hoe aannemelijker het is dat degene die de verklaring inwoning aflegde weet waar betrokkene feitelijk woont.

-De feitelijke afspraken over het doorsturen of afhalen van de post.

-De feitelijke woonsituatie op het adres van de toestemmingsgever, zoals oppervlakte en indeling van de woning, het aantal kamers, het aantal personen, de gestelde verblijfplaats van betrokkene, de aanwezigheid van een slaapplaats of persoonlijke spullen van betrokkene.

Als de gelegenheidsgever stelt dat het wél de bedoeling was geweest voor de ander om op zijn adres te komen wonen, maar dat dit door omstandigheden niet door is gegaan, beoordelen we omstandigheden om te kunnen bepalen of dit aannemelijk is. Is dit aannemelijk, dan kunnen we de bestuurlijke boete niet opleggen. Is dit niet aannemelijk, dan kan dat wel. Overigens kunnen we de gelegenheidsgever vrijstellen van de boete, wanneer hij alsnog informatie over het adres van de burger geeft. De mogelijkheid van het opleggen van een boete kan al een afschrikkende werking hebben op mensen die er over denken hun familieleden behulpzaam te zijn bij het plegen van onder meer studiefinancieringsfraude. Van belang is dat dit voor de burger duidelijk is (bijlage 5 C)

Bijlage 1 Stappenplan

Stappenplan

Bijlage 2 Casuïstiek

Casuïstiek

Bijlage 3 Tekstblokken voor aangiften en schriftelijke verzoeken (oproepen)

Tekstblokken

Bijlage 4 Tekstblokken voor besluiten

Tekstblokken voor besluiten

Bijlage 5 Standaardrapporten

Standaardrapporten

Bijlage 6 Bevoegdheden toezichthouder

Bevoegdheden

Bijlage 7 Briefadres

Briefadres

Bijlage 8 Handelswijze bij vertrek of verhuizing

Handelswijze

Bijlage 9 Risicoprofielen

Risicoprofielen

Bijlage 10 Risicokaart

Risicokaart

Bijlage 11 Werkinstructie

Werkinstructie

Bijlage 12 Voorbeeldvragen

Voorbeeldvragen

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.