Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal;
overwegende dat conform de Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeenteLeudal beleidsregels dienen te worden vastgesteld ten aanzien van de criteria voor ontheffing van de arbeidsverplichting, doelgroep en voorzieningen;
gelet op de Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Leudal;
gelet op de Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Leudal en de Algemene wet bestuursrecht:
besluit vast te stellen de “Beleidsregel re-integratie 2015 gemeente Leudal”.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
1Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in Participatiewet (PW), de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Leudal 2015, de Algemene wet bestuursrecht en boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a.arbeidsverplichting:
de verplichting als bedoeld in artikel 9, lid 1 aanhef onder a PW, artikel 37 lid 1 aanhef onder a t/m c IOAW/IOAZ;
b.bijstandsaanvrager:
een persoon die een uitkering aanvraagt op grond van de PW en IOAW;
c.dienstbetrekking:
arbeidsrelatie die is gebaseerd op een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer;
d.entreeonderwijs:
beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, lid 1 onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e.inkomstenvrijlating:
de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, aanhef en onder n PW, 8, lid 2 IOAW en 8, lid 3 IOAZ;
f.inkomstenvrijlating alleenstaande ouders:
de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikelen 31, lid 2, aanhef en onder r, PW, artikel 8, lid 5 IOAW en artikel 8, lid 9 IOAZ;
g.nkomstenvrijlating medisch urenbeperkten:
de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, sub aanhef en onder z PW;
h.inlener:
het bedrijf of de instelling waarvoor de uitkeringsgerechtigde of de jongere werkzaamheden verricht ten behoeve van de participatieplaats, de proefplaatsing of de detachering;
i.jongeren:
de uitkeringsgerechtigde of Nugger jonger dan 27 jaar;
j.ontheffing:
een ontheffing als bedoeld in artikel 9, lid 2 PW, artikel 9a, lid 1 PW, artikel 37a, lid 1 IOAW/IOAZ, artikel 38, lid 1 IOAW/IOAZ;
k.participatieplaatsen:
onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a, lid 1 PW, artikel 38a IOAW en artikel 38a IOAZ;
l.plan van aanpak:
het plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a en 9a PW;
m.praktijkonderwijs:
het onderwijs, bedoeld in artikel 10f, lid 1, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
n.re-integratieverplichting:
de verplichting als bedoeld in artikel 9, lid 1 aanhef onder b PW, artikel 37 lid 1 aanhef onder d en e IOAW/IOAZ;
o.verordening:
de re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Leudal;
p.voortgezet speciaal onderwijs:
het onderwijs dat wordt gegeven op een school of instelling waaraan voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd;
q.Wko:
de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
r.zoekperiode/inspanningsperiode:
4weken wachttijd bij jongeren als bedoeld in artikel 41 lid 4 PW en de periode van vier weken na datum melding voor een aanvraag om een bijstandsuitkering, waarin de persoon van 27 jaar of ouder moet zoeken naar werk.
HOOFDSTUK 2. ZOEKPERIODE/INSPANNINGSPERIODE VAN VIER WEKEN
Artikel 2.1 Zoekperiode/inspanningsperiode van vier weken
1De zoekperiode/inspanningsperiode van vier weken geldt voor alle bijstandsaanvragers en start vanaf datum melding voor een uitkering.
2De zoekperiode-/inspanningsverplichtingen tijdens de zoekperiode worden door het college voorafgaand schriftelijk aan de bijstandsaanvrager kenbaar gemaakt.
3De bijstandsaanvrager vanaf 27 jaar wordt na de datum melding direct in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag bij het college in te dienen en bij voorkeur tijdens één van de workshops die aangeboden worden binnen de aanvraagprocedure. De afhandelingstermijn start vanaf de datum dat het college de aanvraag om bijstand heeft ontvangen.
Artikel 2.2 Uitzonderingsgronden op de inspanningsplicht
1Het college kan een uitzondering op de inspanningsplicht maken, wanneer dit in redelijkheid en billijkheid (nog) niet van de bijstandsaanvrager kan worden gevergd.
2Uitzondering is mogelijk, indien de bijstandsaanvrager naar het oordeel van het college:
a.een medisch en/of psychisch probleem heeft;
b.een sociaal probleem heeft;
c.te maken heeft met andere persoonlijke omstandigheden, waardoor de inspanningsplicht niet gevergd kan worden;
d.een vreemdeling is die (nog) geen Nederlands spreekt;
e.in een op verpleging of verzorging gerichte instelling verblijft.
Artikel 2.3 Arbeidsverplichtingen tijdens de zoekperiode/inspanningsperiode
De bijstandsaanvrager dient tijdens de zoekperiode/inspanningsperiode van vier weken:
a.deel te nemen aan door de gemeente aangeboden workshops;
b.aanwezigheid en sollicitaties te registeren in het door het college beschikbaar gesteld werkboek;
c.zijn Curriculum Vitae (CV) actueel te maken en te houden;
d.zijn CV op www.werk.nl open te zetten en zich aan te melden voor het ontvangen van vacatures via de e-mail;
e.zich in te schrijven bij het UWV Werkbedrijf als werkzoekende;
f.iedere week minimaal drie sollicitaties te doen op vacatures waar hij redelijkerwijs op aangenomen zou kunnen worden;
g.zich in te schrijven bij tenminste 3 uitzendbureaus;
h.in zo breed mogelijke zin de media na te gaan op vacatures, waaronder begrepen het actief raadplegen van de vacaturebank van het UWV Werkbedrijf;
i.gegevens en bewijsstukken aangaande de voorgenoemde activiteiten te bewaren en om deze te overleggen bij de indiening van de aanvraag.
Artikel 2.4 Inlichtingen arbeidsverplichtingen
1De bijstandsaanvrager verstrekt gegevens en bewijsstukken die het college kunnen helpen bij de beoordeling of hij heeft voldaan aan de arbeidsverplichtingen tijdens de zoekperiode.
2Deze documenten betreffen in ieder geval:
a.bewijzen van inschrijvingen bij tenminste 3 uitzendbureaus;
b.bewijsstukken van ten minste twaalf (drie per week) gerichte sollicitaties;
c.bewijsstukken/reacties van de wervende organisaties op de sollicitaties;
d.een bijgewerkt CV.
Artikel 2.5 Scholingsplicht jongeren
1Het college verplicht de jongere zich te melden bij het Regionaal Meld- en Coördinatiecentrum (RMC) om te komen tot een advies aangaande scholing.
2Indien de jongere zich niet meldt bij het RMC, dient hij op een andere manier, dan bedoeld in lid 1, te komen tot een scholingsadvies.
Artikel 2.6 Uitzonderingsgronden op de scholingsplicht jongeren
1Het college kan een uitzondering op de scholingsplicht maken, wanneer een jongere geobjectiveerd aantoont dat hij geen regulier onderwijs kan volgen of wanneer dit in redelijkheid (nog) niet van hem gevergd kan worden. Deze uitzondering is mogelijk, indien de jongere naar het oordeel van het college:
a.een volgens een deskundige vastgesteld cognitief probleem heeft;
b.een volgens een deskundige vastgesteld medisch en/of psychisch probleem heeft;
c.een volgens een deskundige vastgesteld sociaal probleem heeft;
d.te maken heeft met andere persoonlijke omstandigheden, waardoor het verplicht volgen van onderwijs niet gevergd kan worden.
2Een uitzondering op de scholingsplicht wordt in ieder geval gemaakt als de jongere:
a.onder de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) valt;
b.(nog) geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, bijvoorbeeld doordat de jongere moet wachten tot het eerstvolgende instroommoment;
c.verblijft in een op verpleging of verzorging gerichte instelling;
d.inburgeraar is en (nog) niet beschikt over het taalniveau A2.
3De jongere verstrekt documenten waaruit moet blijken dat er vanwege onvoldoende capaciteiten en/of belemmeringen geen scholingsmogelijkheden zijn binnen het uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs.
HOOFDSTUK 3. VERPLICHTINGEN IN VERBAND MET ARBEIDSINSCHAKELING
Artikel 3.1 Ontheffing van de arbeidsplicht
1Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om bij dringende redenen een tijdelijke ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichting. De re-integratieplicht blijft echter van toepassing.
2De ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen. De periode van de ontheffing wordt bepaald door de duur van de omstandigheden die maken dat belanghebbende nog niet algemeen geaccepteerde arbeid kan aanvaarden. Steeds wordt na afloop van de periode opnieuw beoordeeld in hoeverre er dringende redenen zijn om de belanghebbende te ontheffen van de verplichting algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.
3In de volgende situaties is een ontheffing van de sollicitatieplicht mogelijk:
a.bij een alleenstaande ouder met zorgtaken voor een ten laste komend kind tot 12 jaar, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening;
b.bij een belanghebbende met medische beperkingen, voor zover deze beperkingen de arbeidsinschakeling in zijn geheel nog niet toelaten;
c.bij een belanghebbende die op sociale gronden verminderd belastbaar is, voor zover er sprake is van zodanige belemmeringen dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat belanghebbende geheel of gedeeltelijk aan de verplichtingen voldoet.
4Het college kan bij de beoordeling van de ontheffing gebruik maken van adviezen van onafhankelijke externe deskundigen.
5Het college kan besluiten een eerder verleende ontheffing in te trekken indien de gronden waarop de eerder verleende ontheffing wijzigen of zijn vervallen.
Artikel 3.2 Nadere verplichtingen
1Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen aan de belanghebbenden, waaronder begrepen een verplichting om, op advies van een arts, zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
2Onder de nadere verplichting van het eerste lid wordt ook begrepen opvolgen van de adviezen door de belanghebbende van de door het college ingeschakelde bedrijfsarts.
3Het college legt eveneens de verplichting aan belanghebbende op indien zich op verschillende leefdomeinen problemen voordoen en, die een belemmering zijn voor re-integratie, volledige medewerking te verlenen aan het oplossen van de aanwezige problemen.
HOOFDSTUK 4. ONDERSTEUNING EN VOORZIENINGEN
Artikel 4.1 Aanbod voorzieningen
1De in deze beleidsregels genoemde voorzieningen kunnen alleen worden ingezet voor zover in de verordening is bepaald dat deze voor de betreffende doelgroep kunnen worden ingezet.
2Ter voorbereiding van een zorgvuldige besluitvorming van de aan te bieden voorzieningen, kan het college diagnostische instrumenten inzetten. Daarmee kunnen de lichamelijke en mentale capaciteiten van de belanghebbende worden gemeten.
3Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor de voorziening die adequaat en toereikend is voor de arbeidsinschakeling.
4Het college kan gebruik maken van de mogelijkheid tot het instellen van:
a.budgetplafonds voor de verschillende voorzieningen binnen het door de raad gegeven kader zoals bedoeld in artikel 4, lid 1 van de verordening; en
b.een maximum aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.
Artikel 4.2 Indeling van klanten in categorieën
1Bij de invulling van de nadere regels met betrekking tot inzetten van ondersteuning en/of voorziening als bedoeld in artikel 2, lid 3 van de verordening maakt het college onderscheid tussen drie doelgroepen:
a.doelgroep 1: personen met een volledige verdiencapaciteit;
b.doelgroep 2: personen met een verminderde verdiencapaciteit;
c.doelgroep 3: personen met een maatschappelijke verdiencapaciteit.
2In bijlage I behorende bij deze beleidsregel is opgenomen welke voorzieningen voor welke doelgroepen worden ingezet.
Artikel 4.3 Plan van aanpak
1Het college stelt voor belanghebbende een plan van aanpak op.
2Het plan van aanpak bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a.een uitwerking van de ondersteuning, indien ondersteuning wordt verleend;
b.de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling (arbeids- en re-integratieverplichting) en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen
3Het plan van aanpak wordt periodiek in samenspraak met de belanghebbende geëvalueerd en indien nodig bijgesteld.
HOOFDSTUK 5. OVERIGE BEPALINGEN OVER VOORZIENINGEN
Artikel 5.1 Werkstage
1Het college kan een voorziening in de vorm van een werkstage aanbieden.
2Door de inzet van de werkstage mogen concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en mag geen onaanvaardbare verdringing van regulier werk plaatsvinden.
3De voorziening werkstage wordt ingezet voor belanghebbenden die vanwege onvoldoende startkwalificaties of ontbrekende werkervaring niet direct de stap naar een reguliere baan kunnen maken.
4Aan de werkstage zijn verder de volgende voorwaarden verbonden:
a.werken met behoud van uitkering;
b.werken bij een publiek/privaat bedrijf of instelling;
c.geen arbeidsovereenkomst en geen loonkostensubsidie;
d.maximale duur 3 maanden.
5Bij de werkstage kunnen de volgende aanvullende voorzieningen worden ingezet:
a.begeleidingskosten ten behoeve van de belanghebbende aan de werkgever;
b.vergoeding van scholingskosten;
c.aanvullende dienstverlening als ondersteuning van werkgever dan wel de belanghebbende, voor zover dit noodzakelijk geacht wordt voor een succesvol traject gericht op duurzame arbeidsinschakeling.
Artikel 5.2 Proefplaatsing
1Het college kan een voorziening, in de vorm van een proefplaatsing inzetten om de werkgever te stimuleren de belanghebbende een arbeidsovereenkomst aan te bieden.
2Bij proefplaatsing verricht de belanghebbende onbeloonde werkzaamheden met behoud van uitkering.
3De overige voorwaarden voor proefplaatsing zijn het volgende:
a.de belanghebbende inde proefplaatsing verricht minimaal 12 uur per week onbeloonde werkzaamheden;
b.de werkgever spreekt een schriftelijke intentie uit om de belanghebbende ná de periode van proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden voor minimaal 12 uur per week en met een minimale duur van zes maanden;
c.de werkgever voert tijdens de proefplaatsing goed werkgeverschap en draagt zorg voor het afsluiten van een WA-verzekering voor de belanghebbende en een werkplek die voldoet aan de eisen die de Arbowet aan de werkgever stelt.
4In de overeenkomst wordt de duur en het aantal uren dat de belanghebbende arbeid dient te verrichten vastgelegd.
5Het college kan, onverminderd artikel 17 van de verordening de proefplaatsing onmiddellijk beëindigen indien het college constateert dat aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 5.2 niet voldaan is of wordt.
Artikel 5.3 Arbeidsontwikkeltraject
1Het college kan een arbeidsontwikkeltraject aanbieden ter bevordering van werknemersvaardigheden ter voorbereiding op een regulier dienstverband met of zonder loonkostensubsidie.
2Een arbeidsontwikkeltraject is gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt door middel van het opdoen van werkervaring en het aanleren van werknemersvaardigheden.
3Een arbeidsontwikkeltraject heeft een maximale duur van 12 maanden.
4Deze termijn kan telkens 12 maanden worden verlengd.
Artikel 5.4 Sociale activering
1Het college kan sociale activering aanbieden ter bevordering van arbeidsparticipatie gericht op maatschappelijke participatie.
2Sociale activering heeft een maximale duur van twaalf maanden.
3Deze termijn kan telkens met 12 maanden worden verlengd.
Artikel 5.5 Scholing alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar
1Het college dient aan de alleenstaande ouder met een ontheffing van de arbeidsplicht, als bedoeld in artikel 9a, lid 1 Participatiewet, scholing aan te bieden. Scholing kan ook omscholing inhouden.
2Voor de alleenstaande ouder zonder startkwalificatie is de aangeboden scholing bedoeld in lid 1 minimaal op het niveau van een startkwalificatie.
3Voor de alleenstaande ouder die reeds in het bezit is van een startkwalificatie kunnen ook kortdurende opleidingen, stages of vrijwilligerswerk als instrument worden ingezet om de aansluiting met een eerder afgeronde opleiding of met een eerdere baan te behouden.
Artikel 5.6 Participatieplaats
1Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om, aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder, participatieplaatsen aan te bieden.
2De participatieplaats dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a.de uitkeringsgerechtigde verricht minimaal 12 uur per week onbeloonde additionele werkzaamheden;
b.de inlener voert goed werkgeverschap en draagt zorg voor het afsluiten van een WA-verzekering voor de uitkeringsgerechtigde.
3Het college beoordeelt:
a.of de participatieplaats bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde; en
b.of voortzetting van de participatieplaats, met het oog op in de persoonsgelegen factoren, zijn kans op arbeidsinschakeling aanmerkelijk verbetert.
4Na negen maanden na aanvang van de participatieplaats, oordeelt het college conform lid drie van dit artikel over voortzetting van de participatieplaats.
5Het college verlengt de participatieplaats tot maximaal 24 maanden, indien het college, bij uitvoering van het tweede lid van dit artikel, van oordeel is dat de participatieplaats de arbeidsmarktkansen van de uitkeringsgerechtigde vergroot.
Artikel 5.7 Detachering
1Het college kan een voorziening in de vorm van detachering inzetten om de werkervaring van de uitkeringsgerechtigde of de jongere te vergroten, met als doel uitstroom naar de reguliere arbeid te bevorderen.
2Bij detachering is de kandidaat in dienst van de uitvoerende organisatie en verricht werkzaamheden tegen een inleenvergoeding.
Artikel 5.7a Hoogte en duur van de vergoeding voor detachering
1Het college betaalt de uitvoerende organisatie een vergoeding voor de detachering, mits voldaan is aan de voorwaarden zoals benoemd in artikel 5.7b.
2De vergoeding van de detachering, als benoemd in het eerste lid, is de brutoloonsom.
3De duur van de vergoeding voor detachering is maximaal een jaar en niet langer dan de duur van de arbeidsovereenkomst.
4De uitvoerende organisatie dient hiervoor de gemotiveerde aanvraag voor verlenging van de vergoeding van detachering, minimaal 2 maanden voor het einde van de arbeidsovereenkomst met de kandidaat, in bij het college.
5Het college kan de duur van de vergoeding met maximaal 12 maanden verlengen.
Artikel 5.7b Voorwaarden van de vergoeding voor detachering
1De uitvoerende organisatie en de werknemer gaan een arbeidsovereenkomst aan met een minimale duur van zes maanden.
2De uitvoerende organisatie betaalt het geldende minimumloon aan de werknemer.
3De uitvoerende organisatie sluit een inleenovereenkomst voor de individuele werknemer met een inlenende organisatie waarin het aantal uren en de duur van de arbeidsovereenkomst opgenomen zijn.
4De inlenende werkgever betaalt het eerste jaar een inleenvergoeding van minimaal 30% van het minimumloon. In het tweede jaar bedraagt de inleenvergoeding minimaal 50% van het minimumloon.
Artikel 5.8 Beschut werk
(Gereserveerd voor nadere uitwerking vóór 1-1-2016)
Artikel 5.9 No-riskpolis
1De no-riskpolis zoals aangeboden door het UWV kan enkel worden ingezet voor de doelgroep garantiebanen. Indien de belanghebbende, met een verhoogd verzuimrisico, niet tot de doelgroep garantiebanen behoort, kan het college besluiten op andere wijze compensatie te bieden voor verzuimrisico.
2De no-riskpolis kan worden ingezet in combinatie met loonkostensubsidie of in aansluiting op proefplaatsing.
3Wanneer het de no-riskpolis van het UWV betreft, doet de werkgever de ziek- en betermelding zowel naar het UWV als naar het college. Op basis van deze melding schort het college, gedurende de ziekteperiode, de loonkostensubsidie aan de werkgever op. Na betermelding wordt de loonkostensubsidie opnieuw betaalbaar gesteld.
Artikel 5.10 Loonkostentegemoetkoming gericht op re-integratie
1Het college kan een loonkostentegemoetkoming verstrekken aan een werkgever om daarmee het opdoen van werkervaring of de overgang naar een reguliere functie bij betreffende werkgever of een andere werkgever voor belanghebbende mogelijk te maken.
2De loonkostentegemoetkoming wordt slechts verstrekt als de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met de kwetsbare uitkeringsgerechtigde of de jongere voor de duur van tenminste zes maanden en deze overeenkomst daadwerkelijk van kracht is.
Artikel 5.10a Hoogte van de loonkostentegemoetkoming
De hoogte van de loonkostentegemoetkoming bedraagt:
a.maximaal € 500, - per maand voor een dienstbetrekking van minimaal 36 uur per week, waarbij de totale loonkostentegemoetkoming per uitkeringsgerechtigde of jongere per werkgever maximaal € 3.000, - kan bedragen;
b.maximaal € 400, - per maand voor een dienstbetrekking van 28 tot 36 uur per week, waarbij de totale loonkostentegemoetkoming per uitkeringsgerechtigde of jongere per werkgever maximaal € 2.400, - kan bedragen;
c.maximaal € 300, - per maand voor een dienstbetrekking van 20 tot 28 uur per week, waarbij de totale loonkostentegemoetkoming per uitkeringsgerechtigde of jongere per werkgever maximaal € 1.800, - kan bedragen;
d.maximaal € 150, - per maand voor een dienstbetrekking van 12 tot 20 uur per week, waarbij de totale loonkostentegemoetkoming per uitkeringsgerechtigde of jongere per werkgever maximaal € 900, - kan bedragen.
Artikel 5.10b Duur van de loonkostentegemoetkoming
1De loonkostentegemoetkoming wordt niet langer dan voor de duur van de arbeidsovereenkomst toegekend met een maximum van zes maanden.
2De loonkostentegemoetkoming wordt maandelijks toegekend aan de werkgever door het college.
Artikel 5.10c Aanvraag loonkostentegemoetkoming
1De loonkostentegemoetkoming kan verstrekt worden aan alle bedrijven en instellingen zonder dat hierbij een beperking geldt ten aanzien van gemeente, provincie- of landsgrenzen.
2De aanvraag van de loonkostentegemoetkoming wordt schriftelijk ingediend door de werkgever door middel van het “aanvraagformulier loonkostentegemoetkoming” uiterlijk binnen een maand na aanvang van de arbeidsovereenkomst.
3De aanvraag als bedoeld in lid 2 wordt vergezeld van een door de uitkeringsgerechtigde of de jongere en werkgever ondertekende arbeidsovereenkomst.
Artikel 5.10d Vaststelling en betaling loonkostentegemoetkoming
1Het college stelt de loonkostentegemoetkoming vast nadat de afgesproken periode waarover loonkostentegemoetkoming wordt verstrekt, is verstreken.
2Het definitieve recht wordt vastgesteld op basis van het feitelijke aantal gewerkte uren door de uitkeringsgerechtigde of de jongere. Het feitelijk aantal gewerkte uren wordt bepaald aan de hand van de loonspecificaties van de uitkeringsgerechtigde of de jongere.
3Binnen een maand na vaststelling, zoals genoemd in lid 1, wordt de loonkostentegemoetkoming uitbetaald aan de werkgever.
4Het college verstrekt op verzoek van de werkgever maandelijks of per kwartaal een voorschot op de loonkostentegemoetkoming.
Artikel 5.11 Persoonlijke ondersteuning (jobcoach)
1Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde dan wel aan de persoon die direct voorafgaande aan zijn dienstverband uitkeringsgerechtigde was, of aan een jongere, persoonlijke ondersteuning aanbieden.
2De jobcoach ondersteunt met een persoonlijk trainings- of inwerkprogramma en/of verzorgt de begeleiding/nazorg op de werkvloer.
3De jobcoach begeleidt ook de werkgever.
Artikel 5.12 Ondersteuning bij leer-werktraject
1Het college kan ondersteuning bij leer-werktraject aanbieden aan personen van:
a.16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht nog niet is geëindigd; of
b.18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald; en
c.voor zover deze ondersteuning, naar het oordeel van het college, nodig is voor het volgen van een leer-werktraject.
2De ondersteuning als bedoeld in lid 1 kan worden geboden in de vorm van:
a.assessment of onderzoek t.a.v. werknemersvaardigheden;
b.onderzoek in welke sector, branche, beroepsrichting een leerwerktraject mogelijk is;
c.plan van aanpak met doelstelling t.a.v. ontwikkelen van werknemersvaardigheden, beroepsvaardigheden en uitstroom; of
d.inzet branche gerichte opleiding.
Artikel 5.12a Duur van de ondersteuning
De ondersteuning bij leer-werktraject duurt maximaal 6 maanden. In incidentele gevallen kan deze termijn eenmaal worden verlengd.
Artikel 5.13 Vergoedingen
1Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten die een uitkeringsgerechtigde of een jongere moet maken in het kader van een re-integratietraject, voor zover deze naar het oordeel van het college noodzakelijk is om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.
2Het college betrekt bij zijn oordeel over de noodzaak:
a.het belang van de te maken kosten in verband met de re-integratie van de belanghebbende; en
b.de beschikbaarheid van de voorliggende voorzieningen.
3Voor de volgende vergoedingen kan een uitkeringsgerechtigde of een jongere in aanmerking komen:
a.Reiskosten voor een re-integratietraject en inburgering: indien de fietsafstand meer dan 10km enkele reis betreft, kan er aanspraak worden gemaakt op het goedkoopste openbaar vervoertarief. Indien het openbaar vervoer niet mogelijk is, kan een kilometervergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer (op basis van de kortste route in de routeplanner van de ANWB) worden verstrekt;
b.Aanschaf van een vervoermiddel, bijvoorbeeld een fiets. Hierbij geldt een maximum van € 100. Deze vergoeding wordt eenmalig verstrekt;
c.Reiskosten inburgering worden beperkt tot 1 jaar, waarbij de verplichting wordt opgelegd om binnen 1 jaar het inburgeringsdiploma te halen.
Artikel 5.14 Premie
1Bij deelname aan een traject bij het serviceteam Leudal voor tenminste 8 uur per week, wordt door burgemeester en wethouders aan een belanghebbende uit de doelgroep die een uitkering van de gemeente ontvangt, eenmaal per jaar een premie verstrekt.
2De hoogte van de premie bedraagt € 250,00 per jaar.
3De premie wordt ambtshalve toegekend op grond van de uren die met belanghebbende zijn overeengekomen door de organisatie die deze trajecten inzet. Daarbij wordt de hoogte van de premie gebaseerd op elke maand dat wordt deelgenomen aan het traject. Indien een deelnemer langer dan 1 maand ziek is, bestaat over de totale periode van ziekte geen recht op premie. Eventuele weken van verlof tellen wel als een periode waarin wordt deelgenomen aan het traject.
HOOFDSTUK 6. LOONKOSTENSUBSIDIE
Artikel 6.1 Doelgroep loonkostensubsidie
1Het college oordeelt dat de personen als bedoeld in de onderstaande opsomming in ieder geval tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren, voor zover deze personen niet in staat zijn zelfstandig het wettelijk minimumloon te verdienen:
a.personen met een indicatie voor de Wsw, maar geen dienstverband binnen de Wsw hebben;
b.personen die voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs of entreeonderwijs hebben gevolgd;
c.personen die een aanvraag voor de Wajong 2015 hebben gedaan, maar wiens aanvraag is afgewezen omdat ze over arbeidsvermogen beschikken;
d.personen met een medische urenbeperking en een extra beperking per uur dat ze kunnen werken (voor deze vaststelling is een advies van het UWV benodigd);
e.personen die verblijven in een begeleid wonen instelling vanwege een lichamelijke of verstandelijke beperking;
f.personen die via de (nieuwe) voorziening beschut werk aan het werk gaan (na indicatiestelling voor de doelgroep beschut werk door het UWV); en
g.personen die een indicatie hebben gekregen van het UWV voor de doelgroep banenafspraak.
2In de gevallen waarin een persoon niet tot één van de bovenstaande doelgroepen behoort, kan het college advies inwinnen bij een door het college aangewezen externe uitvoerende organisatie (Werk.Kom) met betrekking tot het oordeel of deze persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.
Artikel 6.2 Voorwaarden loonkostensubsidie en loonwaardebepaling
1Het college kan loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever indien de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met de belanghebbende voor de duur van tenminste zes maanden en voor tenminste 12 uur per week.
2Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast met behulp van het loonwaardebepalingssysteem van Matchcare. De loonwaarde wordt vastgesteld op de werkplek voordat een dienstbetrekking met de werkgever wordt aangegaan, met uitzondering van lid 4 van dit artikel.
3De aanvraag van de loonwaardebepaling kan schriftelijk worden ingediend door de werkgever door middel van het “aanvraagformulier loonwaardebepaling en loonkostensubsidie”.
4Bij directe plaatsing, zonder proefplaatsing, kan de aanvraag voor loonwaardebepaling en loonkostensubsidie tot uiterlijk twee maanden na aanvang van het dienstverband worden ingediend.
Artikel 6.3 Vaststelling en betaling loonkostensubsidie
1Het college stelt jaarlijks de loonwaarde en de hoogte van de loonkostensubsidie schriftelijk vast in een beschikking aan de werkgever. Wordt de loonkostensubsidie ingezet bij de voorziening beschut werk, dan worden de loonwaarde en de hoogte van de loonkostensubsidie eenmaal per drie jaar vastgesteld.
2De loonkostensubsidie wordt vastgesteld met ingang van de datum waarop het dienstverband is ingegaan. Deze dag ligt niet voor de dag waarop de loonkostensubsidie is aangevraagd.
3De uitbetaling van de loonkostensubsidie vindt maandelijks plaats nadat door de werkgever de loonstrook van die betreffende maand is overgelegd.
Artikel 6.4 Verplichtingen van de werkgever en terugvordering
1De werkgever is verplicht om (voortijdige) beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen een maand aan het college te melden.
2De werkgever is verplicht om ziekte van de werknemer, die tot de doelgroep garantiebanen behoort, op de dag van ziekmelding aan het college te melden, zodat de loonkostensubsidie kan worden stopgezet.
3De werkgever is voorts verplicht de juiste informatie te verstrekken, ofwel wijzigingen ten opzichte van eerder verstrekte informatie aan het college door te geven.
4Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen worden door het college teruggevorderd op grond van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK 7. INKOMSTENVRIJLATING
Artikel 7.1 Toepassing inkomstenvrijlating
1Het college past de inkomstenvrijlating toe bij eerste werkaanvaarding tijdens de uitkeringsperiode.
2Van een eerste werkaanvaarding – genoemd in lid 1 – is eveneens sprake indien de bestaande arbeidsuren uitgebreid worden met minimaal 3 uur per week. De vrijlating geldt dan voor alle inkomsten uit arbeid en niet slechts voor de nieuw gegenereerde inkomsten.
3In afwijking van het eerste en tweede lid, wordt geen inkomstenvrijlating toegepast over inkomsten die door belanghebbende zijn verzwegen en waarbij het te veel of ten onrechte verstrekte uitkering alsnog door het college wordt teruggevorderd of verrekend.
Artikel 7.2 Inkomstenvrijlating alleenstaande ouders
Het college past de inkomstenvrijlating alleenstaande ouders toe indien:
a.de alleenstaande ouder de volledige zorg heeft voor een ten laste komend kind tot 12 jaar;
b.de periode van zes maanden van inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 5.1 is verstreken; en
c.een volledige uitstroom naar werk (nog) niet haalbaar is.
Artikel 7.3 Uitsluiting
Geen recht op een inkomstenvrijlating en inkomstenvrijlating alleenstaande ouders bestaat als een uitkeringsgerechtigde:
a.inkomsten uit illegale arbeid verworven heeft;
b.de inlichtingenplicht niet is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededeling van inkomsten uit arbeid te doen;
c.binnen 6 maanden na beëindiging van de uitkering weer een beroep op uitkering doet en in de uitkeringsperiode voorafgaand aan de beëindiging een inkomstenvrijlating gedurende de maximale periode is toegepast.
d.jonger is dan 27 jaar (artikel 31, lid 7 van de Participatiewet).
Artikel 7.4 Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating
1De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 7.1 en artikel 7.2 wordt één maal per uitkeringsperiode toegekend.
2Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt:
a.de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet;
b.de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente reeds werd verstrekt;
c.de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm of hoogte ivm kostendelersnorm wordt voortgezet.
Artikel 7.5 De toekenning
1Het college besluit ambtshalve dat er recht bestaat op een inkomstenvrijlating als aan de voorwaarden is voldaan.
2De inkomstenvrijlating wordt toegepast over de maand van aanvang van de werkzaamheden.
Artikel 7.6 Beëindiging en terugvordering
1Het college beëindigt de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 7.1 en 7.2 als de vrijlating is toegepast op grond van door de uitkeringsgerechtigde onjuiste en/of onvolledige verstrekte informatie.
2Het college vordert de ten onrechte verstrekte bijstand of uitkering terug.
Artikel 7.7 Toepassing inkomstenvrijlating medisch urenbeperkten
1Het college past de inkomstenvrijlating voor medisch urenbeperkten toe nadat is vastgesteld dat iemand daadwerkelijk medisch urenbeperkt is.
2De beoordeling van de medische urenbeperking wordt uitgevoerd door het UWV.
3De toepassing van deze inkomstenvrijlating heeft een structureel karakter.
4Deze vrijlating kan niet worden toegepast in combinatie met de vrijlatingen genoemd onder artikel 7.1 en 7.2.
HOOFDSTUK 8. KINDEROPVANG
Artikel 8.1 Tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
1Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van artikel 1.13 van de Wko een tegemoetkoming te verstrekken aan een uitkeringsgerechtigde ouder als aanvulling op de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. (Dus als iemand geen kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst krijgt, krijgt hij/zij ook geen tegemoetkoming van ons?)
2Een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wordt verstrekt indien:
a.de kinderopvang naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de scholing of re-integratie van de uitkeringsgerechtigde;
b.de kinderopvang voldoet aan de bepalingen genoemd in de Wko;
c.de kinderopvang betrekking heeft op een ten laste van de ouder komend kind.
3In afwijking van het gestelde in lid 2 kan het college een tegemoetkoming verstrekken aan een alleenstaande ouder, voor de duur van maximaal zes maanden, indien:
a.de ouder een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ heeft ontvangen; en
b.is uitgestroomd door het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan wel het vestigen als zelfstandige ondernemer.
4Een ouder en diens partner worden voor de toepassing van deze beleidsregels geacht gezamenlijk één aanspraak op een tegemoetkoming te hebben.
Artikel 8.2 Hoogte en duur van de tegemoetkoming
1De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de kosten van de kinderopvang per kind die worden bepaald door:
a.het aantal uren kinderopvang per kind dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is;
b.de voor de kinderopvang te betalen uurprijs;
c.soort kinderopvang.
2Bij de berekening van de tegemoetkoming wordt gerekend met het maximale uurtarief voor kinderopvang dat jaarlijks door de Belastingdienst wordt vastgesteld.
3In afwijking van het gestelde in lid 2 wordt bij de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming uitgegaan van de werkelijke kosten als er naar het oordeel van het college geen adequate kinderopvang beschikbaar is tegen een uurtarief zoals bedoeld in lid 2.
4Het college verleent de tegemoetkoming zolang de scholing of het traject gericht op arbeidsinschakeling duurt.
Artikel 8.3 Ingangsdatum van de tegemoetkoming
1Het college stelt de ingangsdatum van de tegemoetkoming vast op de dag waarop de scholing of het traject gericht op arbeidsinschakeling begint, of zoveel later als de kinderopvang daadwerkelijk begint.
2In afwijking van lid 1 kan het college de ingangsdatum van de tegemoetkoming vaststellen op een datum, gelegen voor de dag waarop de scholing of het traject gericht op arbeidsinschakeling is begonnen, als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is om tijdige plaatsing bij het kindercentrum of gastouderbureau te realiseren.
Artikel 8.4 Uitbetaling
1De tegemoetkoming wordt in maandelijkse termijnen rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvangorganisatie, op basis van een door de ouder afgegeven machtiging.
2De tegemoetkoming wordt betaald op basis van een factuur.
HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN
Artikel 9.1 Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel Re-integratie 2015 gemeente Leudal”.
Bijlage 1 Schema re-Integratieinstrumenten en doelgroepen
Regeling
Instrument
Doelgroep
Omschrijving
Verordening
Art. 5 ver.
Werkstage
2en 3
Belanghebbende die nog niet actief is geweest op en met afstand tot de arbeidsmarkt
Art. 5a. ver.
Proefplaatsing
1en 2
Doel is werkervaring opdoen in toekomstige functie en ervaren of baan passend is en om werkgever te bewegen om in dienst te nemen.
Art. 5b. ver.
Arbeidsontwikkeltraject
2en 3
Uitkeringsgerechtigde of jongere die nog niet actief is geweest met afstand tot de arbeidsmarkt
Art. 6 ver.
Sociale activering
2en 3
Uitkeringsgerechtigde of jongere met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Art. 7 ver.
Scholing
1en 2
Uitkeringsgerechtigde of jongere. Scholing moet bijdragen aan het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt. Het gaat om incidentele kortdurende goedkope opleidingen.
Art. 8 ver.
Participatieplaats
2en 3
Uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder; het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken staan centraal.
Art. 9 ver.
Scholing gedurende participatieplaats
2en 3
Uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder die werkt in participatieplaats.
Art. 10 ver.
Detachering
1en 2
Uitkeringsgerechtigde of jongere
Art. 11 ver.
Beschut werk
1, 2 en 3
Belanghebbende (ook nugger) die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij deze in dienst neemt.
Art. 12 ver.
No risk polis
1en 2
Uitkeringsgerechtigde of jongere die werk heeft gekregen.
Art. 13 ver.
Loonkostentegemoetkoming
1en 2
Kwetsbare uitkeringsgerechtigde of jongere die:
Voorafgaand aan indienstneming gedurende 6 maanden geen betaalde werkzaamheden heeft verricht; ofGeen startkwalificatie bezit; ofOuder is dan 50 jaar; ofAlleenstaande ouder is.
Art. 14 ver.
Persoonlijke ondersteuning/jobcoach
1en 2
Uitkeringsgerechtigde of jongere.
Art. 15 ver.
Overige
1, 2 en 3
-
Leer-werktrajecten
Jongeren zonder startkwalificatie
Verordening LKS
Loonkostensubsidie
1en 2
Belanghebbende (ook nugger) die door een arbeidsbeperking een verlaagde loonwaarde heeft en niet het WML kan verdienen.
Wet
Inkomstenvrijlating
1en 2
Uitkeringsgerechtigde
Beleid
Kinderopvang
1en 2
Uitkeringsgerechtigde of jongere