Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ De Fryske Marren

Gemeente De Fryske Marren · geldt sinds 10 februari 2022

Aanhef

Indeling

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Hoofdstuk 2 Hoogwaardig handhaven

Artikel 2.1 Beleidsplan handhaving 2013

Artikel 2.2 Inkeerregeling

Hoofdstuk 3 Terugvordering

Artikel 3.1 Herziening en intrekken toekenningsbesluit

Artikel 3.2 Onterecht of te hoog bedrag verleend

Artikel 3.3.1 Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit

Artikel 3.3.2 Afzien van terugvordering conform zesmaanden-jurisprudentie

Artikel 3.4 Bruto of netto terugvorderen

Hoofdstuk 4 Invordering

Artikel 4.1 Betalingsverplichting

Artikel 4.2 Verrekening, beslaglegging en eventuele rente en kosten

Hoofdstuk 5 Kwijtschelding

Artikel 5.1 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Artikel 5.2 Afzien van kwijtschelding

Artikel 5.3 Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek

Artikel 5.4 Kwijtschelding fraude-vorderingen

Hoofdstuk 6 Verhaal

Artikel 6.1 Verhaal

Hoofdstuk 7 Bestuurlijke boete

Artikel 7.1 Geen benadelingsbedrag

Artikel 7.2 Verrekening bestuurlijke boete met beslagvrije voet bij recidive

Artikel 7.3 Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente

Artikel 7.4 Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht

Hoofdstuk 8 Slotbepaling

Artikel 8.1 Inwerkingtreding

Algemene toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Algemene toelichting

Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), waaronder ook de handhaving.

Middels het vaststellen van de Verordening Handhaving Participatiewet IOAW en IOAZ De Friese Meren (citeertekst) voldoet de gemeenteraad aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 8 Participatiewet, artikel 35 eerste lid aanhef en onderdeel c IOAW en IOAZ. Het college is bevoegd om voor de uitvoering van deze verordeningen nadere regelgeving vast te stellen. Deze regels zijn vastgelegd in de Beleidsregels Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ De Friese Meren (citeertekst).

Onder het begrip handhaving worden alle activiteiten van de gemeente verstaan die er op gericht zijn dat betrokkenen zich aan wet- en regelgeving houden. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijstand of de uitkering dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Hierbij zijn er twee groepen activiteiten te onderscheiden, namelijk preventie en repressie. Bij preventie gaat het om de nalevingsbereidheid van belanghebbenden te bevorderen. Onder repressie wordt verstaan dat geconstateerd misbruik in een zo vroeg mogelijk stadium wordt opgespoord en bestraft.

Het handhavingsbeleid bestaat uit een aantal onderdelen, te weten: preventieve en repressieve fraudebestrijding, boetes, maatregelen, terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal.

In de Verordening Handhaving Participatiewet IOAW en IOAZ De Friese Meren (citeertekst) zijn de doelstellingen en uitgangspunten van het handhavingsbeleid benoemd.

De Beleidsregels Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ De Fryske Marren gaan op hoofdlijnen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip ‘hoogwaardig handhaven’ (zie hiervoor het Beleidsplan Handhaving 2013) en de wijze van terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal.

De Fryske Marren voert haar handhavingsbeleid uit binnen het concept van de hoogwaardige handhaving. Hoogwaardige handhaving heeft als doel het maximaliseren van de spontane nalevingsbereidheid van de wet- en regelgeving via:

1Goed en vroegtijdig informeren van cliënten over rechten, plichten en handhaving.

2Het optimaliseren van de dienstverlening zodat de spontane naleving vergroot wordt.

3Het vroegtijdig detecteren en afhandelen van fraudesignalen.

4Bij constatering van fraude, het feitelijk sanctioneren middels de oplegging van een boete en terugvordering van de ten onrechte verstrekte betaling.

In de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ is terugvordering van niet-fraudevorderingen een bevoegdheid van gemeenten. De gemeente bepaalt in beleid de terugvorderings- en verhaalregels.

Wanneer handhavingsbeleid wordt vastgesteld hoeft het college slechts naar het beleid te verwijzen wanneer zij gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid.

Vaststellen van kwijtscheldingsbeleid is noodzakelijk omdat in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ geen bepalingen zijn opgenomen inzake kwijtschelding.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.1

Het Beleidsplan Handhaving is in 2013 tot stand gekomen in samenwerking met de gemeenten Littenseradiel, De Friese Meren, Súdwest Fryslân en de Dienst SoZaWe Noardwest Fryslân.

In dit beleidsplan is hoogwaardig handhaven het uitgangspunt dat wil zeggen dat zowel repressie als preventie aandacht krijgen middels vier aandachtsgebieden:

1Goed en vroegtijdig informeren van cliënten over rechten, plichten en handhaving.

2Het optimaliseren van de dienstverlening zodat de spontane naleving vergroot wordt.

3Het vroegtijdig detecteren en afhandelen van fraudesignalen.

4Bij constatering van fraude, het feitelijk sanctioneren middels de oplegging van een boete en terugvordering van de ten onrechte verstrekte betaling.

Daarnaast is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24-11-2014 van belang. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 7.1 van deze beleidsregels.

Artikel 2.2

Artikel 18, lid 11 van de Participatiewet geeft aan het college de bevoegdheid om een eerdere opgelegde maatregel te herzien als de belanghebbende uit zijn houding en gedraging ondubbelzinnig heeft laten blijken zijn verplichtingen na te komen.

Dat lid 11 bepaalt tevens dat het betreft de verplichtingen die benoemd zijn in het vierde lid van artikel 18 van de Participatiewet en dat zijn de zogenaamde uniforme arbeidsverplichtingen. De duur van de schending van deze verplichtingen is opgenomen in de afstemmingsverordening.

Aan het college is dus de bevoegdheid gegeven regels te stellen onder welke voorwaarden tot herziening van die opgelegde maatregel wordt overgegaan en hoe die herziening dan plaatsvindt. Ook kan worden bepaald voor welke gedragingen deze herziening kan plaatsvinden.

Het betreffende lid 11 van artikel 18 bepaalt dat deze gevraagde herziening van een opgelegde afstemming betrekking hebben op de verlagingen die op grond van het vijfde, zesde of zevende lid zijn toegepast.

Het vijfde lid van artikel 18 van de Participatiewet bepaalt dat een gedraging als bedoeld in het vierde lid dient te leiden tot een verlaging van 100% van de bijstand voor een bij verordening (de afstemmingsverordening) te bepalen duur van ten minste een maand. Het zesde en zevende lid bepaalt de duur van de verlaging bij een eerste respectievelijke volgende recidives.

De zogenaamde inkeerregeling heeft hiermee betrekking op de opgelegde afstemmingen op grond van de uniforme arbeidsverplichtingen en de afstemmingen die bij wijze van recidive zijn opgelegd van dergelijke gedragingen.

Artikel 3.3.2

Het feit dat terugvordering in de Participatiewet een bevoegdheid is, voor zover de terugvordering niet het gevolg is van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, en geen plicht, betekent ook dat het college bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moet houden met algemene rechtsbeginselen. In dat kader heeft de CRvB de zogenaamde 'zes-maanden-jurisprudentie' geformuleerd. Deze jurisprudentie houdt in dat een bestuursorgaan een bevoegdheid tot terugvordering niet kan uitoefenen ter zake van betalingen die gedaan zijn meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel wordt betaald (zie CRvB 24-07-2007; LJN: BB0561 en CRvB 21-04-2009; LJN: BI2112). Het college is niet gehouden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien op grond van de zes-maanden-jurisprudentie als de belanghebbende zelf niet of niet volledig aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan (zie CRvB 11-08-2009; LJN: BJ5943). Een beroep op de zes-maanden-jurisprudentie kan immers alleen slagen als er geen sprake is geweest van het niet, niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor het recht op bijstand relevante informatie (zie CRvB 13-04-2010; LJN: BM3125). In het geval de belanghebbende zelf niet of niet volledig aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan geldt de zes-maanden-jurisprudentie niettemin indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Hiervan is in ieder geval sprake indien het college er expliciet van op de hoogte was dat belanghebbende de inlichtingenverplichting had geschonden en over een vermogen beschikte dat ruimschoots de voor hem geldende vermogensgrens overschreed en in plaats van de uitkering in te trekken heeft volstaan met het opleggen van een maatregel (zie CRvB 06-04-2010; LJN: BM1920).

Artikel 3.4.

In de praktijk levert het bruto bedrag terugvorderen onbegrip bij belanghebbenden op. De belanghebbende moet namelijk meer terugbetalen dan hij heeft ontvangen en moet via de belastingdienst de betaalde premies en belastingen zien terug te krijgen.

Er wordt daarom gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te zien van de brutering, met uitzondering van terugvorderingen als gevolg van fraude.

Dit op basis van het uitgangspunt dat in geval van fraude alle verstrekte bijstandsbedragen, niet te verrekenen premies en belastingen voor rekening van de belanghebbende moeten blijven.

Artikel 4.1.1

Het is een verplichting om het aflossingsbedrag te voldoen. We hebben dan ook te maken met een betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat het een verplichting betreft, wordt hier bepaald dat een aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of betalingsbesluit geldt als aflossingsverplichting.

Artikel 4.1.2.2

Bij een lopende uitkering vindt de aflossing plaats door middel van een verrekening met de maandelijks verleende uitkering, dit op grond van artikel 60, derde lid van de Participatiewet en artikel 28 derde lid van zowel de IOAW als de IOAZ.

Artikel 4.1.2.3

In principe moet het teruggevorderde bedrag ineens en binnen 6 weken terug worden betaald (artikel 4:87 Awb). Betrokkene kan om een betalingsregeling vragen, als in redelijkheid niet kan worden verwacht dat het verschuldigde bedrag binnen de betalingstermijn wordt voldaan. Zolang geen afzonderlijk besluit wordt genomen, is in principe uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 4:94 Awb. Dit kan overigens ook al expliciet worden opgenomen in het terugvorderingsbesluit.

Artikel 4.1.4

De aflossingscapaciteit, bestaande uit het verschil tussen netto inkomen en de beslagvrije voet, kan onder invloed van bijzondere, individuele omstandigheden van financiële, sociale of persoonlijke aard worden bijgesteld. De uitwerking hiervan wordt nader uitgewerkt in een werkinstructie.

Artikel 4.1.10

Het college heeft de ruimte om maatwerk aan de belanghebbende ten aanzien van het ingezette instrument te bieden. Als extra motivatie of stimulans kan de terugbetalingsverplichting van een niet-fraudevordering gedurende een bepaalde aaneengesloten periode van werk (dus uitkeringsonafhankelijkheid) worden opgeschort. Indien de belanghebbende binnen de afgesproken termijn, door eigen toedoen, terugkeert in de uitkering dan zal de belanghebbende (weer) moeten aanvangen met aflossing op de vordering. Over het voorgaande dienen vooraf heldere afspraken met belanghebbende te worden gemaakt.

Artikel 4.1.10.2

Feitelijk wordt de debiteur in staat geacht om 5% van de uitkering, inclusief vakantiegeld, aan te kunnen wenden voor aflossing van de vordering. Dit hangt samen met de basis beslagvrije voet van 95 % van de bijstandsnorm. Rekening houdend met het feit, dat een uitkering een minimuminkomen is, wordt enige ruimte gecreëerd om akkoord te gaan met een lagere aflossing. Enerzijds door een exacte berekening van de beslagvrije voet en anderzijds door het mogelijk verdelen van de aflossing over een periode van 36 maanden.

Toelichting wet vereenvoudiging beslagvrije voet

De hoogte van de beslagvrije voet wordt bepaalt door de leefsituatie van de schuldenaar en de inkomensgroep waarin hij valt.

Leefsituatie:

Er geldt een vast bedrag per leefsituatie. De wet kent 4 leefsituaties:

1Alleenstaande;

2Alleenstaande met een of meer kinderen jonger dan 18 jaar (alleenstaande ouder);

3Gehuwden zonder kinderen jonger dan 18 jaar; en

4Gehuwden met een of meer kinderen jonger dan 18 jaar.

Deze specifieke leefsituaties sluiten aan bij het stelsel van de Participatiewet.

Inkomensgroepen:

De andere factor die de hoogte van de beslagvrije voet bepaalt, is het inkomen. Er zijn 3 inkomensgroepen:

1Personen met een hoog inkomen. Voor hen geldt een wettelijk vastgelegd bedrag per leefsituatie;

2Personen die wel recht hebben op toeslagen, maar door hun inkomen niet de volledige toeslagen krijgen. Voor hen geldt een formule met een evenredige ophoging (compensatieknop);

3Personen met een inkomen gelijk aan of lager dan de voor hen geldende bijstandsnorm.

Bij de laatste groep is in de huidige situatie de beslagvrije voet vaak hoger dan het inkomen zelf. De regering wil een belangrijk signaal afgeven dat schuldenaren hun financiële verplichtingen moeten nakomen. Daarom wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 95% van het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag. Dat betekent dat een bijstandsgerechtigde 5% van zijn uitkering voor aflossing van zijn schulden moet inzetten. Dit geldt ook voor de bijstandsgerechtigde kostendeler.

Berekening systematiek per inkomensgroep:

De hoogte van het inkomen bepaalt de hoogte van de beslagvrije voet. Hieronder wordt de systematiek per inkomensgroep uiteengezet.

1Inkomen gelijk of lager dan de bijstandsnorm.

Voor deze groep is de beslagvrije voet 95% van het netto-inkomen inclusief vakantiebijslag. Voor 1 januari 2021kon het zo zijn dat een inwoner een inkomen had dat lager was dan de beslagvrije voet, bijvoorbeeld een kostendeler. Dan hoefde diegene niets af te lossen. De regering wil een signaal afgeven dat je je schulden moet betalen. Daarom is er voor gekozen om ook bij een inkomen gelijk aan of lager dan de bijstandsnorm afloscapaciteit te creëren. Dit is de 5%-regeling geworden. Ook met een laag inkomen zal de inwoner 5% van zijn inkomen moeten afdragen om de schulden af te lossen.

2Personen die wel recht hebben op toeslagen, maar door hun inkomen niet de volledige toeslagen krijgen. Voor hen geldt een formule met een evenredige ophoging (compensatieknop).

De personen in deze groep hebben wel recht op toeslagen, maar door de hoogte van hun inkomen ontvangen ze geen volledige toeslag. De ontbrekende toeslag wordt gecompenseerd met een eenmalige ophoging, de zogeheten compensatiekop. De maximale compensatiekop bestaat uit 3 componenten, namelijk zorg, wonen en kinderen (en 2 componenten wanneer de schuldenaar geen kinderen heeft). De ophoging voor zorgtoeslag is daarbij gemaximeerd tot de maximale zorgtoeslag. De component voor woonkosten en kind gebonden budget binnen de compensatiekop is gemaximeerd door middel van een inkomensgrens. De maximale compensatie voor wonen is gelijk aan de maximale huur waarbij er nog recht is op huurtoeslag verminderd met de normhuur bij het minimum-inkomensijkpunt. De compensatiekop wordt berekend op basis van de zorgtoeslag en huurtoeslag, en bij de leefsituatie met kinderen telt ook het kind gebonden budget mee. De compensatiekop houdt gelijke tred met de afbouw van het recht op toeslagen naarmate het inkomen van de schuldenaar stijgt. De compensatiekop komt bovenop de algemene ondergrens van 95% van de voor de betreffende leefsituatie geldende bijstandsnorm.

3Personen met een inkomen gelijk aan of lager dan de voor hen geldende bijstandsnorm.

Er geldt een vast bedrag per leefsituatie. Deze bedragen staan in de wet.

Verlaging beslagvrije voet

•het periodieke onbeslagen netto-inkomen van de schuldenaar

•het periodieke onbeslagen netto-inkomen van de partner (tot maximaal 50% van de beslagvrije voet)

•de loonbelasting voor de fiscale bijtelling voor privégebruik van een vervoermiddel

Bijzondere groepen

Personen die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland hebben

Binnen deze groep zijn 3 subgroepen te onderscheiden:

a.schuldenaren die in het BRP geregistreerd staan als «vertrokken onbekend waarheen» (VOW) en van wie geen woon- of verblijfsplaats bekend is;

b.schuldenaren met alleen een briefadres;

c.schuldenaren die een vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland hebben.

Voor deze subgroepen geldt een beslagvrije voet van 47,5% van de bijstandsnorm voor gehuwden. Als het van de schuldenaar bekende netto-inkomen lager is dan 50% van die bijstandsnorm, wordt een beslagvrije voet van 95% van het netto-inkomen gehanteerd.

Voor schuldenaren in subgroep c geldt een beslagvrije voet die passend is voor het woonland waar de schuldenaar verblijft. De schuldenaar moet daarvoor wel de deurwaarder informeren over zijn leefsituatie en bronnen van inkomsten. Op basis van het inkomen en de leefsituatie wordt de beslagvrije voet berekend en vermenigvuldigd met een woonlandfactor (zie bijlage 1 bij de Regeling beslagvrije voet). Voor de woonlandfactor is aansluiting gezocht bij de woonlandfactor uit de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid.

Woningbezitters

Eigenwoningbezitters die een belastbaar inkomen hebben waarbij zij in aanmerking zouden komen voor huurtoeslag kunnen een verzoek doen de beslagvrije voet te verhogen.

Jongeren tot 21 jaar

De afloscapaciteit van thuiswonende jongeren, tot 21 jaar, is 5% van de thuiswonende norm. De afloscapaciteit van de noodzakelijk uitwonende is 5% van de norm voor personen vanaf 21 jaar, exclusief vakantiegeld. De aflossing wordt ingehouden op de algemene bijstand. De beslagvrije voet voor jongeren tot 21 jaar, zonder bijstandsuitkering, is 95% van de norm voor personen vanaf 21 jaar.

Crisisopvang

Indien een klant is opgenomen in de crisisopvang van Fier/Limor en we de eigen bijdrage voor verblijf inhouden op de uitkering (zie richtlijn GB015) dan wordt de beslagvrije voet vastgesteld op basis van de norm voor een alleenstaande en niet op basis van de norm voor verblijf in een inrichting

Verblijf inrichting

De beslagvrije voet is voor personen in een inrichting de prijs die verschuldigd is voor verzorging dan wel verpleging, verhoogd met twee derden van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 23, eerste lid, Participatiewet én het bedrag, genoemd in artikel 23, tweede lid, Participatiewet. Om praktische redenen wordt twee derde afgerond op 66,67%.

Personen jonger dan 21 jaar, verblijvend in een inrichting, hebben geen recht op algemene bijstand. Voor zover voor hun bestaanskosten geen (volledig) beroep kan worden gedaan op de ouders, kan er recht bestaan op bijzondere bijstand. De genoemde afloscapaciteit geldt ook voor jongeren tot 21 jaar, die in een inrichting verblijven en bijzondere bijstand ontvangen voor levensonderhoud.

Of er sprake is van een inrichting dan wel zelfstandige wooneenheid, hangt af van het bieden van slaapgelegenheid die niet als zelfstandige huisvesting is aan te merken.

Bestuursrechtelijke premie

Wanneer er sprake is van inning van de bestuursrechtelijke premie door het CAK dan wordt hierdoor de afloscapaciteit niet verlaagd.

Studiefinanciering

Personen met alleen studiefinanciering hebben geen afloscapaciteit. Als er neveninkomsten zijn naast de studiefinanciering is de afloscapaciteit 5% van de neveninkomsten.

Niet rechthebbende partner

De afloscapaciteit van iemand met een niet rechthebbende partner is 5% van de norm die wordt uitbetaald.

Artikel 4.1.10.3

Bij beëindiging van de uitkering als gevolg van werkaanvaarding, zal sprake zijn van een gewijzigde financiële situatie en zou een nieuwe betalingsverplichting vastgesteld kunnen worden. In dit artikel wordt geregeld, dat de eerder vastgestelde betalingsverplichting de eerste 6 maanden na de beëindiging gehandhaafd kan blijven. Dit geeft enerzijds rust en zekerheid aan de kant van de debiteur en anderzijds tijd voor de gemeente om een onderzoek te doen.

Artikel 4.2.1

De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering door middel van verrekening (wanneer aan de debiteur tevens bijstand of een andere inkomensvoorziening wordt verleend), of door middel van het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag (artikel 479g Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering) nadat aan de debiteur door toezending per post een dwangbevel bekend gemaakt is. Bij uitblijvende betaling zal, nadat een aanmaning ook geen nakoming van de betaalverplichting brengt de vordering uit handen gegeven worden aan een deurwaarder.

De Awb bepaalt dat verrekening van een schuld met een vordering alleen is toegestaan op basis van een wettelijk voorschrift. Hiertoe zijn bepalingen omtrent verrekening opgenomen in de diverse wetten in de artikelen over terug- en invordering. Deze bepalingen maken het mogelijk om inkomensvoorzieningen onderling met elkaar te verrekenen. Dat betekent dat een bijstandsschuld bijvoorbeeld mag worden verrekend met de IOAW-uitkering. Verrekening is alleen mogelijk voor zover de uitkering waarmee verrekend wordt, vatbaar is voor beslag. Een openstaande vordering mag dus niet worden verrekend met bijzondere bijstand. De bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening mag overigens wel (op grond van artikel 48, vijfde lid, Participatiewet) met de algemene bijstand of met een andere inkomensvoorziening worden verrekend. Er hoeft geen sprake te zijn van verzuim, voordat het college tot verrekening van de vordering kan overgaan. Bij verrekening moet altijd de beslagvrije voet in acht worden genomen. Tenuitvoerlegging door middel van beslag kan geschieden conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Wanneer de gemeente moet overgaan tot dwanginvordering, is er geen mogelijkheid meer voor kwijtschelding.

Artikel 4.2.3

De verzamelwet SZW 2013 heeft een wijziging doorgevoerd in artikel 60a. In artikel 60a lid 4 Participatiewet is beschreven dat het college bevoegd is om een vordering die een belanghebbende op hem heeft te verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet. In artikel 4.2.3 geeft het college aan gebruik te maken van deze bevoegdheid. Op grond van artikel 4:84 Awb (inherente afwijkingsbevoegdheid) kan hiervan op grond van bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Een en ander indien en voor zover een strikte toepassing van de betreffende beleidsregel voor een belanghebbende gevolgen heeft die in geen enkele verhouding staan tot de met de daarmee beoogde doelen.

Artikel 6.1.1

Het college besloot 19 februari 2013 geen gebruik te maken van de verhaalsbevoegdheid voor zover he betreft verhaal op grond van artikel 62 onder b (onderhoudsplicht na echtscheiding). Het college besloot in plaats daarvan om het accent te leggen op effectuering van de rechterlijk vastgestelde onderhoudsplicht. De belangrijkste argumenten die hieraan ten grondslag liggen zijn de volgende:

•verhaal is nagenoeg overbodig als onderhoudsgerechtigden verplicht worden zelf hun onderhoudsrecht te gelde te maken;

•het is meer dienstverlenend naar de cliënt omdat vastgestelde alimentatie ook blijft bestaan als het recht op bijstand is beëindigd.

Artikel 7.1

Op 24 november heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een uitspraak gedaan over de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid in de sociale zekerheid (Fraudewet

In de Verzamelbrief gemeenten 2014 – 3 van 16 december 2014 geeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan wat de uitspraak inhoudt voor gemeenten en verzoekt zij de gemeenten per direct te handelen in lijn met deze uitspraak. Dit betekent dat de gemeente de boetebeslissingen vanaf de datum uitspraak, met inbegrip van beslissingen met een op die datum nog lopende bezwaar- of beroepstermijn, heroverweegt met inachtneming van de uitspraak.

De uitspraak houdt het volgende in:

•In zijn uitspraak beslist de CRvB dat het overgangsrecht zoals opgenomen in de Fraudewet in strijd is met het legaliteitsbeginsel, zoals opgenomen in het EVRM. Bij boeteoplegging voor overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2013 maar voortduren na 1 januari 2013 moet een knip gemaakt worden. Op handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenplicht voor 1 januari 2013 moet het dan geldende lichtere sanctieregime worden toegepast.

•De CRvB stelt voorts dat de boetes zo hoog zijn dat dit vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel. Het ligt naar het oordeel van de CRvB in de rede om alleen een boete van 100% op te leggen als opzet is bewezen en van 75% als grove schuld is bewezen. In de overige gevallen is 50% het uitgangspunt. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de boete verlaagd tot 25%.

•Daarnaast stelt de CRvB dat de hoogte van de boete bij overtredingen in alle individuele gevallen moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de (financiële) omstandigheden van de betrokkene(n). Door deze uitspraak hebben de bepalingen met betrekking tot de minimumboete geen praktische betekenis meer.

•Verder oordeelt de CRvB dat boetes niet hoger mogen zijn dan de boetes zoals in het strafrecht (art. 23, vierde lid Wetboek van Strafrecht) is vastgelegd. Dit betekent dat in het geval er sprake is van opzet de boete maximaal € 81.000 kan bedragen. In alle overige gevallen (waaronder in geval van grove schuld) bedraagt de maximale boete € 8.100.

Voorbeeld:

Stel er is sprake van een benadelingsbedrag van € 20.000 als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting. Uitgaande van de percentages voor de boetehoogte die door de CRvB zijn vermeld zou dit het volgende betekenen:

a.er is sprake geweest van opzet: de bestuurlijke boete bedraagt: €20.000 (100%; maximum van de vijfde categorie wordt niet overschreden);

b.er is sprake geweest van grove schuld: de bestuurlijke boete bedraagt: € 8.100 (75% van € 20.000, maar maximum van de derde categorie);

c.er is sprake geweest van een overtreding zonder verhoogde of verminderde verwijtbaarheid: de bestuurlijke boete bedraagt: € 8.100 (50% van € 20.000, maar met maximum van de derde categorie);

d.er is sprake geweest van verminderde verwijtbaarheid: de bestuurlijke boete bedraagt: € 5.000 (25% van € 20.000, maximum van de derde categorie wordt niet overschreden).

Bij recidive geldt dat voor de berekening van de boete 150% van het benadelingsbedrag als uitgangspunt wordt genomen. Op dit bedrag wordt het boetepercentage toegepast dat voortkomt uit beoordeling van de mate van verwijtbaarheid (100% bij opzet tot 25% bij verminderde verwijtbaarheid).

Voorbeeld:

Stel er is sprake van recidive en het benadelingsbedrag bedraagt € 20.000 als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting. Hierbij wordt er van uitgegaan dat de desbetreffende percentages met de helft worden verhoogd:

a.er is sprake geweest van opzet: de bestuurlijke boete bedraagt: € 30.000 (150%; maximum van de vijfde categorie wordt niet overschreden);

b.er is sprake geweest van grove schuld: de bestuurlijke boete bedraagt: € 8.100 ((75% van (150 % van € 20.000) = € 22.500, maar met maximum van de derde categorie);

c.er is sprake geweest van een overtreding zonder verhoogde of verminderde verwijtbaarheid: de bestuurlijke boete bedraagt: € 8.100 ((50 % van (150% van € 20.000) = € 15.000, maar met maximum van de derde categorie);

d.er is sprake geweest van verminderde verwijtbaarheid: de bestuurlijke boete bedraagt: 25% van (150% van € 20.000) = € 7.500; maximum van de derde categorie wordt niet overschreden).

Afwijken mogelijk

Indien de omstandigheden van het geval dit nodig maken, kan het college afwijken van bovengenoemde uitgangspunten (zie CRvB 24-11-2014, zaaknummer 14/1949 WW e.a.). De ene gedraging kan immers ernstiger zijn dan de andere gedraging, ondanks een even grote opzet of schuld. Het percentage kan dan bijvoorbeeld in het ene geval iets worden verhoogd of verlaagd.

Geen benadelingsbedrag

In het geval van boetes zonder benadelingsbedrag toetst het college ook aan het evenredigheidsbeginsel. Indien geen sprake is van een benadelingsbedrag, schijft de wet immers evenmin exact voor hoe hoog de bestuurlijke boete moet zijn. Bovenstaand schema met aan opzet en grove schuld gerelateerde percentages kan niet één-op-één worden toegepast indien een boete wordt opgelegd waarbij geen sprake is van een benadelingsbedrag. De hoogte van de boete wordt volgens het schema immers gerelateerd aan het benadelingsbedrag.

Afronding bestuurlijke boete

De boete moet naar boven worden afgerond op een veelvoud van € 10,00 (artikel 2 lid 2 Boetebesluit sociale zekerheidswetten). Dit verdraagt zich in de meeste gevallen niet met artikel 18a lid 1 Participatiewet waarin is bepaald dat de hoogte van de boete ten hoogste het benadelingsbedrag mag bedragen indien schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag. Afronding naar boven maakt immers dat de hoogte van de boete hoger is dan het benadelingsbedrag In dat geval past het college artikel 2 lid 2 Boetebesluit sociale zekerheidswetten niet toe en stelt het college de bestuurlijke boete op het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid kan een boete worden verlaagd (zie: ‘Hoogte boete: individualisering’). In dat geval past het college wel artikel 2 lid 2 Boetebesluit sociale zekerheidswetten toe omdat de hoogte van de boete dan niet het benadelingsbedrag overstijgt.

Artikel 7.2.1

Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat verrekening niet mogelijk is voor zover beslag op de vordering nietig zou zijn. Concreet houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling vindt in artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven geeft de Participatiewet het college de bevoegdheid om deze bepaling in de eerste drie maanden na oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het college mag dus de openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een wellicht nog openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste drie maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen.

Het spreekt voor zich dat het hier gaat om een maximum bedrag. Mocht het recht van belanghebbende op bijstand beperkter zijn dan bedraagt de inhouding natuurlijk dit beperktere recht. Een bepaling zoals hier opgenomen in paragraaf 7.3 is in dit geval waarschijnlijk niet nodig.

Paragraaf 7.3

Zoals in de toelichting op artikel 7.2.1 aangegeven zijn in paragraaf 7.3 en artikel 7.4.1 de mogelijkheden om van het in artikel 7.2.1 benoemde principe af te wijken nader uitgewerkt.

Paragraaf 7.3 voorziet daarbij in de mogelijkheid voor belanghebbende om het college te verzoeken om in ieder geval de huur (en bij een eigendomswoning de hypotheekrente onder aftrek van de in dit kader ontvangen belastingteruggave en eventueel ontvangen bijzondere bijstand) via de bijstand te laten doorbetalen. Gedachte hierachter is dat met name moet worden gevreesd dat belanghebbende wanneer hij drie maanden van bijstand verstoken blijft het risico loopt dat hij vanwege de ontstane achterstand in de woonlasten uit huis wordt geplaatst met allerlei eventuele extra kosten voor de maatschappij. Om dit te voorkomen voorziet deze bepaling in de mogelijkheid dat het college het te verrekenen bedrag kan aanpassen, zodat alsnog vanuit de bijstand de woonlasten kunnen worden doorbetaald. Wel is gekozen voor een directe doorbetaling aan de verhuurder/hypotheekverstrekker om te voorkomen dat de bijstand voor andere zaken wordt ingezet, waardoor alsnog het risico van uithuisplaatsing reëel blijft.

In artikel 7.3.2 is daarnaast bepaald dat een verzoek tot doorbetaling zonder meer wordt geweigerd indien belanghebbende in redelijkheid over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel in redelijkheid deze gelden op korte termijn kan verwerven.

Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Participatiewet gedefinieerde middelenbegrip zijn immers een aantal posten uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen waarover belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de openstaande schulden geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter wel gelden die belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn levensonderhoud, voor zover hij er in ieder geval in redelijkheid over kan (gaan) beschikken.

Iemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken, indien het redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd vermogensbestanddelen te gelde weet te maken ofwel op korte termijn werk aanvaardt.

Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op die wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het college in deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z’n meubels of bed). En natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door werk te aanvaarden, maar indien de afstand van belanghebbende tot de arbeidsmarkt heel groot is, is het niet reëel om te verwachten dat hem dit op zeer korte termijn zal lukken. In dit soort situaties kan dus niet met een beroep op het tweede lid een verzoek tot doorbetaling zonder meer worden afgewezen.

Dat gesproken wordt over een verzoek houdt in dat belanghebbende zelf in actie moet komen zo hij de verrekening wil laten aanpassen. Dat houdt tevens in dat zo’n verzoek ook lopende de drie maanden van verrekening kan worden gedaan, mocht bijvoorbeeld plotseling blijken dat uithuiszetting dreigt of dat verwachte inkomsten uitblijven.

Artikel 7.4.

In artikel 7.4. zijn een tweetal situaties benoemd waarin het college ondanks de in de wet opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij verrekening in acht neemt. De genoemde omstandigheden betreffen situaties die ook tijdens de parlementaire behandeling expliciet zijn benoemd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.