Aanhef
Diverse regelingen
BEGRIPSBEPALINGEN
In deze regeling wordt verstaan onder:
bestuursorgaan: de heffings- of invorderingsambtenaar;
gemeente: De Fryske Marren (DFM);
overzicht: de bij deze regeling behorende lijsten;
secretaris: het ambtelijk hoofd van de gemeente De Fryske Marren.
VASTSTELLING
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren;
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 253 van de Gemeentewet en het bepaalde over de belastingplicht in de verordening onroerendezaakbelastingen, de verordening forensenbelasting, de verordening rioolheffing, de verordening reinigingsrechten en de verordening afvalstoffenheffing;
besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:
I. Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie
II. Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuzesituatie
III. Beleidsregels voor het toekennen van ambtshalve verminderingen van gemeentelijke belastingen
IV. Uitvoeringsregeling met betrekking tot de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen
V. Beleidsregels voor het opleggen van een aanslag afvalstoffen- en rioolheffing bij objecten die feitelijk niet worden gebruikt
BELEIDSREGELS VOOR HET TOEKENNEN VAN AMBTSHALVE VERMINDERINGEN VAN GEMEENTELIJKE BELASTINGEN
III Beleidsregels voor het toekennen van ambtshalve verminderingen van gemeentelijke belastingen
ARTIKEL 1 REIKWIJDTE EN DEFINITIES
1Deze beleidsregels gelden bij de heffing van gemeentelijke belastingen in de zin van artikel 219 van de Gemeentewet, met dien verstande dat onder gemeentelijke belastingen mede worden begrepen rechten die door de gemeente kunnen worden geheven.
2Van deze beleidsregels zijn uitgezonderd belastingaanslagen, waaraan ingevolge een wettelijk voorschrift een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking tot vaststelling van de waarde ten grondslag heeft gelegen, voor zover op deze aanslagen artikel 18a, eerste lid, onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van (overeenkomstige) toepassing is.
3Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.de ambtshalve vermindering: de vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belastingen bedoeld in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 244 van de Gemeentewet;
b.de belanghebbende: de belastingplichtige of degene die de belasting als hoofdelijk medeaansprakelijke heeft betaald;
c.de vijfjaarstermijn: de termijn door welks verloop na het tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld of het verlenen van een teruggaaf de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag of een naheffingsaanslag vervalt.
d.het bedrag van de vermindering: de vermindering van het belastingbedrag vermeerderd met (het daaraan toe te rekenen gedeelte van) de bestuurlijke boete of de kostenopslag, indien een bestuurlijke boete of een kostenopslag is toegepast. Het bedrag van de vermindering wordt berekend per belastingaanslag.
e.de belastingaanslag: de aanslag bedoeld in artikel 2, derde lid, onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met dien verstande dat voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
1de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde bedrag, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;
2het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel 1 bedoelde bedrag.
a.de belastingwet: algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels op het gebied van gemeentelijke belastingen.
ARTIKEL 2 GEVALLEN WAARIN AMBTSHALVE VERMINDERING WORDT VERLEEND
Ingeval het bedrag van de belasting had behoren te zijn vastgesteld op een bedrag dat tenminste 20 percent, met een minimum van € 10,- per aanslag lager is dan het te hoog vastgestelde bedrag van die belasting, verleent de heffingsambtenaar ambtshalve de vermindering waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt, indien:
a.een bezwaarschrift of een verzoekschrift niet ontvankelijk wordt verklaard wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift of het verzoekschrift dan wel om andere redenen van formele aard, of
b.uit enig feit blijkt dat een belastingaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en deze aanslag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet gehandhaafd kan worden.
ARTIKEL 3 UITZONDERINGEN
Het bepaalde in artikel 2 vindt geen toepassing indien:
a.ten tijde van het ontvangen van het bezwaarschrift of het verzoekschrift, dan wel op het tijdstip waarop het in artikel 2, onder b, bedoelde feit ter kennis van de heffingsambtenaar komt, de vijfjaarstermijn is verstreken;
b.aannemelijk is dat de belanghebbende door opzet of grove schuld de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een verzoekschrift ongebruikt heeft laten verstrijken;
c.een belastingplichtige, nadat de aanslag forensenbelasting onherroepelijk is vast komen te staan, in het jaar volgend op het belastingjaar een verhuurbemiddelingsovereenkomst overlegt waaruit volgt dat het eigen gebruik van een onroerende zaak in dat belastingjaar was beperkt en gelimiteerd tot maximaal 90 dagen per jaar.
ARTIKEL 4 JURISPRUDENTIE
1Een uitspraak van de Hoge Raad waarin een toepassing van de belastingwet besloten ligt die voor de belanghebbende gunstiger is dan de bij de heffing van de belasting gevolgde toepassing, leidt niet tot het ambtshalve verlenen van vermindering van belasting indien de belastingaanslag of de voldoening op aangifte onherroepelijk is komen vast te staan voor de dag, waarop de uitspraak door de Hoge Raad is gewezen, onderscheidenlijk voor de dagtekening van het beleidsbesluit of andere schriftelijke aanwijzing, tenzij het college van burgemeester en wethouders op dit punt een afwijkende regeling heeft getroffen.
2Hetgeen in het eerste lid is bepaald met betrekking tot een uitspraak van de Hoge Raad is in daartoe leidende gevallen van overeenkomstige toepassing op prejudiciële beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen alsmede op rechterlijke uitspraken van het Hof en andere supranationale colleges.
3Een uitspraak van een rechtbank of gerechtshof is doorgaans geen aanleiding voor het ambtshalve verlenen van vermindering van belasting. Dit lijdt evenwel uitzondering indien het college van burgemeester en wethouders kenbaar heeft gemaakt dat de uitspraak tot richtsnoer moet worden genomen. Het eerste lid is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
ARTIKEL 5 MEDEDELING VAN AFWIJZING
Indien geen termen aanwezig zijn om ambtshalve een vermindering te verlenen, wordt daarvan gemotiveerd mededeling gedaan in de uitspraak waarin de niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken van een bezwaarschrift of een verzoekschrift, bedoeld in artikel 2, onder a.
UITVOERINGSREGELING MET BETREKKING TOT DE HEFFING EN INVORDERING VAN GEMEENTELIJKE BELASTINGEN
IV Uitvoeringsregeling met betrekking tot de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen
ARTIKEL 1 ALGEMENE BEPALING
1Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen in de belastingverordeningen van de gemeente op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen.
2Voor de toepassing van deze regeling worden rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.
3De op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen bedoeld in artikel 233 van de Gemeentewet, worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder de aanslag of de voorlopige aanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde bedrag. Artikel 2 blijft bij de op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen buiten toepassing.
ARTIKEL 2 AANGIFTE
1De belastingplichtige voor:
a.de forensenbelasting
b.de toeristenbelasting;
c.de watertoeristenbelasting;
aan wie niet binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van die zes maanden bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet.
2Als formulier van het aangiftebiljet (water)toeristenbelasting wordt vastgesteld het formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage (W)TB1 opgenomen model.
3Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden ingevuld. Het aangiftebiljet wordt ondertekend en met de daarbij gevraagde bescheiden ingeleverd of toegezonden.
ARTIKEL 3 GEBRUIK NACHTVERBLIJFREGISTER TEN BEHOEVE VAN DE HEFFING VAN TOERISTENBELASTING
Bij de vaststelling van feiten ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar het door belastingplichtige bijgehouden nachtverblijfregister raadplegen.
ARTIKEL 4 VOORLOPIGE AANSLAG
1De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.
2De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan:
a.voor de toeristenbelasting en watertoeristenbelasting geschieden op grond van het bedrag dat voortvloeit uit de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het voorafgaande jaar, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag.
ARTIKEL 5 RENTE
1Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen vinden de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 29 van de Invorderingswet 1990 en de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990 overeenkomstige toepassing.
2In afwijking van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht indien deze in totaal een bedrag van € 10,- niet te boven gaat.
ARTIKEL 6 OVERGANGSRECHT
De modellen voor het formulier van het aangiftebiljet (water)toeristenbelasting worden geacht te zijn gebaseerd op artikel 2 van deze regeling.
BELEIDSREGELS VOOR HET OPLEGGEN VAN EEN AANSLAG AFVALSTOFFEN- EN RIOOLHEFFING BIJ OBJECTEN DIE FEITELIJK NIET WORDEN GEBRUIKT
V Beleidsregels voor het opleggen van een aanslag afvalstoffen- en rioolheffing bij objecten die feitelijk niet worden gebruikt
ARTIKEL 1 ALGEMEEN
Deze regeling is van toepassing op objecten die volgens opvatting van het maatschappelijk verkeer leeg staan en niet worden aangewend voor feitelijk gebruik door gebruiker en/of eigenaar en regelt in welke gevallen afvalstoffen- en/of rioolheffing verschuldigd is.
ARTIKEL 2 TOEPASSING
1Indien een object volgens opvatting van het maatschappelijk verkeer leeg staat en niet feitelijk wordt gebruikt door een gebruiker en/of de eigenaar, terwijl bij eigenaar en/of de voormalige gebruiker de intentie bestaat het object voor zichzelf te gebruiken of voor eigen gebruik beschikbaar te houden, is er toch sprake van gebruik in de zin van de Verordening afvalstoffenheffing en de Verordening rioolheffing in de hierna genoemde gevallen:
a.een object staat leeg, maar is gemeubileerd, aangesloten op de nutsvoorzieningen en aldus ingericht om terstond in gebruik te nemen;
b.een object staat leeg, maar is in afwachting van een geschikt moment van verkoop c.q. verhuur;
c.een object staat leeg en het is onduidelijk of en in hoeverre het object door de eigenaar en/of de voormalige gebruiker voor eigen gebruik wordt aangewend of voor eigen gebruik beschikbaar wordt gehouden en via het perceel is minstens sprake van afvoer van hemelwater.
2In de in het eerste lid, letters a en b genoemde gevallen is het tarief voor eenpersoonshuishoudingen van de Verordening rioolheffing en het tarief voor het in bruikleen hebben van containers van de Verordening afvalstoffenheffing overeenkomstig van toepassing.
3In de in het eerste lid, letter c genoemde geval is het tarief voor eenpersoonshuishoudingen van de Verordening rioolheffing overeenkomstig van toepassing.
BIJLAGEN
Bijlage (W)TB1: model voor het formulier van het aangiftebiljet (water)toeristenbelasting:
Aangifteformulier (water)toeristenbelasting 2025
Naam:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… Adres:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… Woonplaats:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………. Telefoonnummer:………………………………………………………………..E-mail:…………………………………………………………………… KVK-nummer:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
A.1 U biedt seizoens-of jaarplaatsen aan voor (sta)caravans (forfait):
U heeft………………..seizoen- of jaarplaatsen verhuurd voor (sta)caravans.
U moet voor bovenstaande verblijfsaccommodaties afrekenen op basis van de beschikbaarheid en het aantal slaapplaatsen. Geef hieronder aan in welke categorie deze te verdelen zijn:
Aantal Categorie Periode Tarief
………….. Max. 3 slaapplaatsen Seizoensplaats x (tarief) = ………………………… ………….. Meer dan 3 slaapplaatsen Seizoensplaats x (tarief) = ………………………… ………….. Max. 3 slaapplaatsen Jaarplaats x (tarief) = …………………………. ………….. Meer dan 3 slaapplaatsen Jaarplaats x (tarief) = ………………………….
A.2 Op uw recreatiepark biedt u de mogelijkheid aan tot overnachtingen (passanten)
U heeft: …..…… overnachtingen per persoon in een tent/caravan/chalet/stacaravan afgerekend x (tarief)=______________+
TOTAAL A = ………………………… B.1 U bent in het bezit van of u verhuurt een tent/caravan/chalet/stacaravan (particulier eigendom)
U heeft: ………..….overnachtingen per persoon afgerekend x (tarief) = …………………………
B.2 U bent in het bezit van of u verhuurt een vakantiewoning en/of appartement 0 t/m 4 slaapplaatsen
U heeft: …………... overnachtingen per persoon afgerekend x (tarief) = …………………………
B.3 U bent in het bezit van of u verhuurt een vakantiewoning en/of appartement 5 t/m 12 slaapplaatsen
U heeft: …………… overnachtingen per persoon afgerekend x (tarief)=_______________+
TOTAAL B = …………………………
C.1 U biedt de mogelijkheid aan tot overnachtingen in een hotel/B&B (doorhalen wat niet van toepassing is)
U heeft: ………..….eenpersoons kamer(s) beschikbaar U heeft: …………...twee- of meerpersoons kamer(s) beschikbaar
U moet voor de bovenstaande verblijfsaccommodatie afrekenen op basis van het totaal aantal overnachtingen. Totaal aantal overnachtingen per persoon: …..………………. x (tarief) = …………………………
C.2 U biedt de mogelijkheid aan tot overnachtingen in een groepsaccommodatie.
U heeft:………..…. Slaapplaatsen beschikbaar voor groepen U moet voor de bovenstaande verblijfsaccommodatie afrekenen op basis van het aantal overnachtingen.
Aantal overnachtingen per persoon (zonder vrijstelling): Tarief …………..……… x (tarief) = …………………………
………..…………… (vrijstelling)* _______________+ _____________ +
…………….……….Totaal TOTAAL C = …………………………
D.1 U biedt passanten tijdelijk een ligplaats aan in uw haven:
U heeft in totaal: ……………. ligplaatsen beschikbaar voor vaartuigen
U moet voor de bovenstaande ligplaatsen afrekenen op basis van het totaal aantal etmalen per persoon welke verblijf hebben gehouden in uw haven. Totaal: …………….etmalen per persoon x € 1,20 = …………………………
D.2 U verhuurt “vaste” ligplaatsen in uw haven (forfait):
U heeft: ……..……”vaste” ligplaatsen beschikbaar
U moet voor de bovenstaande ligplaatsen afrekenen op basis van de lengte van de vaartuigen
Aantal Categorie Tarief
…………... Vaartuigen tot 7 meter x € 33,60 € ………………………… ………..…. Vaartuigen 7 tot 10 meter x € 60,60 € ………………………… …………... Vaartuigen 10 meter en meer x € 62,70 € ………………………… …………... Vaartuigen van inwoners gemeente De Fryske Marren (niet belastingplichtig voor de toeristenbelasting) _______________+
TOTAAL D = …………………………
Berekening bedrag aangifte: Totaal A = ………………………………………. Totaal B = ………………………………………. Totaal C = ………………………………………. Totaal D = ……………………………………….
_______________________+
Totaal definitief** = ……………………………………….
Ondergetekende verklaart de gegevens voor de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld.
Datum: ………………………………………. Naam: ………………………………………. Plaats: ………………………………………. Handtekening: ………………………………………. Opmerkingen: ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
* Vrijstelling van scholieren vallende onder de wet op het voortgezet (speciaal) onderwijs (WVO). Vul het totaal aantal overnachtingen van scholieren in. U dient bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat deze personen daadwerkelijk onder de vrijstelling vallen. Dit kan door het overleggen van (kopie)facturen. Als er geen bewijsstukken worden overlegd, komt u niet in aanmerking voor de vrijstelling.
** Uw voorlopige aanslag (water)toeristenbelasting zal hiermee worden verrekend (indien van toepassing).