Aanhef
De raad van de gemeente Maasdriel;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouder(s) van 17 maart 2026;
gelet, op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
gezien de adviezen van de Participatieraad Maasdriel van 15 februari 2026 en Cliëntenraad Sociaal Domein Bommelerwaard van 17 februari 2026.
overwegende dat:
•de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;
•waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij ouder(s) en de jeugdige zelf ligt;
•en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de uitvoering van de goede en toegankelijke jeugdhulp door de gemeente.
BESLUIT:
Vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Maasdriel 2026
Inhoudsopgave
1Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
2Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp
3Hoofdstuk 3. Toegang tot jeugdhulpvoorziening
4Hoofdstuk 4. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente
5Hoofdstuk 5. Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een PGB.
6Hoofdstuk 6. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik.
7Hoofdstuk 7. Afstemming met andere voorzieningen
8Hoofdstuk 8. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
9Hoofdstuk 9. Klachten en medezeggenschap
10Hoofdstuk 10. Slotbepaling
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
1In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat gericht is op jeugdhulp;
b.andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
c.budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;
d.budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;
e.budgetplan: door jeugdige en/of diens ouder(s) opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed;
f.betrokkene: hiermee worden de jeugdige of de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger bedoelt;
g.college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel;
h.eigen kracht: eigen kracht is het gebruik maken van de eigen mogelijkheden al dan niet in combinatie met de inzet van het sociale netwerk; hulpbronnen in de sociale omgeving en de wijk waar mensen wonen;
i.gebiedsteam: team van professionals dat het gesprek voert met de jeugdige en/of ouders en indien nodig tijdelijke ondersteuning biedt aan jeugdige en/of ouders zolang dit nodig is;
j.gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse zorg die partners, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden;
k.gecertificeerde instelling: instelling die van overheidswege gecertificeerd is om maatregelen in het kader van de jeugdreclassering en jeugdbescherming uit te voeren;
l.gesprek: mondeling contact tussen ouders en/of jeugdige en de jeugdconsulent, waarin alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht;
m.hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;
n.informele zorgverlener: een persoon die jeugdhulp verleent op basis van een persoonsgebonden budget en geen professionele zorgverlener is;
o.individuele voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; op de jeugdige en/of ouders toegesneden voorziening, die in het kader van de Jeugdwet door het college wordt verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget;
p.onderzoek: onderzoek dat het college uitvoert om te bepalen op welke wijze de jeugdige en/of ouders passende jeugdhulp kan worden geboden;
q.ouders: hiermee worden ouder(s), andere verzorgers of opvoeders bedoeld van de jeugdige. Onder "andere verzorgers of opvoeders" kunnen ook pleegouders vallen.
r.plan van aanpak: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen en hoe deze te bereiken, evenals de bijdrage die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren betreffende de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Het plan van aanpak bestaat uit een integrale (vraag)analyse en een beschrijving van de te behalen resultaten;
s.Persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort, van derden te betrekken;
t.sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige en of ouders een sociale relatie onderhoudt;
u.Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
v.voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;
w.wet: Jeugdwet;
x.zorg in natura: De ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door jeugdhulpaanbieders die rechtstreeks door de gemeente gecontracteerd zijn.
2Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Regeling Jeugdwet, het Besluit jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
1De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
a.Ondersteuning vanuit het gebiedsteam, zijnde:
i.advies en informatie, mede ten behoeve van de mogelijke toegang tot individuele voorzieningen;
ii.casusregie;
iii.voorlichting, cursussen en trainingen.
b.Jeugdhulp zonder verblijf (kan zowel als algemene voorziening als individuele voorziening beschikbaar zijn);
c.Basis generalistische GGZ (kan zowel als algemene voorziening als individuele voorziening beschikbaar zijn);
d.Algemene voorzieningen geboden door Veilig Thuis.
2De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
A. Zonder verblijf:
a.begeleiding
b.ambulante spoedhulp;
c.behandeling;
d.dagbesteding;
e.ernstige dyslexiezorg;
f.jeugdbescherming;
g.jeugdreclassering;
h.JGGZ-behandeling;
i.vervoer.
B. Met verblijf:
a.gezinshuizen;
b.moeder-kindhuizen;
c.GGZ-verblijf;
d.jeugdzorgPlus;
e.logeren;
f.pleegzorg;
g.verblijf met begeleiding.
3Het college maakt in het kader van de inkooprelatie op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:
a.doelgroepen;
b.activiteiten;
c.doorlooptijd;
d.intensiteit;
e.kwaliteit;
f.beoogd resultaat; en
g.vermelding productcode iJw.
4Het college kan in de beleidsregels nadere regels stellen over de afweging voor welke voorziening zoals genoemd in dit artikel de jeugdhulp wordt toegewezen en welke voorzieningen beschikbaar zijn en toe te lichten wat deze inhouden.
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente
1Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 2.
2Jeugdigen en/of ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. Als de jeugdige en/of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.
3Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Awb.
4Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 9 aan als een aanvraag als er, gelet op het derde lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.
5Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
6Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.
7In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking, ondersteund met een (verkort) onderzoeksverslag.
8Als een betrokkene zelf jeugdhulp wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 18. Een door de betrokkene ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.
9Jeugdhulp kan na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar worden voortgezet als daartoe noodzaak bestaat. Deze noodzaak wordt beoordeeld door een door het college aangewezen deskundige.
10Het college kan in nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
1Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
2Een huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst in de regel altijd door naar een jeugdhulpaanbieder die gecontracteerd is door de gemeente.
3Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouders is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
4Van het derde lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.
5Het college maakt afspraken met de huisarts, medisch specialist en jeugdarts over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid onderdeel g van de wet, plaatsvindt.
6De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
7Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van een aangewezen voorziening door een jeugdhulpaanbieder, kan het college bij een aanvraag door een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in dit artikel op basis van signalen of steekproefsgewijs een toets uitvoeren.
8De jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling van de voorziening, vorm, voorwaarden en looptijd van de jeugdhulp gebonden aan het oordeel van het college op grond van het onderzoek genoemd in het vorige lid.
9Als de jeugdige en/of ouders hierom verzoeken, legt het college de op verwijzing zoals bedoeld in lid 1 te verlenen individuele voorziening, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 17.
10Het college kan in de beleidsregels nadere regels stellen over de toeleiding van jeugdhulp via het medisch domein.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via justitieel kader
1Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering.
2Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt.
3Het justitieel kader verwijst in de regel altijd door naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, tenzij de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder niet aansluit bij de benodigde jeugdhulp.
4Het college kan in de beleidsregels nadere regels stellen over de toeleiding tot jeugdhulp via een gecertificeerde instelling.
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
1Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de betrokkene zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met het achtste lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kan de betrokkene de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.
2Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet en van onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
3Het college kan in overleg met de betrokkene afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.
4Het college onderzoekt wanneer een betrokkene zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de betrokkene:
a.wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;
b.de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
c.of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
1°. Welke problemen of stoornissen dat zijn;
2°. Welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
3°. Of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en
4°. Voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;
d.het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
e.hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;
f.indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
5Het college informeert de betrokkene over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.
6Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
7Bij het onderzoek wordt aan de betrokkene medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De betrokkene wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden van een pgb.
8Het college kan in de beleidsregels nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
Artikel 7. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
1Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
2Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
a.bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;
b.bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
c.op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
3Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel 8. Identificatie
1Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de betrokkene.
2Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:
a.gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp;
b.ter voorkoming van fraude; of
c.ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige.
3Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit:
a.vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
b.verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
c.buitenlands paspoort; of
d.vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
Artikel 9. Verslag
1Zo spoedig mogelijk na het onderzoek verstrekt het college aan de betrokkene een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de betrokkene worden door het college aan het verslag toegevoegd.
2Het college vergewist zich ervan dat de betrokkene de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek heeft begrepen.
3Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van betrokkene blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de betrokkene en teruggestuurd.
4Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of algemene voorziening en de betrokkene verklaart de aanvraag te willen intrekken, dan wordt dit door het college schriftelijk bevestigd aan betrokkene.
5In spoedeisende gevallen stelt het college een verkort onderzoeksverslag op, ter waarborging van de veiligheid en belangen van de jeugdige. Dit verslag wordt onderdeel van de individuele toekenning zoals bedoeld in artikel 3, zevende lid.
Artikel 10. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
1Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige en/of ouders in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige en/of ouders jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
2Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 en het protocol gebruikelijke zorg CIZ.
3Een andere of algemene voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
a.daadwerkelijk beschikbaar is; en
b.passend en toereikend is voor de hulpvraag.
4Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
5Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met (een bewezen) effectieve interventies.
6In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig heeft ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige en/of zijn ouders niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
7Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
Artikel 11. Toekenningsvoorwaarden
1Een aanvraag voor een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet bevat te behalen resultaten van de toe te kennen individuele voorziening.
2Als de aanvraag betrekking heeft op de kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouders voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:
a.als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;
b.voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakt kosten achteraf nog kan beoordelen;
c.de voorziening als bedoeld in lid 2 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag;
Artikel 12. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
1Jeugdigen en/of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
a.gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s);
b.bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;
c.de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;
d.het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.
2Onder gebruikelijke hulp verstaan we de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Bij hen ligt de verplichting de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
3Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij in ieder geval rekening met de volgende factoren:
a.de leeftijd van de jeugdige;
b.de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft
c.de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
d.de mate van planbaarheid van de hulp;
e.de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
4Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden.
5Als er sprake is van hulp die het gebruikelijke overstijgt dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties:
a.kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.
b.langdurend: het gaat om een chronische situatie waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar
6Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties bovengebruikelijk hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden.
7Bij de beoordeling van langdurige situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren:
a.de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
b.de mate van planbaarheid van de hulp;
c.het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;
d.de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;
e.vaardigheden van ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);
f.of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;
g.welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk;
h.Het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;
i.de woonsituatie;
j.de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijk stiefouder of niet);
k.of er sprake is van een sociaal netwerk en zo ja, wat de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk zijn om de jeugdige en/of zijn ouders te ondersteunen;
l.overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en/of zijn ouders worden ingebracht.
8Als bovengenoemde factoren niet leiden tot (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders (beschikbaarheid van ouders, de belasting van ouders en de financiële situatie van de ouders dan wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
9Bij (dreigende) overbelasting gelden de volgende uitgangspunten:
a.er moet sprake zijn van een verband tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;
b.als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;
c.als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouders verwacht;
d.het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten;
e.als de ouders een informeel pgb ontvangen voor de zorg van een jeugdige en er is sprake van (dreigende) overbelasting dan kan dit aanleiding zijn het pgb te beëindigen. De te verlenen hulp wordt dan aan een andere zorgverlener toegekend om de overbelasting te stoppen.
10Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 13. Vervoer
1Uitgangspunt is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
2Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
3Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
a.de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp én er is sprake van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt; en
b.bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor deze de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige kunnen meereizen; en
c.er geen andere manier is om de jeugdige jeugdhulp te bieden, bijvoorbeeld bij een andere aanbieder dichter bij het woonadres van de jeugdige.
4Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 12, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.
5Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk. De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of zijn ouders is opgeheven.
6Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.
7Het college stelt bij de toekenning van de vervoersvoorziening in een beschikking de wijze en het tijdstip van de verstrekking vast dan wel de uitbetaling van de vergoeding, en ook de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate voorziening.
8Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
9Het college kan in de beleidsregels nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening wordt toegekend.
Artikel 14. Dyslexie
1De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.
2Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs de Meierij op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 15. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
1Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.
2In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Artikel 16. Aanvullende criteria voor tegemoetkoming sociaal medische indicatie kinderopvang
1Een tegemoetkoming sociaal medische indicatie kinderopvang is een tijdelijke tegemoetkoming bedoeld voor gezinnen of alleenstaande ouders, die voor een thuiswonend kind tot 13 jaar (dan wel de laatste groep basisschool) geen recht hebben op reguliere kinderopvangtoeslag, waarvoor een andere voorziening geen passende oplossing biedt en waarin sprake is van een van de volgende situaties:
a.een kind heeft een lichamelijk, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking;
b.het om een kind gaat voor wie is vastgesteld dat in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling kinderopvang noodzakelijk is.
2Het college weigert de tegemoetkoming als:
a.de aanvrager aantoonbaar zelf in kinderopvang kan voorzien of als er een andere passende voorziening is waarop een beroep kan worden gedaan;
b.er opvangmogelijkheden in het eigen sociale netwerk zijn;
c.er gebruik wordt gemaakt van opvang die niet is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang;
d.de aanvrager een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijft en als gevolg daarvan geen aanspraak heeft op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen op grond van een beschikking van een bestuursorgaan (artikel 10 lid 1 Vreemdelingenwet 2000).
3Het college kan in de beleidsregels nadere regels stellen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
1In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval:
a.of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt;
b.de termijn van drie maanden waarbinnen de jeugdige zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder, of het pgb moet besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt. Dit geldt niet voor een beschikking na een medische verwijzing. In dat geval geldt de geldigheidsduur van de verwijzing.
c.hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
2Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a.wat de te verstrekken voorziening is;
b.wie de te verstrekken voorziening biedt;
c.wat de aard, omvang en het beoogde resultaat daarvan is;
d.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en
e.indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
3Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval naast de in lid 1 en 2 genoemde zaken vastgelegd:
a.wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c.welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; en
d.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
4Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.
5Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en stelt hierover nadere regels.
HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 18. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
1Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
2Als een jeugdige en/of zijn ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de betrokkene daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is in ieder geval opgenomen:
a.de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouders niet passend is en een pgb gewenst is;
b.welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
c.de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
d.op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd en dat deze geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
e.de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
f.indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
g.de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 19 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
h.hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd;
i.hoe men de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
3Het college verstrekt een pgb als:
a.de betrokkene zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend acht;
b.uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 18 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
c.naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 21 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de betrokkene van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
4Een persoonsgebonden budget voor het sociaal netwerk moet in ieder geval beperkt blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke zorg overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere jeugdhulp leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
5Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:
a.fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
b.betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
c.veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf.
6Het college weigert een pgb indien sprake is van een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet.
7Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Artikel 19. Pgb-vaardigheid
1Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
a.een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
b.op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
c.in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
d.voldoende vaardig te zijn om effectief te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
e.in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
f.in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
g.in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
h.in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
i.in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
j.voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
2Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
a.het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend.
b.er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:
i.schuldenproblematiek;
ii.ernstige verslavingsproblematiek;
iii.aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
iv.een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
v.een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
vi.een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
vii.het onvoldoende effectief communiceren in woord en geschrift;
viii.het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Artikel 20. Onderscheid formele en informele hulp
1Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
b.personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
c.personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).
2Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.
3Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.
Artikel 21. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
1Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
a.beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie;
b.beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
c.houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp. Uit deze registratie moet kunnen worden afgeleid dat de jeugdhulp is verleend, wat de kwaliteit hiervan is en welke resultaten er zijn behaald;
d.is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;
e.werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
f.voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
g.stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouders;
h.stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken;
i.respecteert de privacy van de jeugdige en/of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
j.neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of zijn ouders voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
k.meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;
l.werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
m.is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
2Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
a.hetgeen is bepaald in artikel 19, eerste lid en tweede lid;
b.handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
c.biedt hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouders;
d.biedt samenhangende hulp en waar nodig integrale hulp aan de jeugdige en zijn ouders;
e.werkt op basis van een hulpverleningsplan;
f.werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
g.hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
h.stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.
3Bij de beoordeling van een pgb voor informele zorg wordt een realiteitstoets toegepast. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de opgegeven zorguren verenigbaar zijn met het aantal uren dat de informele hulpverlener aan arbeid besteedt. De verleende zorguren moeten in redelijkheid uitvoerbaar zijn naast betaalde arbeid.
4Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.
5Het college kan nadere regels vaststellen over de kwaliteitseisen die worden verbonden aan het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb.
Artikel 22. Hoogte pgb
1De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op:
a.de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten of;
b.het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten;
2de hoogte van het pgb voor formele hulp vermeld onder artikel 20, lid 1, sub a, is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de cliënt passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
3De hoogte van het pgb voor formele hulp vermeld onder artikel 20, lid 1, sub b is gelijk aan 90% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de cliënt passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
4De hoogte van het pgb voor informele hulp is gelijk aan 50% van het gecontracteerde tarief, met een minimum van de door wet- en regelgeving bepaalde eisen.
5Als het op basis van het eerste, tweede, derde of vierde lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
6De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd
7Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.
8Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.
Artikel 23. Uitgesloten van pgb
Het college verstrekt geen pgb voor:
1specifieke vormen van jeugdhulp waarvoor het niet wenselijk is dat deze met een pgb worden verstrek, dit zijn in ieder geval:
a.een jeugdbepaling vanuit het justitieel kader,
b.Begeleiding individueel intensief;
c.Alle vormen van behandeling, zowel individueel als groep;
d.Alle vormen van dagbesteding groep;
e.Alle vormen van logeren;
f.Alle vormen van GGZ, zowel behandeling als verblijf; en
g.Specifieke trajecten, zoals ambulante spoedhulp, Multisysteem Therapie (MST), Multidimensionele familietherapie (MDFT) en Functional Family Therapy (FFT).
2voorzieningen waarvoor een algemene voorziening aanwezig is.
Artikel 24. Overige uitsluitingscriteria voor een pgb.
De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:
a.kosten voor bemiddeling;
b.kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
c.kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
d.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
e.kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
f.reiskosten;
g.kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
h.kosten die ondersteunende zijn voor het houden en aanbieden van een pgb; en
i.kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);
HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Artikel 25. Inlichtingen
1Het college informeert de betrokkene in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
2Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de betrokkene op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.
Artikel 26. Niet meewerken ouders
1De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.
2Als de jeugdige en/of zijn ouders naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 27. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
1Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.
2Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:
a.de betrokkene onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
b.de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
c.de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;
d.de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;
e.de jeugdige en/of zijn ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;
f.de betrokkene met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 18, derde lid; of
g.de jeugdige verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
3Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
4Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de betrokkene zich niet binnen drie maanden na de bekendmaking van de beschikking hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.
5Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.
6Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.
7Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.
8Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 27, lid 2.
9Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het zevende of achtste lid.
Artikel 28. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
1Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
2Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.
3Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 29. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
1Het college maakt met de door hem gecontracteerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
2Het college maakt met de door hem gecontracteerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.
3Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.
HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 30. Voorliggende voorzieningen
1Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
a.met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;
b.naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
c.gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de betrokkene weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.
2Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
3De betrokkene die een aanvraag voor jeugdhulp doet, wordt verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.
Artikel 31. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
1Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige en/of een ouder behoefte heeft ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
a.de Leerplichtwet;
b.de Participatiewet;
c.de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
d.de Wet Inburgering 2021;
e.de Wet kinderopvang;
f.de Wet langdurige zorg;
g.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
h.de Wet passend onderwijs;
i.de Wet publieke gezondheid;
j.de Wet tijdelijk huisverbod;
k.de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
l.de Zorgverzekeringswet.
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. Het college ondersteunt de jeugdige en zijn ouders actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
2De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:
a.het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of ouders of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
b.stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
c.een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
3Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:
a.de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;
b.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige en/of een ouder zoals bedoeld in artikel 12 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;
c.welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; en
d.welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.
4Als een betrokkene weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.
5Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:
a.voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en
b.de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
6Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke (andere) voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet of verlengde jeugdhulp) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
1De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door:
a.een reële prijs vast te stellen.
2De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
a.de aard en omvang van de te verrichten taken;
b.de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c.een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten;
d.kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg;
e.kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
f.cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten;
g.kosten van indexering.
3De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren vrij toegankelijke hulp in het kader van jeugdhulp, in ieder geval rekening met:
a.de marktprijs van de voorziening, en
b.de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden.
4Het eerste, tweede en derde lid geldt ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of ouders en de subsidie bedoeld is om de te verrichtte diensten volledig te betalen.
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 33. Vertrouwenspersoon
1Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
2Het college wijst jeugdigen en/of ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 34. Medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp
1Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door jaarlijkse overleggen met de aanbieders.
Artikel 35. Klachtregeling
1Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
2De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder of pleegouder in het kader van de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering conform artikelen 4.2.1, 4.2.2 en 4.2.3 van de wet.
3Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door jaarlijkse overleggen met de aanbieders.
Artikel 36. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
1Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
2Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
3Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN
Artikel 37. Hardheidsclausule
Het college kan, in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 38. Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt tweemaal per jaar geëvalueerd door middel van een halfjaarrapportage. Het college rapporteert over de bevindingen aan de gemeenteraad.
Artikel 39. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
1De Verordening Jeugdhulp gemeente Maasdriel 2024 wordt ingetrokken.
2Een jeugdige en/of zijn ouders houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Maasdriel 2024 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
3Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Maasdriel 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.
4Op bezwaarschriften tegen het besluit op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente 2024 wordt beslist met inachtneming van die verordening, tenzij toepassing van deze verordening tot een gunstiger resultaat leidt voor de jeugdige en zijn ouders.
Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2026.
2Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Maasdriel 2026.
Bijlage 1: Richtlijnen gebruikelijke hulp door ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel, per leeftijd
Referentiekader gebruikelijke zorg
Kinderen van 0 t/m 2 jaar
•Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
•Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
•Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 3 t/m 4 jaar
•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld ouder kan was ophangen in andere kamer);
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•Kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
•Hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;
•Hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
•Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
•Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Jeugdigen van 5 t/m 11 jaar
•Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
•Hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tandenpoetsen;
•Hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
•Zijn overdag zindelijk en 's nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Jeugdigen van 12 t/m 17 jaar
•Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
•Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
•Kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
•Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
•Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
•Hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18de jaar toezicht, stimulans en controle nodig;
•Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/dagbesteding;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•Hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.