Aanhef
De gemeenteraad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam,
Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;
Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;
besluit de volgende regels vast te stellen:
Beleidsnota uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang Hardinxveld-Giessendam, 2022
gelezen het voorstel van 17 mei 2022 en 2022-0054792;
overwegende dat,
het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen omtrent de gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang om uitvoering te geven:
•toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;
•aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen;
•te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving;
b e s l u i t de volgende beleidsregel vast te stellen:
Beleid uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang Hardinxveld-Giessendam, 2022
Bijlage 1 Toelichting op de hoofdstukken 4, 5 en 6.
Hoofdstuk 4. Toezicht
4.2. Risicogestuurd en onaangekondigd toezicht
In deze paragraaf wordt aangegeven dat de onderzoeken in principe onaangekondigd plaatsvinden.
4.4. Schriftelijk bevel
Het schriftelijk bevel is een handhavingsmiddel van de toezichthouder. De toezichthouder kan dit middel enkel inzetten indien tijdens een onderzoek een situatie bestaat waarin de kwaliteit van de opvang of het gastouderbureau zodanig tekort schiet, dat het nemen van maatregelen niet kan wachten tot er een rapport is opgesteld en het college de handhaving kan gaan inzetten. Met andere woorden, er moet nu iets gebeuren omdat voortduren, kinderen in gevaar brengt. De aangetroffen situatie is van dien aard, dat ook een herstelaanbod teveel tijd zal kosten.
Hoofdstuk 5. Aanvraag tot exploitatie
5.1. Nieuwe voorziening
In deze paragraaf wordt in de basis uitgelegd hoe de aanvraag wordt ingediend en behandeld.
5.1.1. Illegale kinderopvang
Elke kinderopvangvoorziening moet toestemming hebben van de gemeente om te mogen exploiteren en geregistreerd zijn in het LRK. Als dit niet het geval is dan is er sprake van illegale kinderopvang. Illegale opvang is grond voor een bestuurlijke boete. Of deze wordt opgelegd door de gemeente en wat het bedrag ervan is bepaalt de gemeente. Omdat het een economisch delict betreft moet de gemeente als zij gaat straffen (beboeten) éérst hierover afstemmen met het Openbaar Ministerie (OM). De gemeente geeft aan het OM door dat dit delict heeft plaatsgevonden en verzoekt hen om óf zelf te gaan vervolgen en de gemeente daarover te berichten, of de gemeente te laten weten dat men de afhandeling aan de gemeente overlaat. In het laatste geval, of indien de gemeente 13 weken na haar bericht aan het OM geen reactie ontvangen heeft, kan de gemeente zelf de procedure van de bestuurlijke boete in gang zetten.
5.2. Houderwijziging
De gemeente houdt het belang van de continuïteit van de opvang – en daarmee het belang van ouders – goed in de gaten, door bij een overname goed regie te voeren. Zo kan de overname zo soepel en snel mogelijk worden afgehandeld. Een houderwijziging wordt ingediend als wijziging maar moet worden afgehandeld als een aanvraag.
Hoofdstuk 6. Handhaving
6.1. Preventie
Bij deze middelen kan de gemeente kiezen wat zij doet (en of de gemeente hier inzet voor levert) om overtredingen te voorkomen. Bijkomstigheid is dat de gemeente hiermee een goede relatie kan opbouwen met de houders. De gemeentelijke preventieve middelen zijn niet verplicht. Het zijn opties waar de gemeente voor kan kiezen om te voorkomen dat er overtredingen van de kwaliteitseisen optreden en de gemeente moet ingrijpen.
6.2. Maatwerk in handhaving
6.2.1. Herstellend en/of bestraffend handhaven
Er zijn twee lijnen in handhaving. Herstellend en bestraffend. De gemeente zal bij een nog openstaande overtreding altijd aansturen op herstel. Hiervoor is een aantal middelen beschikbaar. Daarnaast kan de gemeente ook straffen door middel van de bestuurlijke boete.
6.2.2. Escalatieladder
In deze paragraaf geeft de gemeente aan hoe de escalatie van handhaving in de basis zal verlopen. Gemeente Hardinxveld-Giessendam start de handhaving in principe met een aanwijzing. Wanneer dit onvoldoende effect heeft, kan daarna een last onder dwangsom ingezet worden, gevolgd door een exploitatieverbod en als ultieme handhavingsmaatregel het intrekken van toestemming tot exploitatie.
6.2.3. Handhavingsafwegingen
Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of en zo ja welke actie nodig is.
Voor de herstellende handhaving zijn dit de volgende afwegingen:
-Wat is de ernst van de overtreding?
Heeft de overtreding direct gevolgen voor de dagelijkse opvangpraktijk en de veiligheid, gezondheid of het welbevinden van de kinderen in de opvang? Of is er sprake van een overtreding met name gericht op beleidsvoering of administratieve eisen die moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang.
-Wat is de aard van de overtreding?
Er wordt onderscheid gemaakt tussen overtredingen die gelet op hun aard gemakkelijk op korte termijn herhaald kunnen worden en overtredingen die na herstel gewoon hersteld zijn. Bij overtredingen met een herhaalkans op korte termijn kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de dagelijkse inzet van beroepskrachten. Een voorbeeld van een overtreding waar na herstel weinig herhaalkans is op korte termijn, is een pedagogisch beleidsplan. Immers als het product eenmaal aangepast is, is de overtreding meteen “blijvend” verholpen en is er weinig risico op herhaling.
-Hoeveel overtredingen zijn er?
Als er erg veel overtredingen tegelijk zijn, dan wordt de afweging gemaakt of er alles bij elkaar nog sprake is van verantwoorde kinderopvang. Als dat niet het geval is, dan zal de handhaving sneller richting een (tijdelijk) exploitatieverbod kunnen gaan.
Veel overtredingen ineens is mede bepalend voor de keuze voor de in te zetten handhavingsactie en het afstemmen van hersteltermijnen op de situatie.
-Heeft het begaan van de overtreding een financieel voordeel?
Het inzetten van te weinig personeel bijvoorbeeld heeft een directe financieel voordeel voor de houder. Bij deze overtreding kan handhaving met een financiële component (last onder dwangsom of boete) ervoor zorgen dat de houder een prikkel krijgt om daadwerkelijk over te gaan tot herstel van de kwaliteit.
-Betreft het een herhaalde overtreding?
De gemeente hecht aan veilige en gezonde kinderopvang. Daarbij is het voorkomen van overtredingen van groot belang. Daar dient een ieder in de kinderopvang naar te streven. De gemeente beseft dat er weleens sprake kan zijn van een overtreding, maar gaat er daarbij van uit dat de houder direct maatregelen treft gericht op een zo spoedig mogelijk herstel van de overtreding.
De gemeente is dan ook extra streng in geval van herhaalde overtreding van dezelfde eis (recidive). In geval van recidive zal de gemeente zwaarder sanctioneren. Er zal een kortere hersteltermijn worden gehanteerd en/of een zwaardere handhavingsmaatregel worden ingezet. In geval van een boete zal het boetebedrag verhoogd worden.
6.2.4. Hersteltermijn / begunstigingstermijn
De gemeente geeft de overtreder altijd een redelijke termijn om een overtreding te herstellen. Bij een last onder dwangsom heet de hersteltermijn de begunstigingstermijn. De hersteltermijn zal met deze uitgangspunten bij elk handhavingsbesluit aan de hand van de specifieke situatie worden bepaald. Hierbij wordt er altijd op gelet dat de termijn in het beleid ook in de specifieke situatie redelijk is. Soms zijn bijvoorbeeld de termijnen bij Justis voor het afhandelen van een VOG aanvraag langer dan gemiddeld (dit kan maximaal 4 tot 8 weken duren voor een VOG natuurlijke personen). In zo’n geval is het niet redelijk een hersteltermijn van twee weken te hanteren.
6.3. Handhavingsmiddelen
In deze paragraaf en bijbehorende tabel zijn alle formele en informele handhavingsinstrumenten die de gemeente kan inzetten opgenomen. De informele middelen die de gemeente Hardinxveld-Giessendam inzet zijn:
Herstelaanbod:
De gemeente past het middel Herstelaanbod toe. Aan de houders is schriftelijk bevestigd wat hierbij overeengekomen is. Dit ter voorkoming van misverstanden op een later tijdstip.
Waarschuwing:
De gemeente hanteert de (schriftelijke) waarschuwing als een ‘milde maatregel’. Een waarschuwing wordt gegeven bij overtredingen met een laag risico, die voor het eerst in twee jaar tijd voorkomen bij een houder. Het herstel van de overtreding wordt in dat geval in een eerstvolgend regulier onderzoek van de GGD gecontroleerd, er volgt geen apart/extra (nader) onderzoek. Dat is zowel voor de houder als voor de gemeente efficiënt en minder belastend.
6.3.1. Aanwijzing
Wanneer is een aanwijzing passend?
Een aanwijzing is een formele waarschuwing en wordt in principe gegeven bij overtredingen zonder een reële herhaalkans op korte termijn in de dagelijkse opvangpraktijk. Dat is bijvoorbeeld het geval als er een bepaald product (pedagogisch beleidsplan) moet worden hersteld, dat daarna voorlopig blijvend hersteld is. De aanwijzing is dan ook meteen uitgewerkt na het herstel en de handhaving kan worden beëindigd.
6.3.2. Last onder dwangsom
Wanneer is een last onder dwangsom passend?
Een dwangsom kan als het beleid daar ruimte voor geeft bij de start van een handhavingstraject in principe worden opgelegd als de overtreding zich gemakkelijk opnieuw kan voordoen op korte termijn gezien de aard van de overtreding. Dat zijn vooral de overtredingen die betrekking hebben op frequente, terugkerende handelingen en afwegingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het inzetten van voldoende beroepskrachten. De inzet van te weinig beroepskrachten kan meestal op korte termijn goed hersteld worden, maar is niet per se blijvend hersteld in de toekomst (anders dan bij het herstel van bijvoorbeeld een document, dat na herstel ook voorlopig hersteld blijft). Een houder wordt met de last onder dwangsom gedurende een langere periode gestimuleerd om te blijven voldoen aan het voorschrift. Als bij een later onderzoek weer een overtreding wordt geconstateerd, wordt de dwangsom meteen van rechtswege verbeurd. Een last onder dwangsom kan ook worden ingezet als vervolgactie in een handhavingstraject dat gestart is met een aanwijzing, waarbij de aanwijzing niet tot herstel heeft geleid en de overtredingen voortduren.
Bij een last onder dwangsom is het een mogelijkheid om de hoogte van de dwangsom gelijk te trekken of een factor te baseren op de hoogte van de boetes in het afwegingsoverzicht. Het college van de gemeente hanteert in beginsel het afwegingsmodel als uitgangspunt bij de bepaling van de hoogte van de last onder dwangsom. De bepaling van de hoogte van de last onder dwangsom laat onverlet dat het college gehouden is de hoogte van de dwangsom af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij het college zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Er kan sprake zijn van verzachtende en verzwarende omstandigheden; dit is maatwerk.
6.3.3. Last onder bestuursdwang
De last onder bestuursdwang wordt nagenoeg niet toegepast in de kinderopvang. De houder is zelf eindverantwoordelijk voor de kwaliteit.
6.3.4. Exploitatieverbod
Wanneer is een exploitatieverbod passend?
Een belangrijke afweging bij het wel of niet opleggen van een exploitatieverbod is: is de kwaliteit dermate onder de maat dat er redelijkerwijs niet langer gesproken kan worden van verantwoorde kinderopvang? Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij veel overtredingen ineens, maar ook na langdurige handhaving waarbij verbeteringen telkens uitblijven of minimaal zijn en/of waarbij overtredingen zich in de loop van de tijd opstapelen.
6.3.5. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving
Wanneer is intrekken toestemming exploitatie passend?
Dit instrument is het ultieme handhavingsinstrument. Dit wordt alleen ingezet wanneer de andere hiervoor genoemde handhavingsmiddelen onvoldoende een herstellend effect op de kwaliteit van de kinderopvang hebben gerealiseerd.
6.3.6. De bestuurlijke boete
Een boete mag zijn doel niet voorbij schieten. Het is bedoeld om te corrigeren met een goed gedoseerde prikkel en niet om onevenredige financiële ‘schade’ toe te brengen. Een bestuurlijke boete mag daar ook niet toe leiden. Bijvoorbeeld bij een kleine organisatie met een geringe omzet bestaat er de kans dat een hoge boete dat onbedoelde, onevenredige effect heeft. Omgekeerd bestaat de kans dat een relatief lage boete bij een grote onderneming ook niet het gewenste effect heeft. Om zoals hierboven benoemd geen onevenredige financiële schade toe te brengen, wordt er in de beleidsregels gewerkt met vier categorieën om het bedrag proportioneel te houden. Deze indeling is in de praktijk toepasbaar door de in het LRK geregistreerde vestigingen van een houder in beeld te brengen.
Verzwarende en verzachtende omstandigheden
Matiging of verhoging van de boete:
Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat én naar het oordeel van het college oplegging van het volledige boetebedrag volgens deze beleidsregels handhaving Wet kinderopvang onevenredig is, op grond van:
a.de ernst van de overtreding;
b.de mate van verwijtbaarheid;
c.de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of;
d.de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, (bijvoorbeeld de financiële situatie van een houder en de grootte van een organisatie).
Herhaalde overtredingen (recidive)
Bij de vaststelling van de boete wordt uitgegaan van:
a.1,5 maal het in het afwegingsmodel opgenomen boetebedrag indien een overtreding plaatsvindt binnen een periode van twee jaar nadat de eerdere overtreding van dezelfde wettelijke norm plaatsvond waarvoor eveneens een bestuurlijke boete was opgelegd;
b.2 maal het in het afwegingsmodel opgenomen boetebedrag indien er sprake is van een derde of volgende overtreding van dezelfde wettelijke norm binnen een periode van twee jaar nadat de daaraan voorafgaande overtreding zich heeft voorgedaan waarvoor eveneens een bestuurlijke boete was opgelegd.
De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.
6.4. Herstelaanbod
Uitgangspunt in het landelijk advies is dat wanneer er bij overtredingen geen herstelaanbod is aangeboden of aangenomen, gemeenten hun reguliere handhavingsmiddelen inzetten. Heeft het herstelaanbod onvoldoende resultaat gehad en staan de overtredingen nog open? Vanuit het uitgangspunt dat de houder zich wel heeft ingespannen om het aanbod van de toezichthouder na te komen maar daar door omstandigheden nog niet in geslaagd is, zal de gemeente handhaven conform uw (het) reguliere (gemeentelijke) beleid.
Het kan echter zijn dat uit de bevindingen van de toezichthouder (vastgelegd in het inspectierapport of formeel aan de gemeente meegedeeld) blijkt, dat de houder ondanks toezeggingen om dit wel te doen, zich niet of onvoldoende heeft ingespannen om het herstelaanbod uit te voeren. In dat geval kan de gemeente dit als uitgangspunt gebruiken om gemotiveerd van de escalatieladder af te wijken en een zwaarder handhavingsinstrument in te zetten aan de start van het handhavingstraject.
Bijlage 2 Afwegingsmodel
Diversen m.b.t. naleving, registratie en wijzigingen
Wettelijke bepaling / kwaliteitseis
Maximale hersteltermijn
Bestuurlijke boete
Last onder dwangsom per constatering
4
Niet voldoen aan de definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau.
N.v.t., intrekken toestemming tot exploitatie is aan de orde.
n.v.t.
n.v.t.
Start exploitatie voor ontvangst toestemming college
5
of voor de datum waarop college bepaald heeft dat exploitatie mag aanvangen.
n.v.t.
Gelijk aan bedrag boete 4e categorie (2019: € 20.750)
€ 20.750
6
Houder geeft wijziging van in het LRK opgenomen gegevens later door / niet door terwijl dit zou moeten gebeuren zodra de houder bekend is met deze wijziging.
2maanden
€ 2.000
€ 2.000
Niet nakomen van een vordering tot medewerking van de toezichthouder.
n.v.t.
Gelijk aan bedrag boete 2e categorie
(2019: € 4.150)
Gelijk aan bedrag boete 2e categorie
Niet opvolgen van een aanwijzing / bevel.
2weken
€ 4.000
n.v.t.
Niet opvolgen van exploitatieverbod opgelegd op grond van art. 1.66 Wko.
n.v.t.
€ 20.750
n.v.t.
Niet nakomen van een afspraak zoals genoemd in art. 167 Wet op het primair onderwijs.
n.v.t.
€ 4.000
n.v.t.
4
Voor alle op te leggen lasten onder dwangsom geldt dat de uiteindelijke hoogte van het bedrag berekend wordt op de wijze zoals opgenomen in het handhavingsbeleid.
5
Overtreding van art. 1.45 en 1.46 Wko is een misdrijf conform art. 1 lid 2 Wet op de economische delicten. College zal eerst aangifte hiervan doen bij het OM, indien het OM aangeeft niet te vervolgen of de bestraffing aan het college over te laten, volgt oplegging van een boete maximaal gelijk aan de boete zoals genoemd in de Wet op de economische delicten.
6
Betreft een preventieve last onder dwangsom
Praktijk / uitvoering
Wettelijke bepaling / kwaliteitseis
Maximale hersteltermijn
Bestuurlijke boete
Last onder dwangsom per constatering
De houder biedt geen verantwoorde opvang.
2weken
€ 8.000
GO: € 2.000
€ 8.000
GO: € 2.000
Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht
2weken
€ 4.000
€ 4.000
De houder voldoet niet aan zijn informatieplicht.
2maanden
€ 1.000
€ 1.000
De houder zorgt er niet voor dat conform het beleid gehandeld wordt
2weken
€ 2.000
€ 2.000
De houder voldoet niet aan de eisen gesteld aan veilige en gezonde kinderopvang
7
.
2weken
€ 3.000
GO: € 500
€ 3.000
GO: € 500
De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. formatie.
2weken
€ 5.000
GO: € 200
€ 5.000
GO: € 200
De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. stabiliteit
(GO: groepsgrootte).
2weken
€ 3.000
GO: € 300
€ 3.000
GO: € 300
De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. de VOG’s en het personenregister kinderopvang.
2weken
€ 3.000
GO: € 500
€ 3.000
GO: € 500
De houder voldoet niet aan de eis m.b.t. de voertaal, taaleis VE en de taaleis BSO.
2weken
€ 3.000 (voertaal)
€ 1.500 (overige)
GO: € 200
€ 2.000
GO: € 200
De binnen- en buitenspeelruimtes voldoen niet aan de eisen.
De VGO voldoet niet aan de eisen.
2weken
€ 2.000
GO: € 200
€ 2.000
GO: € 200
De houder voldoet niet aan het ouderadviesrecht / klachtrecht.
2maanden (OC)
6maanden (klachtr.)
€ 1.000
€ 1.000
De houder van het gastouderbureau voert aantoonbaar de kassiersfunctie en de verplicht gestelde gesprekken niet uit.
2weken
€ 3.000
€ 3.000
De houder voldoet niet aan de uren norm voor VE
2weken
€ 2.000
€ 2.000
7
Met uitzondering van het niet handelen conform beleid, dat valt onder “houder zorgt er niet voor dat conform het beleid gehandeld wordt”
Documenten
Wettelijke bepaling / kwaliteitseis
Maximale hersteltermijn
Bestuurlijke boete
Last onder dwangsom
De houder heeft actuele beleidsdocumenten die onvolledig zijn en/of niet alle verplicht te beschrijven onderwerpen bevatten.
2maanden
€ 3.000 voor het ontbreken van het document
€ 750 voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan
€ 3.000 het ontbreken van het document
€ 750 voor ieder(e) (sub)eis waaraan niet is voldaan
De administratie van de houder bevat niet alle verplicht op te nemen documenten en is op verzoek van de toezichthouder onverwijld te raadplegen.
2maanden
€ 3.000
per ontbrekend document
€ 3.000
per ontbrekend document
De houder gebruikt geen VE programma dat voldoet aan de eisen
2maanden
€ 1.000
€ 1.000
Bijlage 3. Uitvoeringsbeleid herstelaanbod
Voorschriften dagopvang en buitenschoolse opvang waarbij geen herstelaanbod wordt toegepast
Voorschrift
Motivatie
Wijzigingen
1.2
De houder van het kindcentrum doet van een wijziging van de daartoe aangewezen gegevens onverwijld mededeling aan het college, nadat deze wijziging hem bekend is geworden. Hierbij verzoekt de houder de gegevens te wijzigen.
Het is niet wenselijk dat er wijzigingen worden gedaan zonder dat dit aan de gemeente wordt doorgegeven. Er is hierbij geen herstel met terugwerkende kracht mogelijk.
Voorschoolse educatie
2.3.8
De voorschoolse educatie omvat per week ten minste vier dagdelen van ten minste 2,5 uur of per week ten minste 10 uur aan activiteiten gericht op het stimuleren van de ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
Deze overtreding kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld en gezien de aard van de overtreding is handhaving wenselijk.
2.3.9
De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste een beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen.
Aangezien structureel herstel wenselijk is, wordt ingezet op handhaving en onaangekondigd nader onderzoek in plaats van herstel op korte termijn en eenmalige geplande controle.
Verklaring Omtrent het Gedrag en Personenregister Kinderopvang
3.1.1
In het bezit van een Verklaring Omtrent het Gedrag zijn:
a.de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum;
b.de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
c.de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waarmee (waarop?) de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
d.de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen;
e.de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres.
Voor zover het natuurlijke personen betreft is eenieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingeschreven in het Personenregister Kinderopvang.
(art 1.50 lid 3 Wet kinderopvang)
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en
nader onderzoek wenselijk
3.1.2
De houder van een kindercentrum draagt zorg voor koppeling met de in artikel 1.50 derde lid van de wet genoemde personen inclusief hemzelf.
(art 1.48d lid 3 Wet kinderopvang)
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
3.1.3
Na inschrijving van een persoon als bedoeld in artikel 1.50 derde lid van de wet in het Personenregister Kinderopvang en na koppeling met de houder kan de persoon zijn werkzaamheden aanvangen.
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
3.1.4
Een Verklaring Omtrent het Gedrag wordt door de houder van een kindercentrum binnen een door de toezichthouder gestelde termijn overgelegd indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder, een persoon werkzaam bij de onderneming of een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum, niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Een Verklaring Omtrent het Gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
(art 1.50 lid 6 en 8 Wet kinderopvang)
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
3.1.5
Wanneer de houder van een kindercentrum redelijkerwijs mag vermoeden dat een van de personen die op basis van artikel 1.50 lid 3 in het bezit moet zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag, niet langer aan de vereisten voor het afgeven daarvan voldoet, verlangt hij al dan niet op verzoek van de toezichthouder een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag van de betreffende persoon. Een Verklaring Omtrent het Gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
(art. 1.50 lid 7 Wet kinderopvang)
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Opleiding
3.2.1
Beroepskrachten beschikken over een passende opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 6 lid 1 en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 7 lid 1 Regeling Wet kinderopvang)
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Aantal beroepskrachten
3.3.1.
•De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen, met dien verstande dat:
•de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel a, bij het Besluit kwaliteit kinderopvang en de daarbij behorende rekenregels;
•indien kinderen bij een activiteit zoals beschreven in het pedagogisch beleidsplan de stamgroep verlaten, dit niet leidt tot een verlaging van het totaalaantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.
Aangezien structureel herstel wenselijk is, wordt ingezet op handhaving en onaangekondigd nader onderzoek in plaats van herstel op korte termijn en eenmalige geplande controle.
3.3.2
Gedurende de uren dat conform het pedagogische beleidsplan minder beroepskrachten worden ingezet, wordt ten minste de helft van het conform de beroepskracht-kindratio benodigde aantal beroepskrachten ingezet.
Aangezien structureel herstel wenselijk is, wordt ingezet op handhaving en onaangekondigd nader onderzoek in plaats van herstel op korte termijn en eenmalige geplande controle.
3.3.5
Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in de gecombineerde groep berekend op grond van bijlage 1, onderdeel c van het Besluit. Gebruik kan worden gemaakt van de rekentool op de website www.1ratio.nl.
Aangezien structureel herstel wenselijk is, wordt ingezet op handhaving en onaangekondigd nader onderzoek in plaats van herstel op korte termijn en eenmalige geplande controle.
Publicatie inspectierapport
6.1.2
De houder van een kindercentrum informeert ouders en personeel over het inspectierapport door het zo spoedig mogelijk na ontvangst op de eigen website te plaatsen op een gemakkelijk vindbare plaats. Indien geen website aanwezig is legt de houder een afschrift van het inspectierapport ter inzage op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.
Een jaar later plaatsen op de website is niet spoedig en heeft ook geen zin omdat er een nieuw rapport komt. Ouders dienen tijdig te worden geïnformeerd en niet aan jaar later.
Voorschriften gastouderopvang waarbij in principe geen herstelaanbod wordt toegepast
Voorschrift
Motivatie
Verklaring Omtrent Gedrag en Personenregister kinderopvang
3.1.1
De volgende personen zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent het Gedrag en staan ingeschreven in het Personenregister kinderopvang:
•de gastouder of voorgenomen gastouder;
•andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de gastouder, voor zover dit tevens de opvanglocatie is, hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben;
•de personen van 18 jaar en ouder die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op de opvanglocatie (art. 1.56b lid 3 en 1.48d lid 3 Wet kinderopvang).
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Deskundigheid gastouder
3.2.1
De gastouder beschikt over een getuigschrift conform de ministeriële regeling.
OF
De gastouder beschikt over een EVC-bewijsstuk afgegeven vóór 1 januari 2012 waaruit blijkt dat de gastouder voldoet aan alle competenties van de bij ministeriële regeling aangewezen MBO-2 opleiding(en).
(art 1.56b lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 1 onder a en lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; art 10, 10a en 10b Regeling Wet kinderopvang).
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Gebruik van de voorgeschreven voertaal
3.3.1
In de voorziening voor gastouderopvang wordt de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt.
(art 1.56b lid 1 en 1.55 lid 1 Wet kinderopvang)
OF
Er wordt mede een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder van het gastouderbureau vastgestelde gedragscode. (art 1.56b lid 1 en 1.55 lid 2 Wet kinderopvang).
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Groepssamenstelling
4.2.1
Bij een gastouder worden maximaal 6 kinderen gelijktijdig opgevangen, waarvan maximaal 5 kinderen tot 4 jaar, waarvan maximaal 4 kinderen tot 2 jaar, waarvan maximaal 2 kinderen tot 1 jaar. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.
(art 1.49 lid 3 en 1.56b lid 2 Wet kinderopvang; art 14 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; art 13 Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang).
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Voorschriften gastouderbureaus waarbij in principe geen herstelaanbod wordt toegepast
Voorschrift
Motivatie
3.1.1
In het bezit van een Verklaring Omtrent het Gedrag zijn:
a.de houder of voorgenomen houder van een gastouderbureau;
b.b. de personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert of daarvoor beschikbaar zijn. Voor zover het natuurlijke personen betreft is eenieder ingeschreven in het Personenregister kinderopvang.
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
3.1.3
Na inschrijving van de houder van een gastouderbureau en de personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert en na koppeling met de houder kunnen deze personen hun werkzaamheden aanvangen.
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
3.1.4
Wanneer de houder van een gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat een van zijn medewerkers niet langer aan de vereisten voor het afgeven van een Verklaring Omtrent het Gedrag voldoet, verlangt hij al dan niet op verzoek van de toezichthouder een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag van de betreffende persoon. Een Verklaring Omtrent het Gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
Personeelsformatie per gastouder
3.2.1
De houder van het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis ten minste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling.
Deze overtreding kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld en gezien de aard van de overtreding is handhaving wenselijk.
Publicatie inspectierapport
5.1.4
De houder van een gastouderbureau informeert vraagouders, gastouders en personeel over het inspectierapport inzake zijn gastouderbureau of inzake een bij dat gastouderbureau aangesloten voorziening voor gastouderopvang, door het zo spoedig mogelijk na ontvangst op de eigen website te plaatsen. Indien geen website aanwezig is, legt de houder een afschrift van het inspectierapport op een voor vraagouders, gastouders en personeel toegankelijke plaats.
Een jaar later plaatsen op de website is niet spoedig en heeft ook geen zin omdat er een nieuw rapport komt. Ouders dienen tijdig te worden geïnformeerd en niet aan jaar later.
Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht
Kwaliteitscriteria
6.1.1
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat per voorziening voor gastouderopvang beoordeeld wordt hoeveel kinderen en van welke leeftijd verantwoord opgevangen kunnen worden.
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
6.1.2
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat alle bij zijn gastouderbureau aangesloten gastouders tijdens de opvang de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt.
OF
Er wordt mede een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder van het gastouderbureau vastgestelde gedragscode.
Gezien de aard van de overtreding is handhaving en nader onderzoek wenselijk
6.1.3
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een intakegesprek met de gastouder plaatsvindt bij de voorgenomen voorziening voor gastouderopvang. Dit gesprek wordt gevoerd door een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau.
Deze overtreding kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld en gezien de aard van de overtreding is handhaving wenselijk.
6.1.4
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een intakegesprek met de vraagouder plaatsvindt. Dit gesprek wordt gevoerd door een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau.
Deze overtreding kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld en gezien de aard van de overtreding is handhaving wenselijk.
6.1.5
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een koppelingsgesprek plaatsvindt bij een koppeling tussen vraag- en gastouder bij de voorziening voor gastouderopvang. Dit gesprek wordt gevoerd door een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau.
Deze overtreding kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld en gezien de aard van de overtreding is handhaving wenselijk.
6.1.6
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau in ieder geval tweemaal per jaar het adres waar de opvang door de gastouder
plaatsvindt bezoekt. Het jaarlijkse voortgangsgesprek met de gastouder is een onderdeel van één van deze bezoeken.
Deze overtreding kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld en gezien de aard van de overtreding is handhaving wenselijk.