Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur maakt bekend dat de deelnemers aan de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) hebben besloten tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking West-Brabant.
Het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Etten-Leur, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Woensdrecht en Zundert
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;
b e s l u i t e n :
vast te stellen de: Tiende wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant
Artikel I
De huidige Gemeenschappelijke Regeling Belastingwerking West-Brabant (GR BWB) te vervangen door de tekst die als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Artikel II
Dit besluit wordt aangehaald als ‘Tiende wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant’ en treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking ervan.
Het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Etten-Leur, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Woensdrecht, Zundert en Rucphen houdende regels omtrent belastingsamenwerking (Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant)
Het dagelijks bestuur en de bovengenoemde colleges,
besluiten:
De tekst van de gemeenschappelijke regeling als volgt te wijzigen door middel van het vaststellen van de hierna volgende tekst, die we benoemen als het ‘Wijzigingsbesluit 10e wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking West-Brabant’
Hoofdstuk 1 : Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
a.wet: Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr);
b.regeling: de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant;
c.BWB: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking West-Brabant;
d.deelnemer: een aan de regeling deelnemende gemeente en waterschap;
e.algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de BWB;
f.dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de BWB;
g.voorzitter: de voorzitter van het algemeen en dagelijks bestuur van de BWB;
h.directeur: de door het dagelijks bestuur van de BWB benoemde directeur;
i.heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van de BWB, als bedoeld in de Gemeentewet en de Waterschapswet, bevoegd tot het heffen van belastingen en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;
j.invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van de BWB, als bedoeld in de Gemeentewet en de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen;
k.ambtenaar van de BWB: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van de BWB, als bedoeld in de Gemeentewet en de Waterschapswet, bevoegd tot de heffing of de invordering van belastingen en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;
l.belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van de BWB als bedoeld in de Gemeentewet en de Waterschapswet, dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;
m.belastingen: de in dit artikel onder n en o genoemde belastingen;
n.gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft op grond van hoofdstuk XV van de Gemeentewet of krachtens specifieke wetten;
o.waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap heft op grond van Hoofdstuk XVI en XVII van de Waterschapswet of krachtens specifieke wetten;
p.belastingverordening: de verordening tot heffing en invordering van belastingen of rechten, vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap of de raden van de gemeenten;
q.nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Gemeentewet, Waterschapswet, Wet waardering onroerende zaken en de belastingverordeningen;
r.kwijtscheldingsregels: de door het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten vastgestelde regels als bedoeld in respectievelijk artikel 144 van de Waterschapswet en artikel 255 van de Gemeentewet;
Hoofdstuk 2: Het Openbaar Lichaam
Artikel 2 Openbaar lichaam BWB
1Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd “Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant” hierna te noemen BWB.
2Aan deze regeling kunnen alleen openbare lichamen deelnemen.
3De BWB is gevestigd te Etten-Leur.
4Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers.
Artikel 3 Bestuur
Het bestuur van de BWB bestaat uit:
1het algemeen bestuur;
2het dagelijks bestuur;
3de voorzitter.
Hoofdstuk 3: Belangen en bevoegdheden
Artikel 4 Te behartigen belangen
In het kader van deze gemeenschappelijke regeling worden de belangen van de deelnemers, elk voor zover het hun grondgebied betreft, behartigd op het gebied van::
a.de heffing en invordering van belastingen;
b.de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;
c.de uitvoering van de Basisadministratie Adressen en Gebouwen,
voor zover deze in de besluiten tot deelname aan de regeling niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de taakoverdracht aan de BWB.
Artikel 5 Overdracht bevoegdheden en uitvoeringsconvenant
1Aan het bestuur van de BWB worden alle bestuursbevoegdheden overgedragen die samenhangen met de in artikel 4 genoemde taakgebieden, met uitzondering van de verordenende bevoegdheden.
2Ter uitvoering van de in artikel 4 overgedragen taken en de in het eerste lid overgedragen bestuursbevoegdheden worden uitvoeringsconvenanten aangegaan met de ambtelijke organisatie van de BWB, in deze vertegenwoordigd door de directeur, en de deelnemer, in deze vertegenwoordigd door de secretaris. Het uitvoeringsconvenant bevat tenminste afspraken over de verplichtingen van de BWB en de deelnemer in relatie tot de taakoverdracht, de contactmomenten ambtelijke organisaties, verantwoordelijkheden P&C cyclus, de informatie-uitwisseling over de heffing en inning en de financiële geldstromen.
Hoofdstuk 4: Algemeen bestuur
Artikel 6 Omvang en samenstelling algemeen bestuur
1Aan het hoofd van de BWB staat een algemeen bestuur, bestaande uit zoveel leden als er deelnemers zijn, waaronder de voorzitter.
2Het dagelijks bestuur van het waterschap en elk van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wijst uit zijn midden één lid aan.
3Voor elk aangewezen lid wijzen het dagelijks bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten uit hun midden een plaatsvervanger aan die dat lid bij verhindering vervangt.
4Van elke aanwijzing tot lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur geven het dagelijks bestuur van het waterschap of de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die het aangaan terstond kennis aan de voorzitter van de BWB.
Artikel 7 Onverenigbare betrekking
1Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, aangesteld bij de BWB.
2Met ambtenaar als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van de BWB werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Artikel 8 Beëindiging lidmaatschap algemeen bestuur
1Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van het dagelijks bestuur van het Waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente dat het lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen eindigt .In dat geval blijft het lid van het algemeen bestuur zijn functie bekleden tot conform artikel 6 een nieuw lid is aangewezen.
2Zodra een lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur van het waterschap of het college van burgemeester en wethouders dat het lid heeft aangewezen, eindigt ook het lidmaatschap van het algemeen bestuur, en wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
3Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid deelt zijn ontslag mede aan de deelnemer die hem/haar heeft aangewezen en aan de voorzitter van het algemeen bestuur. Het lid houdt zitting in het algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien.
4Indien tussentijds de plaats van een lid van het algemeen bestuur beschikbaar komt, wijst het dagelijks bestuur van het waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente dat het aangaat zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het algemeen bestuur aan.
Artikel 9 Vergaderingen van algemeen bestuur
1Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt of tenminste twee leden dit onder opgaaf van redenen schriftelijk aan de voorzitter verzoeken.
2De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.
3Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 62 jo. artikel 23 van de wet van overeenkomstige toepassing.
4Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen in een vergadering waarin meer dan de helft van het aantal leden van het algemeen bestuur aanwezig is, tenzij in de wet of deze regeling uitdrukkelijk anders is bepaald. Elk lid van het algemeen bestuur heeft één stem.
5Indien de stemmen staken wordt het besluitpunt in een volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht. Staken ook dan de stemmen, dan heeft de voorzitter van het algemeen bestuur de beslissende stem, tenzij artikel 62 jo. artikel 22 van de wet, juncto artikel 31 van de Gemeentewet van toepassing is.
Artikel 10 Reglement van orde
Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers.
Artikel 11 Actieve informatieplicht
1Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, danwel een afzonderlijk lid daarvan, verstrekken de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap tijdig alle informatie die zij nodig hebben voor een goede uitoefening van hun taak.
2Op verzoek van één of meer leden van de raden of van het algemeen bestuur van het waterschap verstrekt het algemeen bestuur de gewenste inlichtingen. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek, schriftelijk of digitaal verstrekt door het dagelijks bestuur, tenzij uitdrukkelijk wordt verzocht om beantwoording door het algemeen bestuur of de voorzitter.
3Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt.
4De actieve informatieplicht aan de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het Waterschap behelst een tijdige en compacte informatievoorziening, toegespitst op wat voor de raden en het algemeen bestuur relevant is.
Artikel 12 Bestuur, kaderstelling en controle.
Het algemeen bestuur is belast met het algemeen bestuur van de BWB, waaronder kaderstelling en controle van het dagelijks bestuur.
Artikel 13 Bevoegdheden algemeen bestuur
Tot de bevoegdheden, van het algemeen bestuur behoren, onverminderd het bepaalde in artikel 66 lid 1 van de wet, onder meer:
a.het vaststellen en wijzigen van de begroting;
b.het vaststellen van de jaarrekening;
c.het vaststellen van de bijdragen van de deelnemers in de BWB;
d.de benoeming, schorsing en het ontslag van de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter;
e.het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
Hoofdstuk 5: Dagelijks bestuur
Artikel 14 Samenstelling en verkiezing
1Het dagelijks bestuur bestaat uit vijf leden, waaronder een voorzitter.
2De samenstelling van het dagelijks bestuur is als volgt:
a.eén lid namens het waterschap;
b.één lid namens de gemeenten >100.000 inwoners:
c.ten minste één lid namens de gemeenten >50.000 en <100.000 inwoners;
d.ten minste één lid namens de gemeenten <50.000 inwoners.
3De voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het midden van het algemeen bestuur gekozen.
4Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.
5Een lid van het dagelijks bestuur, waaronder de voorzitter, kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen met een meerderheid van tenminste tweederde van het aantal geldig uitgebrachte stemmen.
6Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan mededeling aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen blijft zijn functie waarnemen totdat in zijn opvolging is voorzien.
7Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het dagelijks bestuur.
8Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het kiezen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.
Artikel 15 Vergaderingen van het dagelijks bestuur
1Het dagelijks bestuur vergadert tenminste vier keer per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid daarom verzoekt.
2In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien tenminste drie leden aanwezig zijn.
3Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering.
4De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen.
5Indien de stemmen staken wordt het besluitpunt in een volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht. Staken ook dan de stemmen, dan heeft de voorzitter van het dagelijks bestuur de beslissende stem.
6De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.
7Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.
Artikel 16 Algemene taken van het dagelijks bestuur
1Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden van de BWB, tenzij de voorzitter bij of krachtens de wet of krachtens deze regeling daarmee is belast.
2Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht.
3Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur, tenzij de voorzitter daarmee krachtens deze regeling is belast.
Artikel 17 Specifieke taken van het dagelijks bestuur
Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:
a.de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van de BWB en de personele aangelegenheden;
b.het beheer van de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de BWB;
c.de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;
d.het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de BWB en de belastingdeurwaarder;
e.de behartiging van de belangen van de BWB bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de BWB van belang is;
f.het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die de BWB voor de deelnemers uitvoert.
Artikel 18 Bevoegdheden van het dagelijks bestuur
Tot de bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoren, onverminderd het bepaalde in artikel 66 lid 1 van de wet, onder meer:
a.het nemen van conservatoire maatregelen;
b.het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep, behoudens de in de Gemeentewet en Waterschapswet in combinatie met de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of de Invorderingswet 1990 rechtstreeks aan de heffingsambtenaar of invorderingsambtenaar geattribueerde bevoegdheden;
c.benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de BWB
d.het regelen van de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel met inachtneming van het bepaalde in artikel 29 lid 2 van deze regeling;
e.uitoefening van de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van de deelnemers;
f.de aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BWB als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar;
g.de aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BWB of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder;
h.het aanwijzen van een of meer ambtenaren van de BWB als ambtenaar van de BWB als bedoeld in artikel 1 onder k;
i.het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de BWB en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden;
j.het stellen van beleidsregels en nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering van de belastingen;
k.het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten;
l.het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de BWB, voor zover passend binnen de vastgestelde begroting;
m.het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen.
Artikel 19 Informatie aan algemeen bestuur
1Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden verstrekken aan het algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd inlichtingen.
2Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden leggen op verzoek van het algemeen bestuur verantwoording af over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
Artikel 20 Verslag van werkzaamheden
1Het dagelijks bestuur biedt het algemeen bestuur jaarlijks vóór 1 juni ter vaststelling aan een verslag van de werkzaamheden van de BWB over het afgelopen jaar.
2Het dagelijks bestuur zendt het verslag binnen 14 dagen na vaststelling aan het dagelijks bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten.
Hoofdstuk 6: De voorzitter
Artikel 21 Aanwijzing voorzitter
1De aanwijzing van de voorzitter als bedoeld in artikel 14 lid 3 dient plaats te vinden met een meerderheid van tenminste tweederde van het aantal geldig uitgebrachte stemmen.
2De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.
3Het algemeen bestuur wijst uit de in artikel 14 lid 1 bedoelde leden van het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter aan, die de voorzitter bij afwezigheid vervangt.
Artikel 22 Taken en bevoegdheden van de voorzitter
1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.
2De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.
3De voorzitter vertegenwoordigt de BWB in en buiten rechte, behoudens de in de Gemeentewet en Waterschapswet aan de heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar toegekende bevoegdheden. Hij kan deze vertegenwoordiging met instemming van het dagelijks bestuur aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.
4Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is bij een geding waarbij de BWB is betrokken oefent de plaatsvervangend voorzitter met betrekking tot dat geding de in lid 3 genoemde bevoegdheid uit.
5Indien ook de deelnemer van welk bestuur de plaatsvervangend voorzitter deel uitmaakt bij het in lid 4 bedoelde geding betrokken is, wordt een ander lid van het dagelijks bestuur gemachtigd om de BWB met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.
Hoofdstuk 7: De directeur
Artikel 23
1De directeur handelt in overeenstemming met de door het algemeen bestuur vastgestelde instructie.
2De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig en heeft geen stemrecht.
3Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de directeur mede ondertekend.
4Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.
Hoofdstuk 8: De heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de BWB en de belastingdeurwaarder
Artikel 24
De BWB heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van de BWB en belastingdeurwaarders.
Artikel 25 Bevoegdheden heffingsambtenaar
1De heffingsambtenaar is bevoegd tot heffing van de belastingen waarvoor door het algemeen bestuur van het waterschap of de raden van de gemeenten een belastingverordening is vastgesteld en waarvan de heffing door het dagelijkse bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten is opgedragen aan de BWB.
2De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet waardering onroerende zaken en de toepasselijke toekomstige wetgeving zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers.
3Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in de leden 1 en 2 neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 26 Bevoegdheden invorderingsambtenaar
1De invorderingsambtenaar is bevoegd tot invordering van alle belastingen die door de heffingsambtenaar op grond van artikel 25 lid 1 van deze regeling worden geheven.
2De invorderingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Algemene wet bestuursrecht en de toepasselijke toekomstige wetgeving zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.
3De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en tot hoger beroep dan nadat hij het dagelijks bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.
4Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in de leden 1 en 2 neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
5De invorderingsambtenaar is bevoegd het dagelijks bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 18 onder 1 van de regeling.
Artikel 27 Bevoegdheden ambtenaar van de BWB
1De ambtenaar van de BWB oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet waardering onroerende zaken en de toepasselijke toekomstige wetgeving zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, lid 2, sub d van de Gemeentewet en artikel 123, lid 3, sub d van de Waterschapswet.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 neemt de ambtenaar van de BWB de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 28 Bevoegdheden belastingdeurwaarder
1De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en de toepasselijke toekomstige wetgeving zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Hoofdstuk 9: Ambtelijke organisatie
Artikel 29
1De BWB heeft een ambtelijke organisatie met aan het hoofd een directeur.
2Het algemeen bestuur bepaalt welke sectorale arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing is op het personeel van de BWB.
3Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het aanstellen van personeel via een arbeidsovereenkomst. Ook mag het dagelijks bestuur personeel schorsen of ontslaan.
4Het dagelijks bestuur stelt de bezoldiging vast van het personeel.
5De BWB heeft ten behoeve van de medezeggenschap van de werknemers een ondernemingsraad op basis van de Wet op de ondernemingsraden.
Hoofdstuk 10: Begroting, rekening, administratie en controle
Artikel 30 Vaststellen begroting
1Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt de begroting vast.
2Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting bij voorkeur voor 1 april van het in het eerste lid genoemde jaar toe aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap.
3De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten en het Waterschap voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
4Het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten kunnen omtrent de ontwerpbegroting hun bijdrage inbrengen bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
5Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt
6Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten.
7Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan het college van gedeputeerde staten.
8Het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid is voor zover mogelijk ook van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
9Het bepaalde in het achtste lid is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting waarbij de omvang van de totale bijdragen van de deelnemers, gelijk blijft of wordt verlaagd. Indien de vorige volzin van toepassing is, wordt de wijziging van de begroting na de vaststelling door het algemeen bestuur ter kennisname aan het algemeen bestuur van het waterschap, de raden van de gemeenten en gedeputeerde staten gebracht.
10Indien de ‘Nota verbonden partijen en overige samenwerking West-Brabant andere termijnen voorschrijft dan de in dit artikel genoemde termijnen, dan hanteren wij de termijnen uit de Nota verbonden partijen en overige samenwerking West-Brabant.
Artikel 31 Bijdrage deelnemers
1De door elke deelnemer voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft verschuldigde bijdrage wordt in de begroting aangegeven.
2De berekeningswijze van de bijdrage van de deelnemers wordt door het algemeen bestuur vastgesteld met een versterkte meerderheid van tenminste tweederde van het maximaal aantal in dit bestuur uit te brengen stemmen.
3De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober telkens een kwart van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.
4Over de ontwikkeling van de deelnemersbijdrage wordt het algemeen bestuur tussentijds gerapporteerd via bestuursrapportage(s). Het algemeen bestuur wordt het besluit voorgelegd of de inzichtelijk gemaakte verschillen wel of niet worden verrekend met de deelnemers, verrekening wordt apart gefactureerd (credit of debet factuur) en leidt niet tot een aanpassing van de voorschotten zoals genoemd in lid 3.
5De deelnemers dragen er zorg voor dat de BWB te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
6De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door de BWB af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in lid 1 bedoelde bijdrage op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing is verschuldigd
Artikel 32 Jaarrekening
1Van de inkomsten en uitgaven van de BWB over het afgelopen jaar wordt door het dagelijks bestuur verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden.
2Het dagelijks bestuur zendt, na behandeling door het algemeen bestuur, vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. Het dagelijks bestuur voegt bij de jaarrekening een accountantsverklaring en een verslag van bevindingen van de accountant.
3Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening over het afgelopen jaar en stelt haar vast.
4Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten.
5Van de vaststelling van de jaarrekening doet het dagelijks bestuur mededeling aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten.
6De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ten aanzien van het daarin verwoorde financieel beheer.
7Besluiten van het algemeen bestuur die betrekking hebben op het toevoegen van het bestemmingsresultaat van de jaarrekening aan de algemene reserve worden vooraf voor een zienswijze aan de raden en het algemeen bestuur van het waterschap voorgelegd
8Indien de Nota verbonden partijen en overige samenwerking West-Brabant andere termijnen voorschrijft dan de in dit artikel genoemde termijnen, dan hanteren wij de termijnen uit de Nota verbonden partijen en overige samenwerking West-Brabant.
Artikel 33 Definitieve bijdrage
1In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage, berekend op basis van de in artikel 31, lid 2, bedoelde berekeningswijze, opgenomen.
2Verrekening van het verschil tussen het op grond van 31 lid 1 bepaalde bedrag en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 32 lid 5 bedoelde mededeling.
Artikel 34 Regels met betrekking tot de administratie
1Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.
2De BWB houdt de administratie van de opgelegde aanslagen en de ingevorderde belastingen gescheiden van de administratie voor de bedrijfsvoering van de BWB.
3De ingevorderde belastingen worden beheerd op een uitsluitend daartoe bestemde rekening.
4Het is de BWB niet toegestaan te ontvangen of ontvangen belastingen te verrekenen met de bijdragen van de deelnemers.
5Ingevorderde belastingen worden periodiek overgemaakt naar de rekening van de betreffende deelnemer. Het algemeen bestuur bepaalt de duur van de periode.
6Het dagelijks bestuur zendt periodiek aan het dagelijks bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten een overzicht van de te heffen, geheven, in te vorderen en ingevorderde belastingen. Het algemeen bestuur bepaalt de duur van de periode.
7De BWB verstrekt aan de deelnemers de informatie die deze opvragen om hun beleid te kunnen vormen ten aanzien van de in artikel 4 bedoelde onderwerpen.
Artikel 35 Controleregels
1Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van de vermogenswaarden. De regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.
2De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien onder meer in de aanwijzing van een registeraccountant als bedoeld in artikel 2:393 van het Burgerlijk Wetboek belast met het onderzoek van de jaarrekening alsmede het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de rekening bevindingen beat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan de eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.
Hoofdstuk 11: Toetreding en uittreding
Artikel 36 Toetreding
1Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente dat wenst toe te treden, dient het verzoek tot toetreding, met inbegrip van de verkregen toestemming van de gemeenteraad, in bij het dagelijks bestuur.
2Het dagelijks bestuur legt het verzoek tot toetreding ter advisering voor aan het algemeen bestuur.
3Vervolgens zendt het dagelijks bestuur het verzoek tot toetreding met het advies van het algemeen bestuur toe aan de dagelijkse besturen van de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de verzochte toetreding. Van hun besluit stellen de deelnemers het algemeen bestuur schriftelijk in kennis.
4Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente treedt toe tot de regeling, indien tenminste tweederde van de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling, na verkregen toestemming van hun gemeenteraden dan wel het algemeen bestuur van het waterschap, hebben ingestemd met de verzochte toetreding.
5Aan de toetreding kunnen door het algemeen bestuur voorwaarden worden verbonden.
6De toetreding gaat in op de eerste dag van het jaar volgende op het jaar waarin de in lid 4 vermelde instemming tot de toetreding is verleend, met dien verstande, dat tussen de toetreding en de in lid 4 bedoelde instemming een periode van tenminste 6 maanden is gelegen.
7Het toegetreden college van burgemeester en wethouders van een gemeente doet zo spoedig mogelijk de nodige aanwijzingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van deze regeling.
Artikel 37 Uittreding
1Een deelnemer kan uittreden uit de regeling.
2Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is het niet mogelijk om uit de regeling uit te treden.
3Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht genomen, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het uittredingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders respectievelijk het dagelijks bestuur van het waterschap.
4Uittreding uit de regeling vindt steeds plaats per 1 januari met inachtneming van de opzegtermijn uit het vorige lid.
5Een deelnemer die uit de regeling wenst te treden stuurt, na verkregen toestemming van het algemeen bestuur van het waterschap respectievelijk de gemeenteraad, zijn besluit tot uittreding bij aangetekend schrijven aan het dagelijks bestuur.
6Het dagelijks bestuur maakt dit besluit tot uittreding onmiddellijk bekend bij het algemeen bestuur en de dagelijkse besturen van de deelnemers.
7Indien een deelnemer overeenkomstig het bepaalde in lid 5 van dit artikel zijn besluit tot uittreding kenbaar heeft gemaakt, stelt het algemeen bestuur uiterlijk 16 weken voor de datum van uittreding het schadebedrag vast en de financiële en personele gevolgen voor de gemeenschappelijke regeling.
8Het schadebedrag wordt gesteld op:
a.In jaar 1 na uittreding: 100% van de jaarbijdrage zoals vastgesteld in jaarrekening in het jaar waarin het verzoek tot uittreding is ontvangen, te betalen in vier gelijke termijnen, vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober.
b.In jaar 2 na uittreding: 66% van de jaarbijdrage zoals vastgesteld in jaarrekening in het jaar waarin het verzoek tot uittreding is ontvangen, te betalen in vier gelijke termijnen vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober.
c.In jaar 3 na uittreding: 33% van de jaarbijdrage zoals vastgesteld in jaarrekening in het jaar waarin het verzoek tot uittreding is, te betalen in vier gelijke termijnen vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober.
9Het bepaalde in de vorige leden is van overeenkomstige toepassing indien de uittreding van een deelnemer betrekking heeft op een of meer van de deeltaken WOZ, heffen, innen en of BAG, met dien verstande dat het schadebedrag wordt gesteld op 200% van het deel van de jaarbijdrage die ziet op de deeltaak, waarbij het schadebedrag wordt betaald in vier gelijke termijnen, vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober.
10Bij het uittreden van een deelnemer voor een of meer deeltaken, kunnen het college danwel het dagelijks bestuur van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur van de BWB besluiten dat de BWB de bevoegdheid blijft behouden voor het uitvoeren van die deeltaken op basis van de tot de uittredingsdatum geldende verordeningen van de uittredende deelnemer.
Hoofdstuk 12: Wijziging en opheffing, evaluatie
Artikel 38 Wijziging van de regeling, evaluatie
1De regeling kan door de deelnemers worden gewijzigd op voorstel van het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur van de BWB, maar ook het dagelijks bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten kunnen het algemeen bestuur oproepen om een wijzigingsvoorstel vast te stellen.
2Het dagelijks bestuur zendt de deelnemers het voorstel tot wijziging en het advies van het algemeen bestuur daarover toe en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit over de voorgestelde wijziging. Van hun besluit stellen de deelnemers het dagelijks bestuur schriftelijk in kennis.
3Het dagelijks bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten besluiten omtrent de voorgestelde wijziging nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van het algemeen bestuur van het waterschap dan wel de raden van de gemeenten.
4Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer tweederde van de deelnemers op de wijze als vermeld in het tweede lid zich daarvoor heeft verklaard.
5In afwijking van de vorige leden van dit artikel kan een wijziging of intrekking van artikel 31 lid 2 en van dit lid slechts plaats vinden bij een unaniem besluit van alle deelnemers aan de regeling.
6De werkwijze en het functioneren van de BWB worden vierjaarlijks geëvalueerd. Op voorstel van het algemeen bestuur kan tussentijds tot een evaluatie worden overgegaan, tenzij een meerderheid van de raden van de deelnemers en het algemeen bestuur van het waterschap besluit af te zien van een evaluatie.
Artikel 39 Opheffing en liquidatie
1De regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van ten minste tweederde van de deelnemers.
2Artikel 38 is van zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
3Ingeval een besluit tot opheffing volgens het eerste lid is genomen, besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het, gehoord de deelnemers, een liquidatieplan vast.
4Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing, in de vereffening van de aanwezige middelen, en in de regeling van de personele gevolgen.
5Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan.
6Zo nodig blijven het dagelijks bestuur en de overige organen ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat het liquidatieplan is uitgevoerd.
Hoofdstuk 13: Overige bepalingen
Artikel 40 Archief
1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de BWB overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften.
2De directeur is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden.
3Voor de bewaring van de op grond van de Archiefwet 1995 over te brengen bescheiden wijst het dagelijks bestuur een Bewaarplaats aan.
4In de archiefverordening BWB zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot het bepaalde in de voorgaande leden.
Artikel 41 Geschillen
1Indien er een geschil is ontstaan tussen de deelnemers onderling of tussen een of meer deelnemers en het bestuur van de BWB omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van deze regeling, wordt het geschil, voorafgaande aan het nemen van een besluit daarover door het algemeen bestuur, ter advisering voorgelegd aan een door het algemeen bestuur samengestelde geschillencommissie of aangewezen mediator. Nadat advies is uitgebracht neemt het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een besluit.
2Indien het geschil overeenkomstig het eerste lid niet is opgelost, wordt hierover door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant beslist.
3Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien het gevallen betreft behorende tot die vermeld in artikel 112 lid 1 van de Grondwet of tot die waarvan beslissing krachtens artikel 112 lid 2 van de Grondwet is opgedragen aan hetzij de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.
Artikel 42 Participatie
1Belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers en het dagelijks en het algemeen bestuur van het waterschap betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
2In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.
3Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap gezamenlijk, het dagelijks bestuur hierom verzoeken.
4Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Artikel 43
Vervallen
Hoofdstuk 14: Slotbepalingen
Artikel 44 Regeling Klachtbehandeling
Het algemeen bestuur stelt in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht en Titel 2, hoofdstuk IV c van de gemeentewet een regeling klachtbehandeling vast, waarbij een ieder het recht heeft een ombudsman of ombudscommissie schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen.
Artikel 45 Inwerkingtreding
De regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag volgend op de dag waarop het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur het besluit tot het wijzigen van de regeling bekend heeft gemaakt.
Artikel 46 Duur van de regeling
De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde duur.
Artikel 47 Inschrijving in register
Het dagelijks bestuur zorgt voor de inschrijving van de regeling in het register gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 48 Naam van de regeling
De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant”.