Aanhef
De raad van gemeente Barendrecht
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 november 2023;
Gelet op het advies van de commissie Ruimte van ;
overwegende dat
•Het gewenst is een bedrijveninvesteringszone (BIZ) te realiseren op bedrijventerrein Dierenstein;
•Er ten behoeve van de realisatie een BIZ-plan en uitvoeringsovereenkomst zijn opgesteld;
•Een verordening noodzakelijk is voor het oprichten van een BIZ op Dierenstein
•De verordening komt te vervallen indien bij de draagvlakmeting in januari 2019 niet voldoende draagvlak wordt gevonden bij de ondernemers op Dierenstein;
gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones
BESLUIT:
1vast te stellen de navolgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidieverlening voor de BI-zone bedrijventerrein Dierenstein over de jaren 2024-2028 (Verordening BI-zone Dierenstein 2024-2028)
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
1BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente Barendrecht waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. De BI-zone is het gebied van het bedrijventerrein Dierenstein te Barendrecht, te weten alle bedrijven binnen het bedrijventerrein gevestigd op het Dierenstein. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart in de BIZ Plan van Aanpak (bijlage 1).
2De stichting: de stichting BIZ Dierenstein;
3De wet: de wet op de Bedrijveninvesteringszones;
4Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;
5Uitvoeringsovereenkomst: een tussen de gemeente Barendrecht en de stichting gesloten Uitvoeringsovereenkomst voor de periode 2024-2028.
Artikel 2 Aanwijzing stichting
De stichting wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet op de bedrijveninvesteringszones.
Hoofdstuk II Belastingbepalingen
Artikel 3 Aard van de belasting
Onder de naam 'BIZ-bijdrage' wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, de veiligheid, de ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.
Artikel 4 Belastbaar feit en belastingplicht
1De belasting wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Een concreet overzicht van de objecten ter zake waarvan de BIZ-bijdrage geheven zal worden, is opgenomen in bijlage 1.
2De belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.
3Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a.gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
b.het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
4Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 5 Belastingobject
1Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet.
2Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6 Maatstaf van heffing
De belasting wordt per WOZ-object geheven.
Artikel 7 Vrijstellingen
1In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a.ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
d.één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e.natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
h.werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
i.werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.werken die zijn bestemd voor de elektriciteitsvoorziening (trafo's) en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen
k.straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen.
2In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 8 Belastingtarief
De belasting wordt als vast bedrag van € 350,- per gebruiker van het WOZ-object geheven.
Artikel 9 Wijze van heffing
De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 10 Termijnen van betaling
1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de aanslag betaald in een termijn die vervalt op de dag die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 11 Nadere regels door het college
Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ bijdrage.
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen
Artikel 12 Algemeen
De Algemene Subsidieverordening (ASZ) van de gemeente Barendrecht is niet van toepassing op deze verordening.
Artikel 13 Subsidievaststelling en wijze van betalen
1De subsidie wordt verstrekt aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.
2De subsidie wordt vastgesteld op het geraamde bedrag van de BIZ-bijdragen die in de artikel 4, eerste lid, bedoelde periode worden geheven, zoals opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst, zijnde 40.000,- euro.
3De eventuele minderopbrengsten (bijvoorbeeld als gevolg van waardevermindering door bezwaar en beroep of oninbaarheid van de belastingbedragen) zijn voor rekening en risico van de stichting. Eventuele meeropbrengsten komen ten goede aan de stichting.
4De stichting brengt uiterlijk 1 juni van het kalenderjaar na afloop van het subsidiejaar een financieel en inhoudelijk verslag uit van de door haar gerealiseerde activiteiten. Het financieel deel van het jaarverslag dient eveneens uiterlijk 1 juni van het kalenderjaar na afloop van het subsidiejaar te zijn ingediend. Het inhoudelijk deel van het jaarverslag bevat in ieder geval een verantwoording van de uitvoering van het activiteitenplan en de in deze overeenkomst behorende afspraken.
5De stichting kan de gemeente schriftelijk en met redenen omkleed om maximaal 8 weken uitstel vragen voor het uitbrengen van de hiervoor benoemde verslagen.
6Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de subsidievaststelling en wijze van betalen.
Artikel 14 wijze van betalen
1De subsidie wordt betaald in gelijke jaarlijkse termijnen van 33.250 euro voor 31 december van elk jaar waarin de BIZ-bijdrage wordt geheven.
2In de uitvoeringsovereenkomst worden nadere regels gesteld over de wijze van verrekening van de meer- en minderopbrengsten van de geheven BIZ-bijdragen ten opzichte van de betaalde voorschotten.
Artikel 15 Melding van relevante wijzigingen
1De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van veranderingen in haar financiële situatie.
2De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging van de statuten, dan wel van verandering of beëindiging van activiteiten.
Artikel 16 Delegatie van de bevoegdheid tot intrekken of wijzigen subsidievaststelling
Het college is bevoegd tot het intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen van de subsidievaststelling bedoeld in artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk IV Slotbepalingen
Artikel 17 Inwerkingtreding
1Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking.
2De verordening komt te vervallen indien er bij de draagvlakmeting geen sprake is van voldoende steun, als bedoeld in artikel 4 van de wet.
3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4Deze verordening vervalt op 31 december 2028.
Artikel 18 Citeerartikel
Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening BI-zone Dierenstein 2024-2028'.