Gemeentelijke regelgeving

Leidraad heffing gemeentelijke belastingen Land van Cuijk 2024

Gemeente Land van Cuijk · geldt sinds 8 februari 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk,

Overwegende dat het wenselijk is om voor de uitvoering van de heffing van gemeentelijke belastingen de uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen en diverse beleidsregels op dit terrein opnieuw vast te stellen voor de nieuwe gemeente Land van Cuijk;

gelet op de volgende wetgeving en andere regelingen behorende bij:

Hoofdstuk 1 van deze leidraad

•op de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

•op de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990 in verbinding met de artikelen 231, tweede lid, onderdeel a, en derde lid , en 237 van de Gemeentewet;

•op artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet;

•op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht

•alsmede op het betreffende artikel in de voor de gemeente Land van Cuijk geldende belastingverordeningen, waarin aan het college de bevoegdheid is toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen.

Hoofdstuk 2 van deze leidraad

•op het artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

•op de artikelen 231, en 244 van de Gemeentewet juncto artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Hoofdstuk 3 van deze leidraad:

•op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht,

•op artikel 253 van de Gemeentewet,

•op het bepaalde over de belastingplicht in de verordening onroerendezaakbelastingen, baatbelasting, rioolheffing, reinigingsheffingen, liggelden woonschepen, reclamebelasting en Bedrijfsinvesteringszone (BIZ).

Hoofdstuk 4 van deze leidraad

•op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht,

•op hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken,

•op hoofdstuk 3 “Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie” opgenomen in deze leidraad.

Besluit:

1Met ingang van de in lid 3 hierna genoemde datum van inwerkingtreding, vervallen te verklaren de eerder door de voormalige gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis vastgestelde uitvoeringsregelingen gemeentelijke belastingen alsmede de door diezelfde voormalige gemeenten eerder vastgestelde beleidsregels met betrekking tot:

a.het toekennen van een proceskostenvergoeding

b.ambtshalve verminderingen

c.bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen

d.aanwijzen belastingplichtige in een keuzesituatie

e.aanwijzen WOZ-belanghebbende in een keuzesituatie

f.verlenging grafrechten gemeentelijke begraafplaatsen;

met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2Vast te stellen de Leidraad heffing gemeentelijke belastingen Land van Cuijk 2024.

3Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

Hoofdstuk 1 Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen

Artikel 1 Algemene bepaling

1Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen in de belastingverordeningen van de gemeente Land van Cuijk op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen.

2Voor de toepassing van deze regeling worden rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.

3De op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen bedoeld in artikel 233 van de Gemeentewet, worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder de aanslag of de voorlopige aanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde bedrag. Artikel 2 blijft bij de op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen buiten toepassing.

Artikel 2 Aangifte

1De belastingplichtige voor de rioolheffing, de scheepvaartrechten en de toeristenbelasting aan wie niet binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van die zes maanden bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet.

2Formulieren voor het doen van aangifte worden door de aangewezen heffingsambtenaar separaat vastgesteld.

3Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden ingevuld. Het aangiftebiljet wordt ondertekend en met de daarbij gevraagde bescheiden ingeleverd of toegezonden.

Artikel 3 Gebruik nachtverblijfregister ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting

Bij de vaststelling van feiten ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar het door belastingplichtige bijgehouden nachtverblijfregister raadplegen.

Artikel 4 Regels voor ontheffing verplichting tot het toevoegen van een accountantsverklaring bij de aangifte toeristenbelasting en gebruik nachtverblijf register.

1Bij de aangifte dient een verklaring, van een accountant, die is ingeschreven in het accountantsregister, zoals bedoeld in de Wet op de Accountants-administratieconsulenten, te worden gevoegd, waaruit blijkt dat de aangegeven ontvangen vergoedingen in overeenstemming zijn met de maatstaf van heffing zoals bedoeld in de geldende verordening toeristenbelasting.

2Aangezien de kosten van bedoelde accountantsverklaring voor de belastingplichtige in een redelijke verhouding moeten staan tot de verschuldigde belasting zal het college, op verzoek van de belastingplichtige, ontheffing van deze verplichting verlenen, onder de hierna aangegeven voorwaarden, aan de belastingplichtige wiens vergoedingen, in betreffend belastingjaar, minder bedragen dan € 300.000,00.

3De in lid 2 bedoelde ontheffing wordt verleend onder de volgende voorwaarden;

a.De belastingplichtige overlegt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de gegevens waaruit de aangegeven ontvangen vergoedingen blijken aan het college dan wel aan een door het college aangewezen ambtenaar belast met de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen.

b.De gegevens als bedoeld onder a. zijn de gegevens uit het nachtverblijfregister, indien belastingplichtige uit hoofde van artikel 2.3.2.3. van de Algemene Plaatselijke Verordening verplicht is een nachtverblijfregister bij te houden, dan wel de gegevens uit de administratie die gevoerd wordt uit hoofde van artikel 52 van de Algemene wet rijksbelastingen.

Artikel 5 Voorlopige aanslag

1De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

2De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan voor de toeristenbelasting, de scheepvaartrechten en de rioolheffingen geschieden op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over, dan wel met betrekking tot het meest recente tijdvak of kalenderjaar, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag.

Artikel 6 Rente

1Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen vinden de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 29 van de Invorderingswet 1990 en de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990 overeenkomstige toepassing.

2In afwijking van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht indien deze in totaal een bedrag van € 100,00 niet te boven gaat.

Artikel 7 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Land van Cuijk 2024.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.