Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2025

Gemeente Noordoostpolder · geldt sinds 1 januari 2025

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder;

gelet op:

-titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

-de Jeugdwet;

-de Verordening jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2022;

-het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2025;

overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;

besluit de volgende beleidsregels vast te stellen

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2025

Hoofdstuk 1 Algemene uitgangspunten

1.4 Taak van het college

1.4.1 Resultaatverplichting

Bij de jeugdhulpplicht hoort een resultaatverplichting. Dat wil zeggen als er een individuele voorziening nodig is, dan is dat gericht op het bereiken van de resultaten zoals hiervoor omschreven.

Beoordelingsruimte

Het college heeft ruimte bij de beoordeling met welke individuele voorziening(en) een of meerdere resultaten worden bereikt. Dat staat in de wet. Het is wel zo dat het passende jeugdhulp moet zijn. Ook dat staat in de wet.

1.4.2 Gecontracteerde partijen

Noordoostpolder werkt met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en voert, bij ambulante jeugdhulp, regie op de te behalen resultaten die tijdens het onderzoek gezamenlijk zijn vastgesteld. Dat kan door de jeugdhulp tussentijds te evalueren of bij een nieuwe aanvraag. De gecontracteerde partijen hanteren een systeemgerichte aanpak. De wettelijke verwijzers (huisarts, jeugdarts of medisch specialist) kunnen alleen doorverwijzen naar het gecontracteerde aanbod. Een verwijzing naar een niet-gecontracteerde partij kan niet, de hulpvraag loopt dan via de gemeente (reguliere procedure).

1.5 Individuele voorziening

1.5.1 Uitgangspunten

Er gelden een aantal algemene uitgangspunten:

•De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kunnen zijn en maatschappelijk kunnen participeren van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders zelf. Dat valt binnen de zorgplicht van ouders (eigen kracht). In hoofdstuk 3 wordt uitgelegd wat onder eigen kracht valt en hoe het college dat beoordeelt.

•Het herstellen of versterken van eigen kracht staat voorop staat bij het verlenen van individuele voorzieningen. Dit uitgangspunt sluit aan bij de bedoeling van de wet. Dit betekent ook dat het college eerst kijkt of dat met opvoedondersteuning of ondersteuning aan het gezin kan worden bereikt. Een individuele voorziening voor de jeugdige kan worden gecombineerd met de eigen kracht.

•Om te zorgen dat ouders hun rol als verzorgers en opvoeders kunnen blijven vervullen kan een individuele voorziening worden verleend om ouders (het gezin) tijdelijk te ontlasten als dat nodig is. Bijvoorbeeld kortdurend verblijf, logeren of een andere vorm van jeugdhulp die gericht is op het tijdelijk ontlasten.

•Het college kan besluiten dat een individuele voorziening niet wordt verleend omdat de gevraagde hulp volgens het college niet noodzakelijk is.

•De indicatie voor een individuele voorziening gaat niet eerder in dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag, tenzij het college de jeugdhulpaanbieder (gecontracteerd aanbod) toestemming geeft de jeugdhulp eerder te starten (art. 3.8 lid 1 Verordening.

Artikelen 2.3 lid 1 en 2.6 Jw Hoofdstuk 2 van de Verordening

Hoofdstuk 2 Procedure

2.2 Toegang tot jeugdhulp

2.2.1 Wettelijke verwijzers

De zogeheten wettelijke verwijzers kunnen jeugdigen en hun ouders verwijzen naar de gecontracteerde jeugdhulp. De wettelijke verwijzers zijn: de huisarts, de jeugdarts en de medische specialist. Zij kunnen alleen verwijzen naar jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd. Wenst de jeugdige of zijn ouder(s) de jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te ontvangen, dan zal de hulpvraag bij het college gemeld moeten worden.

2.2.2 Melding hulpvraag

Omdat de wet geen regels stelt over het indienen van een aanvraag, gelden de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen hun hulpvraag melden bij het college. Het college brengt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) eerst zorgvuldig de behoefte aan jeugdhulp en de mogelijke oplossingen in kaart. Dat onderzoek behoort tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 Awb). De Centrale Raad van Beroep heeft een stappenplan geformuleerd waarin voorwaarden zijn opgenomen waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen (CRVB:2017:1477). Van dat onderzoek wordt een onderzoeksverslag verstrekt.

2.2.3 Voor het onderzoek begint

Voor het onderzoek wordt gedaan bekijkt het college in ieder geval of:

•Het gaat om een jeugdige zoals bedoeld in de wet.

•De aanvrager belanghebbende is bij het besluit dat het college neemt. Eenvoudig gezegd: kan door degene een aanvraag worden gedaan.

•Het college verantwoordelijk is voor de jeugdige in het kader van het woonplaatsbeginsel.

2.2.4 Deskundigheid

Artikel 2.3a Verordening

Het onderzoek wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon. Die kijkt ook of er meer of een andere deskundigheid nodig is en schakelt de juiste deskundigheid in. Bijvoorbeeld een gedragswetenschapper, orthopedagoog of een (jeugd)arts. De deskundigen die betrokken zijn bij het onderzoek worden genoemd in het verslag.

2.6 Voorlichtingsplicht overig

2.7.1 Medewerkingsplicht

Ouders en jeugdigen verlenen medewerking aan het onderzoek als het college daar om vraagt (art. 8.1.2 lid 3 Jw). Deze algemene medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet geldt niet alleen bij de aanvraag maar ook gedurende de indicatie als daar aanleiding voor is. Het niet verlenen van medewerking kan er toe leiden dat het college de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Het kan gaan om een onderzoek naar de concrete gezinssituatie en de daarin aanwezige problematiek waarvoor ook onderzoek in de thuissituatie (door middel van observatie) verricht moet worden door een deskundige (RBGEL:2023:5013).

2.7.2 De jeugdige

In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt in ieder geval bij de vraag om deskundigenadvies (zie art. 2.6 lid 3 Verordening). Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe nog niet in staat is natuurlijk. De mening van de jeugdige moet worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, tenzij de jeugdige zijn mening niet kan geven gelet op de problematiek of leeftijd natuurlijk.

2.8 Stappenplan voor het onderzoek

2.8.1 Methode en bijlagen bij de beleidsregels

Het onderzoek is de leidraad voor het onderzoeksverslag. De gehanteerde methode die hierbij wordt gebruikt voldoet aan de eisen die de Centrale Raad van Beroep daaraan stelt. Hierna wordt een en ander per stap uitgelegd. Eén of meerdere bijlagen van deze beleidsregels kunnen helpen bij het onderzoek naar de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen. Het gaat om de volgende bijlagen:

•bijlage 1 Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

•bijlage 2 Aandachtspunten resultaatgebieden (kind gerelateerd)

•bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap

•bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten

•bijlage 5 Richtlijn ouderschap

Hierna wordt een en ander per stap uitgelegd.

2.8.2 Stap 1 van het stappenplan

Een volledig beeld is nodig

Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag die de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. Het college moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins-)situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Het kan informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kunnen zij onderdeel uitmaken van de eigen kracht Dat komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod.

Er wordt specifiek jeugdhulp gevraagd

De hulpvraag kan niet bestaan uit de vraag aan het college om een specifieke individuele voorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. De gemeente houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde individuele voorziening te ontvangen.

2.8.3 Stap 2 van het stappenplan

Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door die problematiek opvoedingsproblemen ondervinden.

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.

Zorgmomentenoverzicht

Als dat nodig is kan het college van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft, adequaat worden beschreven. Het college kan dit overzicht vergelijken met de richtlijn Gebruikelijke hulp bij de verordening.

2.8.4 Stap 3 van het stappenplan

In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen.

Welke individuele voorziening is nodig

Bij deze stap wordt beoordeeld of er volgens het college een individuele voorziening nodig is waardoor de jeugdige:

•gezond en veilig op te groeien en groeien naar zelfstandigheid; en

•voldoende zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld.

Blijkt uit het onderzoek bij stap 2 en 3 van dat er (ook) andere hulp nodig is, dan op grond van de Jeugdwet (voorliggende voorziening), dan komt de beoordeling daarvan bij stap 5 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de individuele voorziening die het college daadwerkelijk zal gaan verlenen.

2.8.5 Stap 4 van het stappenplan

Bij stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of de eigen kracht toereikend is. Zie voor de beoordeling van eigen kracht verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.

2.8.6 Stap 5 van het stappenplan

Na het doorlopen van het stappenplan wordt bij stap 5 vastgesteld of het college een individuele voorziening zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is en aan welke doelen wordt gewerkt om de vastgestelde resultaten te bereiken.

Het college beoordeelt eerst of de volgende aspecten aan de orde zijn:

1Geen jeugdhulp.

2Geen noodzaak tot het verlenen van jeugdhulp.

3Gebruikmaking van een andere wet.

4Vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening biedt een passende oplossing.

5Welke individuele voorziening is aangewezen en in welke vorm die wordt verleend.

1.Geen jeugdhulp

Op basis van het onderzoek kan het college vaststellen dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet (zie hierna onder 3) maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:

•Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma (RBDHA:2018:8310, RBROT:2020:5711).

•Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp (RBROT:2019:7883).

•Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie (RBOVE:2016:4171).

•Begeleiding van en naar de zwemles (RBOVE:2016:5199).

Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige.

2.Geen noodzaak tot het verlenen van jeugdhulp

Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat college kan vinden dat er geen noodzaak is voor het verlenen van een individuele voorziening. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.

3.Gebruikmaking van een andere wet

Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan het college vaststellen dat, gelet op problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt. Dat is het geval als de jeugdhulp voor de jeugdige noodzakelijk is (RBZWB:2017:4537). Denk bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning.

4.Vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening

Op basis van het onderzoek kan het college vaststellen dat gebruikmaking van een vrij-toegankelijke jeugdhulpvoorziening een voldoende oplossing biedt.

5Individuele voorziening

Het college beoordeelt of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke dat is. Daarbij heeft het college beoordelingsruimte. In hoofdstuk 4 van deze beleidsregels zijn de individuele voorzieningen verder uitgewerkt.

2.8.6 Reikwijdte en integraal werken

Dat wat tijdens het onderzoek na de melding van de hulpvraag wordt uitgevraagd of duidelijk wordt valt niet allemaal (volledig) binnen de reikwijdte van de Jeugdwet. Het breed uitvragen maakt het mogelijk om jeugdigen of ouders op een goede manier door te geleiden naar andere regelingen maar ook om de individuele voorziening af te stemmen op die regelingen, als daar aanleiding voor is (art. 2.9 onderdeel b Jw). Op die manier wordt (betere) integrale dienstverlening bereikt. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ouder(s) is/zijn aangewezen op begeleiding op grond van de Wmo 2015.

Artikel 2.1 en art. 2.3 lid 1 Jw Artikel 1.1 Verordening

Hoofdstuk 3 Eigen kracht

3.2 Zorgplicht van ouders

3.2.1 Inhoud zorgplicht ouders

Artikel 3.1 Verordening

De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:

a.de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede;

b.het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid;

c.de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen;

d.het bieden van een beschermende woonomgeving.

De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.

Kernpunten goed ouderschap

De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen:

1Handelingen II 2018/19, 33 836, nr. 45, p. 2.

1Een onvoorwaardelijke toewijding.

2Continuïteit in de opvoedingsrelatie.

3Verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn.

4Opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie.

5Het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein.

6Zorg dragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind.

7Zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.

8Een veilige opvoedsituatie van het kind.

Het college kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.

3.2.2 Beoordelingskader eigen kracht

Artikel 1.1 Begripsbepaling Verordening

De verordening bepaalt wat onder eigen kracht wordt verstaan: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet, gebaseerd op de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 van de verordening.

Artikel 3.3 tot en met 3.6 Verordening

Om te beoordelen of de eigen kracht van ouders toereikend is, gebruikt het college de afwegingsfactoren die zijn opgenomen in de verordening.

1Of gebruikelijke hulp (volgens de Richtlijn gebruikelijke hulp) binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van de volgende afwegingsfactoren:

a.de opvoedkundige capaciteiten van ouders, en

b.de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.

2Boven-gebruikelijke hulp. Of boven-gebruikelijke hulp binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van:

a.de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;

b.de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;

c.de mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders, die verband houdt met de zorgplicht. Waarbij geldt dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken en houden;

d.de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

e.het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen.

3Vervoer van en naar de jeugdhulplocatie als dat medisch noodzakelijk is of de jeugdige (nog) niet zelfredzaam is. Of het jeugdhulpvervoer binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van:

a.of de jeugdige in staat is om zelf te reizen;

b.de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer;

c.de afstand in verband met de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is;

d.het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden;

e.het aantal dagen dat vervoer nodig is;

f.draagkracht en draaglast in het gezin.

4Hulp van personen uit het sociaal netwerk. Van ouders wordt verwacht dat zij zich in hoge mate inspannen om hulp van personen uit het sociaal netwerk te krijgen.

5Hulp van niet gecontracteerde organisaties of instellingen binnen Noordoostpolder. Van ouders wordt verwacht dat zij zich inspannen om hulp van die organisaties of instellingen te krijgen. Het gaat om organisaties die niet vanuit de Jeugdwet zijn gecontracteerd en voor elke ouder of kind van Noordoostpolder toegankelijk is. Het college kan voorbeelden geven. Denk bijvoorbeeld aan de scouting, verenigingen of een kerkgenootschap.

6Gebruik maken van een aanvullende zorgverzekering. Van ouders wordt verwacht dat zij gebruik maken van aanspraken op grond van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

Ouders en eigen kracht

Het Burgerlijk Wetboek geeft een andere definitie van het begrip ouders dan de Jeugdwet. Daarom bepaalt de Verordening dat het eigen-kracht-principe ook van toepassing is op ouders in de zin van de Jeugdwet. Het gaat om iemand die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder (art. 3.2 lid 2 Verordening).

Kortdurend en langdurend

De behoefte aan jeugdhulp kan kortdurend of langdurend van aard zijn. Dat is afhankelijk van de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen.

Hierna worden de zes punten over de beoordeling van de eigen kracht nader toegelicht.

3.3 Gebruikelijke hulp

3.3.1 Uitgangspunten beoordelen gebruikelijke hulp

Het college stelt op basis van de Richtlijn gebruikelijke hulp vast of er sprake is van gebruikelijke hulp en zo ja wat de omvang daarvan is. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan helpen bij de vaststelling. De Richtlijn gebruikelijke hulp voorziet niet in een precieze tijdsindicatie; het gaat om een bandbreedte. Het college beoordeelt bij stap 3 van het stappenplan op welke hulp de jeugdige is aangewezen, rekening houdend met de leeftijd. Valt een noodzakelijke ‘activiteit’ binnen een bepaald ontwikkelingsprofiel van de richtlijn, dan is in beginsel sprake van gebruikelijke hulp. De volgende vier uitgangspunten worden gehanteerd bij de beoordeling.

1Leeftijd van de jeugdige

De Richtlijn Gebruikelijke hulp gaat uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.

2Aard van de zorghandelingen

Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

3Frequentie en patroon van de zorghandelingen

Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer eten per dag, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een voorbeeld. Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking.

4Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd

De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van gebruikelijke hulp. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien maar als boven-gebruikelijke hulp.

3.3.2 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp

Artikel 3.3 Verordening

Voor de beoordeling of ouders de gebruikelijke hulp kunnen bieden bepaalt de verordening twee afwegingskaders:

1de opvoedkundige capaciteiten van ouders;

2de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.

Ad. 1 Opvoedkundige capaciteiten

Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om de gebruikelijke hulp te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LvB-problematiek. Het college kan gebruik maken van bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap en bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten bij deze beleidsregels. In het geval van onvoldoende opvoedkundige capaciteiten wordt beoordeeld of een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke. Het zal in de praktijk gaan om ouders instrumenten in handen te geven waardoor zij in staat worden gesteld invulling te geven aan hun zorgplicht.

Ad. 2 Beschikbaarheid

De beschikbaarheid van ouders voor de gebruikelijke hulp aan de jeugdige kan worden vergeleken met ouders en hun kinderen zonder behoefte aan jeugdhulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het immers om normale oudertaken rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen (alle) ouders, ongeacht het hebben van kinderen met jeugdhulpproblemen, zelf het hoofd moeten bieden door bijvoorbeeld:

•herverdeling van oudertaken;

•oplossingen te zoeken binnen het sociaal netwerk, waaronder ook volwassen inwonende huisgenoten kunnen vallen;

•gebruik te maken van verlofmogelijkheden van de Wet arbeid en zorg (werkende ouders).

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Acute situatie

Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de gebruikelijke hulp te bieden. Het is aan de professional van gemeente Noordoospolder om te beoordelen of zo’n acute situatie zich voordoet. In dat geval kan er feitelijk tijdelijk geen draagkracht zijn. Het plotseling overlijden van een ouder (partner) kan leiden tot zo’n situatie.

3.9 Nadere uitleg en voorbeelden

3.9.2 Toezicht en begeleiding (opvoeding)

Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie ook Richtlijn gebruikelijke hulp bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.

Werkende ouders en begeleiding

Wanneer ouders werken, zijn zij verantwoordelijk voor de opvang dan wel verzorging van hun kinderen. Voor de begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken niet als individuele voorziening worden verleend. Wanneer sprake is van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van begeleiding, wordt deze vastgesteld over een volledig etmaal. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken. Onder werken kan ook het volgen van onderwijs worden verstaan.

Voortdurend toezicht

Bij voortdurend toezicht moeten ouders continue in de nabijheid zijn om (on)planbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet. Bij voortdurend toezicht is geen noodzaak tot actieve observatie.

Permanent toezicht

Permanent toezicht valt niet binnen de eigen kracht van ouders. Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vergelijk CRVB:2017:3709).

3.9.3 Situatie van ouders

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.

Opvangvraagstuk

Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd. Als één of beide ouders niet werken of geen re-integratietraject volgen, dan komen zij niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst Toeslagen. Deze ouders kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI) die toegang geeft tot kinderopvang. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.

Sociaal Medische Indicatie

Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie (tijdelijk) niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen.

Afbakening Wmo 2015 en Jeugd

Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan verleent het college geen individuele voorziening, tenzij de behoefte van ouders te maken heeft met wezenlijke problemen met het opvoeden. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In andere gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.

3.9.4 Overbelasting of dreigende overbelasting

Een beroep op (dreigende) overbelasting moet door de ouder(s) aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp zorg aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting (zie 3.4 van deze beleidsregels). Is dat het geval, dan rust de plicht op het college daar onderzoek naar te doen en te bepalen wat de gevolgen zijn van de uitkomsten daarvan.

Omvang planbare en onplanbare zorg

Soms is het duidelijk dat de ouder overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van planbare zorg, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare zorg te bieden kan van invloed zijn op de belastbaarheid van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen.

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een (medisch) deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal van (dreigende) overbelasting worden opgevat.

Artikel 1.2 Verordening

Hoofdstuk 4 Begeleiding individueel

4.2 Algemene uitgangspunten

4.2.1 Begeleiding individueel basis

Begeleiding individueel basis wordt ingezet wanneer er sprake is van enkelvoudige opgroei- en opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking. Begeleiding individueel basis biedt ondersteuning vanuit een systeemgericht ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten.

Richt zich op

Begeleiding individueel basis richt zich op het oefenen en structureren van dagelijkse vaardigheden. De begeleiding is gericht op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Daarnaast kan dit ook gericht zijn op het tijdelijk overnemen van zorgtaken mede gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen. De begeleiding is gericht op stabilisatie, het toepassen en inslijpen van (nieuwe) vaardigheden en ter voorkoming van terugval.

Waar

De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en/of ouder(s) en/of locatie van de jeugdhulpaanbieder.

Resultaten die centraal staan

Bij begeleiding individueel basis staan de volgende resultaten centraal:

•Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen worden vergroot om de psychosociale, psychische of gedragsmatige problemen in de thuissituatie/op school zelfstandig te kunnen hanteren;

•Het vergroten van de zelfredzaamheid en versterken van de jeugdige en de ouders(s) in de opvoedsituatie, waardoor de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn;

•Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties;

•Integratie in de samenleving en sociale participatie (denk aan algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).

Bijzonderheden

•Begeleiding individueel basis is kortdurend van aard en wordt daarom voor maximaal een jaar geïndiceerd.

•De begeleiding wordt ingezet om de jeugdige en/of ouder(s) te ondersteunen en daarnaast te kijken welke duurzame vorm van jeugdhulp mogelijk nodig is om stabiliteit in de thuissituatie te behouden. Er is hierbij speciaal aandacht voor het eigen netwerk en algemene voorzieningen.

4.2.2 Persoonlijke zorg

Hierbij gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op het gebied van de persoonlijke verzorging. Dit in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Onder ADL valt in ieder geval hulp bij:

•wassen/douchen,

•aan- en uitkleden,

•eten en drinken,

•toedienen van medicatie,

•toiletbezoek,

•reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging, scheren, hand- en voetverzorging.

4.2.3 Begeleiding individueel specialistisch

Begeleiding individueel specialistisch wordt ingezet wanneer er sprake is van meervoudige opgroei- en opvoedproblemen. Deze problematiek wordt veroorzaakt door psychosociale problemen en/of verslavingsproblemen en/of (een ernstig vermoeden van) een psychische stoornis en/of verstandelijke beperking. Begeleiding individueel specialistisch kent een behandelcomponent. Dat wil zeggen dat er betrokkenheid is van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog. Begeleiding individueel specialistisch werkt altijd vanuit een systeembenadering.

Richt zich op

Begeleiding individueel specialistisch is voor zowel de jeugdige als de ouder(s) gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering, dan wel het leren omgaan met de gevolgen van de problematiek. De problemen zijn dusdanig verweven tussen de jeugdige en de ouder(s), waardoor begeleiding specialistisch altijd systeemgericht is. Er is sprake van een ondersteuningsplan en er zijn concrete en haalbare behandeldoelen waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten. De uitvoering van het ondersteuningsplan valt onder verantwoordelijkheid van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog.

Stabilisatie

De begeleiding is gericht op het aanleren en verbeteren van (nieuwe) vaardigheden en gedrag om verergering van de problemen te voorkomen. Door deze nieuw aangeleerde vaardigheden en gedrag, vindt stabilisatie plaats bij de jeugdige en ouder(s) in zowel de thuissituatie, op school als ook in de vrije tijd. Ouder(s) zijn weer in staat om de opvoeding en ontwikkeling van het kind te waarborgen. De begeleiding van kind en ouder(s) lopen parallel en hebben als doel de verbetering van de uitvoering van de opvoedingstaken. Ouders kunnen op een positieve manier de ouderrol op zich nemen, waarmee een ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige op de lange termijn wordt afgewend. Het kan dan ook zo zijn dat het bereiken van het vastgestelde resultaat leidt tot (deels) toereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen.

Waar

De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en ouder(s) en/of op de locatie van de jeugdhulpaanbieder.

Resultaten die centraal staan

Bij begeleiding individueel specialistisch staan de volgende resultaten centraal:

•Het verhelderen van de ernst van de problematiek/beperking en de samenhang tussen eventuele psychosociale problemen en/of psychische stoornis en/of verslavingsproblemen en het formuleren van een systeemgericht ondersteuningsplan;

•Het toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden en nieuw gedrag in verschillende leefsituaties, gericht op het herstellen van veiligheid;

•Het vergroten van de zelfredzaamheid en versterken van de jeugdige en de ouders(s) in de opvoedsituatie. De ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige thuis en/of op school/dagbesteding en/of in de vrije tijd zijn hierdoor gewaarborgd;

•Integratie in de samenleving en sociale participatie (denk aan, algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).

Bijzonderheden

•Begeleiding individueel specialistisch is kortdurend van aard. Het uitgangspunt is om deze begeleiding voor maximaal zes maanden te indiceren.

•Bij deze vorm van begeleiding is een multidisciplinair team betrokken en te allen tijde direct inzetbaar.

4.3 Bereiken van een resultaat

4.3.1 Aandachtspunten

De jeugdige of zijn ouder(s) kan problemen ondervinden op verschillende resultaatgebieden (zie verder hierna). Het college maakt bij het onderzoek ook gebruik van REF _Ref85013278 \h \* MERGEFORMAT Bijlage 1 Aandachtspunten resultaatgebieden (kind gerelateerd) bij deze beleidsregels. De aandachtspunten kunnen natuurlijk ook betrekking hebben op de ouder(s), zie daarvoor REF _Ref86586304 \h \* MERGEFORMAT Bijlage 2 Aandachtspunten ouderschap, REF _Ref86586326 \h \* MERGEFORMAT Bijlage 3 Ouder gerelateerde aandachtspunten en REF _Ref86823130 \h \* MERGEFORMAT Bijlage 4 Richtlijn ouderschap bij deze beleidsregels. Aandachtpunten die tijdens het onderzoek naar voren komen kunnen van belang zijn om het te bereiken resultaat van de begeleiding vast te stellen.

4.3.2 Resultaat

Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel van belang kunnen zijn. Daaruit volgt op welke begeleiding individueel de jeugdige is aangewezen qua aard en omvang. Het college kan voor de aandachtspunten gebruik maken van Bijlage 2. Aandachtspunten resultaatgebieden kind gerelateerd, per leeftijdscategorie. Begeleiding kan worden geïndiceerd in vier intensiteiten: licht, middel, zwaar of intensief. Bij de beoordeling van de hiervoor genoemde aandachtspunten kan ook sprake zijn van de indeling licht, midden en zwaar. Het is echter niet zo dat als een aandachtspunt als ‘zwaar’ wordt gekwalificeerd dit, bij de vaststelling van de intensiteit van de begeleiding ook leidt tot de intensiteit ‘zwaar’. Voor begeleiding basis en begeleiding specialistisch hanteert het college de volgende intensiteiten:

Intensiteit

Ondergrens uren per maand

Bovengrens uren per maand

Begeleiding basis licht

meer dan 4 uur

tot en met 9 uur

Begeleiding basis middel

meer dan 9 uur

tot en met 18 uur

Begeleiding basis zwaar

meer dan 18 uur

tot en met 26 uur

Begeleiding basis intensief

meer dan 26 uur

-

Intensiteit

Ondergrens uren per maand

Bovengrens uren per maand

Begeleiding specialistisch licht

meer dan 1 uur

tot en met 7 uur

Begeleiding specialistisch middel

meer dan 7 uur

tot en met 13 uur

Begeleiding specialistisch zwaar

meer dan 13 uur

tot en met 22 uur

Begeleiding specialistisch intensief

meer dan 22 uur

-

Geen optelsom

Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. De jeugdhulpaanbieder kan in een bepaalde volgtijdelijkheid werken aan de te bereiken resultaten. Het kan van belang zijn (tussentijds) te evalueren.

Artikel 1.2 Verordening

Hoofdstuk 5 Begeleiding groep en kortdurend verblijf

5.2 Doelgroep en beoordelen problematiek

5.2.1 Begeleiding groep basis

Begeleiding groep basis wordt ingezet wanneer er sprake is van een enkelvoudig problematiek. Begeleiding groep basis biedt activiteiten gericht op het oefenen, structureren en bestendigen van dagelijkse vaardigheden of handelingen en/of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur. Begeleiding groep basis biedt jeugdhulp vanuit een ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten.

Richt zich op

Begeleiding groep basis is gericht op het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven. Hierbij is aandacht voor het functioneren en kunnen deelnemen aan activiteiten vanuit een groepsverband. Middels herhaling en methodische interventie binnen groepsverband wordt inzet van zwaardere jeugdhulp voorkomen. Ook richt de begeleiding zich op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelbehoefte van de jeugdige. Het doel hierin is altijd terugwerken naar volledig thuis, al dan niet met ondersteuning van het eigen netwerk of een algemene voorziening.

Uitzondering

Begeleiding groep basis kan in hoge uitzondering gericht zijn, indien er sprake is van een (licht) verstandelijke/meervoudige beperking, op het stabiliseren en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Hierbij is de hulpvraag van dien aard, dat het netwerk of een algemene voorziening niet in deze specifieke hulpvraag kan voorzien. Begeleiding groep basis dient er toe dat de jeugdige op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen.

Waar?

De begeleiding wordt geboden in groepsverband op de locatie van de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder heeft vanuit de systeemgerichte benadering oog voor de begeleiding in de thuissituatie. De jeugdhulpaanbieder biedt, indien nodig, deze begeleiding aan vanuit het principe doen wat nodig is en wat passend is bij de situatie.

Resultaten die centraal staan

Bij begeleiding groep basis kunnen de volgende resultaten centraal staan:

•Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de veerkracht bij de jeugdige en ouder(s) wordt vergroot en zelfstandige deelname van de jeugdige in groepsverband weer mogelijk is;

•Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties;

•Het vergroten van de zelfredzaamheid en het versterken van de opvoedsituatie van de jeugdige, de ouder(s), waardoor de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn;

•Integratie in de samenleving en het vergroten van de sociale participatie (denk aan algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).

Bijzonderheden

•Begeleiding groep basis wordt afgegeven per dagdeel. Een dagdeel bestaat uit 4 uur. Een dag kent maximaal 2 dagdelen.

•De aanbieder biedt, waar nodig, ouderbegeleiding. Dat wil zeggen: handvatten bieden als onderdeel van de doelen van het ondersteuningsplan. Dat past binnen de systeemgerichte benadering.

•Begeleiding groep basis is niet mogelijk tijdens schooltijd of ter vervanging van onderwijs.

•Onder begeleiding groep basis wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden; een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke; en 1e lijns vaktherapieën.

•Onder begeleiding groep basis wordt niet verstaan hulp van een opvangvraagstuk.

5.2.2 Kinderbehandelcentrum

Begeleiding groep specialistisch kan worden geboden door het Kinderbehandelcentrum aan jeugdigen met complexe problematiek. Op het kinderbehandelcentrum wordt een behandelomgeving geboden die in het teken staat van ontwikkeling en het stimuleren daarvan. Het Kinderbehandelcentrum beschikt over deskundigen en multidisciplinair team waar ook zorg op grond van de Zorgverzekeringswet geboden kan worden.

Artikel 1.2 Verordening

Hoofdstuk 6 Jeugdhulp overig

6.2 Jeugd-GGZ

6.2.1 Preventieve Jeugd-GGZ

Preventieve Jeugd-GGZ is een algemene voorziening en vrij toegankelijk. Vanuit de preventieve Jeugd GGZ zijn er bij de huisartsen praktijkondersteuners Jeugd GGZ beschikbaar. Zij werken onder de eindverantwoordelijkheid van de huisarts en opereren onafhankelijk van een GGZ-aanbieder. De POH Jeugd GGZ gaat uit van het versterken van de kracht van de jeugdige (zelfredzaamheid), betrekt de context en werkt samen met de jeugdige aan het behouden, versterken en herstellen van gezondheid. Door positionering binnen de huisartsenpraktijk en aandacht voor problemen op meerdere gebieden is integrale, vraaggerichte zorg voor mensen met psychische problemen mogelijk. Jeugdigen en hun naasten kunnen altijd laagdrempelig bij de POH Jeugd GGZ terecht.

6.2.2 Basis Jeugd-GGZ

Basis Jeugd-GGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij basis Jeugd-GGZ om behandeling van jeugdigen met een (sterk vermoeden van) DSM-5 stoornis. De behandeling is gericht op het verminderen of voorkomen van verergering van psychische problemen, waardoor een blijvende verbetering in het (maatschappelijk) functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd).

6.2.3 Specialistische Jeugd-GGZ

Specialistische Jeugd-GGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij specialistische Jeugd-GGZ om behandeling van jeugdigen waarbij sprake is van een hoog risico en/of hoge complexiteit bij vermoeden van een DSM5-benoemde stoornis. De jeugdige wordt individueel behandeld. De behandeling is gericht op maatschappelijk herstel en op het verminderen of voorkomen van verergering van problemen, waardoor een blijvende verbetering in het functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd).

6.2.4 Specifieke Specialistische GGZ

Onder specifieke specialistische GGZ worden die specialistische psychiatrische behandelingen verstaan, die specifiek en regionaal zijn ingekocht.

Artikel 8.1.1 Jw Hoofdstuk 3 en 5 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget

7.8 Besteding pgb ouders en sociaal netwerk

7.8.1 Beoordeling aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger

Deze voorwaarde heeft betrekking op ouders of een persoon uit het sociaal netwerk. Uit de informatie of het Budgetplan die de jeugdige en/of zijn ouder(s) overleggen, moet duidelijk worden dat de besteding van het pgb aan de ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk, eenvoudig gezegd, uiteindelijk tot een beter resultaat zal leiden. Dit gelet op het belang van de jeugdige die recht heeft op passende jeugdhulp. Dit ten opzichte van de inzet in natura. Dat kan het geval zijn als de persoon uit het sociaal netwerk, volgens een deskundige, de meest aangewezen persoon is om de jeugdhulp te bieden. Dit gelet op de problematiek van de jeugdige. Het kan ook te maken hebben met de aangewezen jeugdhulp, die:

•niet goed vooraf is in te plannen,

•op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,

•op verschillende locaties moet worden geleverd,

•op afroep te organiseren moet zijn,

•door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

7.9 Pgb-vaardigheid

7.9.1 Hulp bij pgb-vaardigheid

De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die hem vertegenwoordigt als de budgethouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder of mentor). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna).

Bewindvoerder

Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (vergelijk RBGEL:2019:4940). Bewind gaat immers over vermogensrechtelijke handelingen. Het spreekt voor zich dat het college niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar het college zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de jeugdhulpverlener (of personen uit het sociaal netwerk) en het evalueren van de geboden jeugdhulp.

Mentor

Een mentor behartigt de niet-vermogensrechtelijke belangen zoals rechtshandelingen voor verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Een mentor kan zonder verdere machtiging een aanvraag doen maar is (zonder machtiging van ouders of jeugdigen) niet bevoegd om het pgb-beheer (vermogensrechtelijke handelingen) uit te voeren.

Handelwijze vertegenwoordiger

Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de herziening of intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgb-vaardigheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder. Denk bijvoorbeeld aan:

•onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin,

•de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve jeugdhulp is ingekocht.

Belang van de budgethouder

De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de budgethouder en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen; hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.

Gewaarborgde hulp

Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen. Lukt dat niet, dan zal het college het pgb weigeren en een individuele voorziening in natura verlenen.

7.9.2 Conflicterende belangen

Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Immers kan niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (vergelijk CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803). Het kan gaan om een derde aan wie het pgb wordt besteed maar ook om een vertegenwoordiger die een daaraan gelieerde persoon is. Daaronder wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid bestaat.

7.9.3 Besteden pgb aan ouder(s)

Is de jeugdige budgethouder en wenst hij het pgb te besteden aan zijn ouder(s), dan liggen conflicterende belangen voor de hand. De jeugdige moet in staat worden geacht om bijvoorbeeld degene die de jeugdhulp biedt aan te sturen en zonodig bij te sturen. Dat is bij een kind-ouderrelatie tegennatuurlijk. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s).

7.9.4 Ouders onderdeel van het gezinssysteem

Het kan voorkomen dat tijdens het onderzoek blijkt dat de ouder(s) bijdragen aan het standhouden van de problemen omdat zij er een (wezenlijk) onderdeel van uitmaken. Het spreekt voor zich dat het college dan geen pgb verstrekt dat aan ouders mag worden besteed.

7.9.5 Persoon sociaal netwerk is de derde

Conflicterende belangen zijn ook aan de orde als iemand uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt maar ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. Ook dat is niet toegestaan. Een uitzondering kan zich voordoen als:

•uit deskundigenadvies blijkt dat de individuele voorziening alleen door deze persoon kan worden geboden, en

•het niet mogelijk is iemand anders in te schakelen als vertegenwoordiger.

Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de ouder(s) en jeugdige bij de keuze van een pgb ter besteding aan die persoon. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.

7.9.6 Aandachtspunten overig pgb besteden aan sociaal netwerk

Besteding van het pgb aan iemand uit het sociaal netwerk en ouders is beperkt in de Verordening, zie 7.8 van de beleidsregels. Daarnaast beoordeelt het college in ieder geval of:

•degene aan wie het pgb zal worden besteed is in staat is om de noodzakelijke individuele voorziening te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit?

•voldoende aannemelijk is dat degene aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken.

•de persoon uit het sociale netwerk de omvang/intensiteit van de individuele voorziening kan bieden. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek die deze persoon heeft. Reguliere werkzaamheden, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen.

•de kwaliteit van de individuele voorziening is voldoende gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de jeugdige zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn.

•voldoende distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie tussen de jeugdige en degene die de hulp biedt. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociaal netwerk.

7.9.7 Bevorderen autonomie jeugdige

De wettelijke jeugdhulpdoelen zijn onder meer gericht op het groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat jeugdigen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen. Het college beoordeelt daarom of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat (kan staan) aan het groeien naar zelfstandigheid. Een dergelijke beoordeling kan ook nodig zijn als het om het sociaal netwerk gaat.

7.9.8 Behandeling of specialistische jeugdhulp

Gaat het om behandeling of specialistische jeugdhulp, dan is het niet toegestaan het pgb te besteden aan iemand uit het sociaal netwerk, waaronder ook de ouders (art. 5.1 lid 5 Verordening). Bij deze vormen van jeugdhulp is professioneel te handelen aangewezen. Daar hoort ook professionele distantie bij.

7.9.9 Vaststellen pgb-vaardigheid

Het college moet vaststellen of de ouder(s) of jeugdige dan wel de vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de ouder(s) of jeugdige:

1Een goed overzicht van de eigen situatie kan houden.

2Weet welke regels er horen bij een pgb.

3Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.

4Kan communiceren met de gemeente, de SVB en jeugdhulpverleners.

5Zelfstandig kan handelen en zelf voor jeugdhulpverleners kiezen.

6Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan te houden.

7Kan beoordelen of de jeugdhulp uit het pgb bij hem past.

8Zelf de jeugdhulp kan regelen met één of meer jeugdhulpverleners.

9Kan zorgen dat de jeugdhulpverleners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.

10Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een jeugdhulpverleners.

Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Onder een jeugdhulpverlener kan ook een andere persoon worden verstaan die de jeugdhulp biedt.

7.11 Kwaliteit

7.11.1 Kwaliteit en veiligheid

Reguliere werkweek

Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de jeugdhulphulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk de noodzakelijke omvang van de jeugdhulp wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij Zzp’ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een Zzp’er zal namelijk ook door andere ouder(s) of jeugdigen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen.

Specifiek jeugdhulp met verblijf

Als het pgb wordt besteed aan de inkoop van jeugdhulp met verblijf, dan gelden specifieke criteria. Denk bijvoorbeeld aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen, tenzij het pgb voor personen uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) onbereikbaar wordt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat steeds sprake moet zijn van passende kwalitatieve jeugdhulp.

7.11.2 Kwaliteit en besteding pgb aan professionals

Het kan gaan om iemand in dienst bij een professionele organisatie of die als Zzp’er werkzaam is. Het college beoordeelt in ieder geval of:

•de jeugdhulp aansluit aan bij de vastgestelde stoornissen of problemen van de jeugdige en de te behalen resultaten;

•de jeugdhulpverlener beschikt over een relevante opleiding en is periodiek bijgeschoold. De opleidingseis zal kunnen verschillen naar gelang de aard van de noodzakelijke jeugdhulp;

•de jeugdhulpverlener beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de jeugdhulp;

•de jeugdhulpverlener de omvang/intensiteit van de noodzakelijke jeugdhulp kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij Zzp’ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouder(s) kunnen worden ingekocht. Denk in dit kader aan de 40-urige werkweek.

•de beoogde jeugdhulpverlener niet al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin en/of mensen uit het sociaal netwerk. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige of het gezinssysteem vertroebelen. Dat wil zeggen dat het college onderzoekt of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te kunnen behalen. Dat kan bijvoorbeeld al blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan.

7.12 Besteding pgb

7.12.1 Algemeen

Artikel 5.2 lid 1 Verordening

Voor het pgb geldt een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan een individuele voorziening waarmee het resultaat wordt bereikt. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan voorwaarden. Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan:

•hulp die naar oordeel van het college valt binnen de eigen mogelijkheden en oplossend vermogen van de ouder(s) en jeugdigen;

•de ouder(s) dan wel personen uit het sociaal netwerk die overbelast zijn of dreigen te geraken.

7.12.2 Kostensoorten en declareren

Artikel 5.2 lid 2, 3 en 4 Verordening

In de Verordening zijn een aantal kostensoorten uitgezonderd. Dat wil zeggen dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Verder geldt dat de declaraties geen vast maandbedrag mogen bevatten. Dat wil zeggen er wordt altijd gedeclareerd in tijd. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen.

7.12.3 Termijn besteding pgb

Artikel 3.8 lid 4 Verordening

De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder het pgb moet besteden. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.

Artikel 2.9 onderdeel d Jw Hoofdstuk 7 Verordening

Artikel 8.1.3 Jw Hoofdstuk 8 Verordening

Hoofdstuk 9 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking en terug- en invordering

9.6 Terugvordering

9.6.1 Terugvordering: overig

Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk:

•bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de individuele voorziening of het pgb,

•als de individuele voorziening of het pgb niet of wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt,

•bij een onverschuldigde betaling.

Niet voldoen aan de voorwaarden

Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herziens- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder d Jw. Als gevolg van het herziens- of intrekkingsbesluit ontstaat de vordering of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit.

Niet of voor een ander doel gebruikt

Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herziens- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder e Jw. Als gevolg an het herziens- of intrekkingsbesluit ontstaat de vordering of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit.

9.6.2 Onverschuldigde betaling

Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de Svb. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura worden verstaan (art. 8.3 lid 1 Verordening). Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer het volgende worden afgeleid als wettelijke bepaling ontbreekt op grond waarvan kan worden teruggevorderd. In zo’n geval kan toch worden teruggevorderd, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.

Zelfstandig terugvorderingsbesluit

Het gaat bij de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen.

Bevoegdheid

Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de jeugdige of zijn ouder(s) redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte een:

•individuele voorziening in natura is ontvangen,

•pgb werd uitbetaald.

Verjaringstermijn

Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn vangt aan voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling op het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2008:BD6928).

Bijlage 1. Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling of de boven-gebruikelijke hulp in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden.

Activiteiten persoonlijke verzorging

Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit

Richtlijn gemiddelde tijd per keer in minuten

Richtlijn maximale frequentie per dag

1.1

Zich wassen

Delen van het lichaam

10

1x

Gehele lichaam

20

1x

1.2

Zich aankleden

Volledig aankleden/uitkleden

2Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan.

15

2x

Gedeeltelijk uitkleden

10

1x

Gedeeltelijk aankleden

10

1x

1.3

In en uit bed gaan

Hulp bij uit bed komen

3Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa.

10

1x

Hulp bij in bed gaan

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

1.4

Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding)

-

20

Naar noodzaak

1.5

Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen

-

15

Naar noodzaak

1.6

Eten en drinken

Hulp bij broodmaaltijd excl. drinken

10

2x

Hulp bij warme maaltijd excl. drinken

15

1x

Hulp bij drinken

10

6x

1.7

Ondersteuning bij uitscheiding

Stomaverzorging bij lokaal intacte huid

20

Naar noodzaak

Stomazakje wisselen

10

Naar noodzaak

Katheterzaak legen /wisselen

10

Naar noodzaak

Uritip aanbrengen

15

Naar noodzaak

Klysma microlax

15

Naar noodzaak

1.8

Sondevoeding

Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en afkoppelen)

20

Naar noodzaak

Sondevoeding toedienen bij kinderen

40

Naar noodzaak

Sondevoeding via PEG

40

Naar noodzaak

1.9

Medicatie

Medicijnen aanreiken

4Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort.

5

Naar noodzaak

Medicijnen toedienen (oraal/via sonde)

5

5De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren.

Naar noodzaak

Aanbrengen medicinale pleister

5

Naar noodzaak

Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal)

10

Naar noodzaak

Vernevelen

20

Naar noodzaak

2.1

Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid

Zorg voor tanden

5

2x

Zorg voor haren

5

1x

Zorg voor nagels

5

1x per week

Scheren

10

1x

Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties

10

Naar noodzaak

Zalven van de intacte huid

10

Naar noodzaak

Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid)

10

Naar noodzaak

Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter, tracheastoma

6Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordt dan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule.

, sonde)

10

Naar noodzaak

Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden

10(hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken)

6xper dag

2.2

Aanbrengen / verwijderen prothese

7Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld.

Aanbrengen prothese/hulpmiddel

15

1x

Verwijderen prothese/hulpmiddel

15

1x

Aanbrengen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Aanbrengen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Bijlage 2 Aandachtspunten resultaatgebieden

Aandachtspunten resultaatgebied 0-4 jaar

Kind gerelateerd

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Emotie-regulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Huilen

Onzeker/angsten

Dwars/koppig

Gooien

Schelden, vieze woorden gebruiken

Slaan, schoppen, bijten

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Hechting

Omgang met ouder

Omgang met ander (broer/zus/e.d.)

Samen spelen met volwassenen

Samen spelen met leeftijdgenootjes

GEZONDHEID EN ZELFZORG

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (gevarieerd)

Wassen (incl. tanden poetsen)

Aankleden

Toilet (zindelijk, bedplassen, broekpoepen)

Slapen (inslapen, doorslapen, wakker worden, dag-nachtritme)

DAGINVULLING

(spel)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Algemene ontwikkeling (sorteren, herkennen, benoemen)

Grof motorische activiteiten (bal gooien, voetballen, fietsen,

Fijn motorische activiteiten (schrijven, knippen)

Visio-motorische activiteiten (puzzelen, rijgen, bouwen)

Creatieve activiteiten (knutselen, tekenen, kleien, zingen)

Bewegen en sporten

Aandachtspunten resultaatgebied 4-12 jaar

Kind gerelateerd

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Zelfbeeld

Zelfinzicht/zelfreflectie

Omgaan met veranderingen

Begrijpen consequenties (korte termijn)

Keuzes maken

Grenzen aangeven

Impulsiviteit (sociale regels, geen risico zien)

Taakinitiatie (andere dingen doen i.p.v. aan de slag)

Emotie-regulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Angsten (incl. spanning, zenuwen, nerveus, bang)

Stemmingsproblemen (somber, wisselingen, uitbundig)

Teruggetrokken/ eenzaam/ verdrietig

Luidruchtig opstandig

Ongehoorzaam

Pesten

Agressie verbaal /fysiek (dreigen, vloeken, anderen pijn doen)

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Functioneren binnen gezin/familie

Vrienden maken

Vriendschappen behouden

Beste vriend

Vriendengroep

Verkering

Grenzen aangeven

Beïnvloedbaar

Houdt rekening met anderen

GEZONDHEID EN ZELFZORG

(BASALE ADL)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (verantwoord, bereiden

Wassen (verzorgd uiterlijk)

Aankleden (schone kleding)

Toilet (zindelijk, bedplassen, broekpoepen)

Slapen (inslapen, doorslapen, wakker worden, dag-nachtritme)

Klusjes in huis (afwassen, kamer opruimen)

Omgaan met geld (incl. schulden)

Seksuele gezondheid

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Aanleren vaardigheden

Verkeersinzicht

Deelname verkeer (zelfstandig)

Gebruik maken van OV

SCHOOL/ DAGBESTEDING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Ingeschreven

Aanwezigheid

Voorbereiding/huiswerk

Meedoen met aangeboden lesstof

Leerstrategieën

Leervakken

Creatieve/vrije vakken /gym

Taal- en rekenproblemen

Lezen

Spelling

Schrijven

Rekenen

klokkijken

VRIJE TIJD

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Sporten

Hobby’s

Buurt

Religie

Interesse in nieuws

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Stelen

Vandalisme

Drugs

Geweld

HALT

Leerplicht

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Soft-drugs

Hard-drugs

Gamen

Telefoongebruik/social media

Anders

Aandachtspunten resultaatgebied 12-18 jaar

Kind gerelateerd

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Zelfbeeld

Zelfinzicht/zelfreflectie

Omgaan met veranderingen

Begrijpen consequenties (korte lange termijn)

Keuzes maken

Grenzen aangeven

Impulsiviteit (sociale regels, geen risico zien)

Taakinitiatie (andere dingen doen i.p.v. aan de slag)

Emotie-regulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Angsten (incl. spanning, zenuwen, nerveus, bang)

Stemmingsproblemen (somber, wisselingen, uitbundig)

Teruggetrokken/ eenzaam/ verdrietig

Luidruchtig opstandig

Ongehoorzaam

Pesten

Agressie verbaal / fysiek (dreigen, vloeken, vechten)

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Functioneren binnen gezin/familie

Vrienden maken

Vriendschappen behouden

Beste vriend

Vriendengroep

Verkering

Grenzen aangeven

Beïnvloedbaar

Houdt rekening met anderen

GEZONDHEID EN ZELFZORG

(BASALE ADL)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (verantwoord, bereiden)

Wassen (verzorgd uiterlijk, geur)

Aankleden (schone kleding)

Toilet (zindelijk, bedplassen)

Slapen (in- doorslapen, wakker worden, dag-nachtritme)

Voldoende beweging

Voorkomen van ziekten

Huishouden

Omgaan met geld (incl. schulden)

Seksuele gezondheid (incl. veilig vrijen)

Zelfstandigheid

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Aanleren vaardigheden

Verkeersinzicht

Deelname verkeer (zelfstandig)

Gebruik maken van OV

SCHOOL

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Algemeen

Aanwezigheid

Op tijd komen

Voorbereiding/ huiswerk

Leerstrategieën

Passend bij interesse

Voldoende resultaten

Maken van keuzes voor de toekomst

Accepteren autoriteit

Vakspecifieke problemen

Taal

Vreemde talen

Rekenen/ Wiskunde

Sectorspecifieke vakken

VRIJE TIJD

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Kan alleen thuis zijn

Opvang geregeld

Structuur/invulling

Sport

Hobby’s

Religie

Interesse in nieuws

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

HALT

Leerplicht

Stelen

Vandalisme

Geweld

Oplichting

Taakstraf

Jeugdreclassering

Boetes

Schulden

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Softdrugs

Harddrugs (incl. Anabolen)

Gamen

anders

Bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap

LICHAMELIJKE VERZORGING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Veiligheid

Hygiëne

Primaire levensbehoeften

Op tijd naar (medische) hulpverlening

Gezond weekmenu

Voldoende beweging

SOCIAAL-EMOTIONELE ONDERSTEUNING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Toezicht ouders/aanwezigheid opvang

Betrouwbaar

Beschikbaar (emotioneel)

Betrokkenheid ouders

Structuur

Regels

Stimulatie

SCHOOL EN WERK

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Schoolkeuze

Ingeschreven

Vervoer

Mogelijkheid huiswerk maken/werk voorbereiden

Toekomstperspectief

Stimulatie/steun

OPVANG

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Veiligheid woning en omgeving

Hygiëne (schoon en leefbaar)

Eigen ruimte (bijv. eigen kamer/bed)

Overlast

Dreigende uithuiszetting

Bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten

FINANCIEN/ADMINISTRATIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Basisverzekering afgesloten

Inkomen passend bij uitgave

Overzicht (financiën en administratie op orde)

Overzicht over de totale schulden

Aangemeld bij een instantie voor schuldhulpverlening

Schuldeisers (aflossing van de schulden)

Schuldenlast (vermindering)

WONEN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Onderhoud

Overlast

Veiligheid

Huur /hypotheek betaald

Dreigende uithuiszetting

Postadres

Slaapplek

Tijdelijk onderdak (toegeleid naar)

Begeleiding bij het contact leggen richting huisvesting

SOCIAAL NETWERK

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Familie

Buurt

Geloof

Vrienden

vereniging

DAGBESTEDING (WERK)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Evenwichtig dag- en nachtritme

Dagstructuur

werk

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Gebruikmaken eigen vervoermiddel (o.a. fiets, auto)

Gebruikmaken van openbaar vervoer

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Stelen/vandalisme

Geweld

Heling/oplichting

Taakstraf

Boetes

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Softdrugs

Harddrugs (incl. Anabolen)

Gamen

Telefoon/social media

Seks/porno

Anders

Bijlage 5 Richtlijn ouderschap

RESULTAATGEBIED

LICHT

MATIG

ZWAAR

LICHAMELIJKE VERZORGING

•Gezond menu

•Kleding

•Hygiëne

•Voldoende beweging

•Nakomen medische afspraken

Het lukt de ouder niet altijd om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden

De ouder is niet goed in staat om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden

De ouder is beperkt of niet in staat om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden

SOCIAAL EMOTIONELE ONDERSTEUNING

•Toezicht

•Betrouwbaarheid

•Structuur

•Regels

•Stimulatie

Stelt niet altijd leeftijds-adequate grenzen. Heeft moeite om een emotionele, veilige relatie aan te gaan met het kind. Het lukt de ouder niet altijd om het kind te stimuleren en te ondersteunen bij het aanleren van vaardigheden.

De ouder stelt onvoldoende grenzen of stelt grenzen niet leeftijdsadequaat. Is beperkt in staat om een emotioneel veilige relatie aan te gaan met het kind. Toont beperkt interesse in de belevingswereld van het kind. Stuurt onvoldoende op wenselijk gedrag.

De ouder is niet in staat om te voorzien in de sociaal-emotionele behoeften van het kind en regie te nemen. Ouder stelt geen grenzen. Toont geen interesse in de belevingswereld van het kind. Stuurt onvoldoende op gedrag en geeft geen goed voorbeeld.

SCHOOL

•Aanwezigheid

•Op tijd komen

•Betrokkenheid

Leerplichtige kinderen zijn zelden (max. 1 keer per maand) zonder geldige reden afwezig in de les. Er zijn met enige regelmaat problemen om huiswerk te maken. Ouders zijn

beperkt betrokken bij school

Leerplichtige kinderen zijn regelmatig (2-5 keer per maand) zonder geldige reden afwezig. Hebben beperkte mogelijkheden om huiswerk te maken. Ouders zijn beperkt betrokken bij school.

Leerplichtige kinderen zijn frequent (meer dan 5 keer per maand) zonder geldige reden afwezig. Hebben geen mogelijkheden om huiswerk te maken. Ouders zijn minimaal betrokken bij school.

OPVANG

•Aanwezigheid

•Betrouwbaarheid

Opvang is soms noodzakelijk en niet altijd voldoende en betrouwbaar beschikbaar. Opvang voorziet in alle aspecten van lichamelijk basiszorg én toereikende uitvoering opvoedtaken

Noodzakelijke opvang voorziet in alle aspecten van basiszorg maar is onbetrouwbaar beschikbaar.

Lichamelijke basiszorg is op orde maar één of meerdere opvoedtaken worden door opvang niet

uitgevoerd.

Noodzakelijke opvang van één of meer kinderen is amper beschikbaar

of er is een belangrijk probleem op één of meer gebieden van lichamelijke basiszorg en meerdere opvoedtaken worden door opvang niet uitgevoerd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.