Aanhef
Burgemeesters en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn;
gelet op het bepaalde in de Gemeentewet;
besluiten:
vast te stellen de LEIDRAAD INVORDERING GEMEENTELIJKE BELASTINGEN Alphen aan den Rijn.
Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied
1.1. Inleiding
Dit document bevat de Leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: de gemeente). De Leidraad geeft nadere beleidsregels voor de uitvoering van de invordering van de lokale belastingen.
Bij de opmaak van deze Leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad Invordering 2008. Het betreft echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen opgenomen die afwijken van de (Rijks)Leidraad. Ook de indeling in afdelingen, artikels en paragrafen is gebaseerd op de Rijksleidraad.
Een aantal artikelen uit de Invorderingswet 1990 en onderdelen van de Rijksleidraad zijn niet van toepassing voor de gemeente. Om niet af te wijken van de nummering van de Rijksleidraad zijn de artikelen opgenomen met de opmerking: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente’. Dit laatste met als doel om de (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën op een efficiënte wijze op te nemen.
In de tekst is, vanwege de leesbaarheid, de benaming ‘ontvanger’ gebleven. In de Gemeentewet is gekozen om de term ontvanger te vertalen door: ambtenaar belast met de invordering (invorderingsambtenaar). Hierbij wordt dan ook verwezen naar dit vertaalartikel. In de andere gevallen is wel gekozen voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen.
Gelijk aan de Rijksleidraad bevat deze Leidraad Invordering alleen beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen.
1.1.14. Diplomatieke status
1.2. Toepassingsgebied
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet.
De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal
bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).
Artikel 2 Begrippen
2.1. Woonplaats
De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds
dezelfde inhoud.
Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , sluit de ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW.
Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan.
2.2. Vertaalbepalingen Gemeentewet
In artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 van toepassing verklaard op de invordering van gemeentelijke belastingen. Tegelijkertijd zijn in artikel 249 van de Gemeentewet enkele artikelen uit Invorderingswet 1990 genoemd die buiten toepassing blijven.
In artikel 231 van de Gemeentewet is tevens bepaald aan welke colleges of functionarissen van de gemeente de in de Invorderingswet 1990 genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden genoemd naar colleges en functionarissen van de gemeente.
Artikel 3 Bevoegdheden ontvanger
3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden
De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken.
De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden.
3.2. Conservatoir beslag
Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger.
3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag
3.3. Gerechtelijke procedures – toestemming
3.3.2 Toestemming
3.4. Rijksadvocaat
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
3.5. Faillissementsaanvraag
Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met betalen (artikel 1 FW) kan de ontvanger het faillissement aanvragen. Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het college. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een faillissement.
Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder
4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder
De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle
invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit
voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger.
Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die
voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van
artikel 4:124 van de Awb en artikel 3, tweede lid, van de wet gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt.
4.2. Bescherming
Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten
zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen.
4.3. Legitimatie
Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder
op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden.
Er zijn in deze leidraad op artikel 5 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 6 Reikwijdte van de wet
6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet
Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente.
Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg.
Artikel 7 Betaling en afboeking
7.1. Tijdstip betaling
Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente.
Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling.
Bij betaling bij een bank of een betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of pintransactie geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting.
Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling.
Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling.
Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
7.1.1. Stortingskosten
7.2. De afboeking van de betaling
Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:
•Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de
opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de
wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen;
•Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken;
•Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt.
7.3. Teveelbetaling
Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld.
7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen
Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering
rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de
kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de
invordering langs civielrechtelijke weg.
Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente.
7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen
Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een
van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt.
7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend
Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke
boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift
(in hoger beroep).
Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een
bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke
boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen
gehandhaafd.
7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden
Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten
afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht.
Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van
de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op
die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor
aansprakelijk is gesteld.
Als na afboeking van genoemd resterend bedrag nog een bedrag overblijft, dan wordt dit op de
belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningbepaling van artikel,7, tweede lid,
van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken als de derde niet
aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete, in dit geval kan namelijk niet op de bestuurlijke
boete worden afgeboekt.
Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over
de afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde.
7.8. Betaling bij vergissing
Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of
misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht.
Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de
schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben.
In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt
verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet
is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan.
Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een
natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats.
7.9. Mededeling afboeking betaling
De ontvanger stelt de belastingschuldige van de afboeking van een betaling waarbij
invorderingsrente of invorderingskosten in rekening is gebracht schriftelijk op de hoogte, tenzij het
een slotbetaling betreft op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt.
Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot
automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt.
7.10. Betaling van kleine bedragen
Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet
geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt wordt als nodeloos overlast. In dat geval treedt hij
in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen.
7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement
Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds
te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van
artikel 7.2 van deze leidraad.
Er zijn in deze leidraad op artikel 7b van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 8 Bekendmaking aanslag
8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties
De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat:
•aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden;
•ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt;
•als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger
•wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder
•problemen heeft opgeleverd;
•aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden,
•worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen.
8.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan
Als een rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan, is de wijze van bekendmaking van de belastingaanslag ter beoordeling aan de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen:
•het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht;
•het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid.
8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet
De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd.
8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag
Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen.
Artikel 9 Betalingstermijnen
9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
9.4. Dagtekening aanslagbiljet
De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige
het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op
grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast.
9.5. Begrippen bij betalingstermijnen
Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan
houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van
een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december.
Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de
betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in
welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april.
Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de
kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de
dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15
maart is, vervalt de termijn dus op 15 april.
Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april.
9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling
Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van
rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond
van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de
gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook
van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in
verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn
plaats vindt.
9.7. Regeling betalingstermijnen
Op grond van artikel 250 van de Gemeentewet en artikel 9 van de wet kan de belastingverordening
afwijkende voorschriften inhouden. De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in de belastingverordening geregeld. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard.
Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(en) aangegeven. Uiterlijk op die datum
moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen)
hebben betaald.
9.8. Automatische incasso
Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(en)
te voldoen via een automatische incasso. Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige
(een) afwijkende, ruimere, betalingstermijn(en) toegestaan van minimaal 6 en maximaal 10 maanden.
Artikel 10 versnelde invordering
10.1. Reikwijdte versnelde invordering
Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde
invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken
of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar
is.Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10
van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.
Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar
voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige
schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en
dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens
onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij
tot versnelde invordering overgaat.
Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als
bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag
terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling
behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen
plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld
in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de
belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen.
Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de
termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend
dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte
schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd
door het desbetreffende onderdeel.
Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het
hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er
hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van
direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen.
Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is
geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe
aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige
verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de
betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden.
10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering
Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken
dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de
belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de
verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.
De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige,
maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld
crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet
worden gevreesd.
Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze
uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en
is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de
ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt.
10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering
Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland
metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil
verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid,
onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid
van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn
niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland
bevinden.
10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering
Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen
reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen.
Er moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de
belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in
Nederland kan worden verhaald.
10.5. Beslag en versnelde invordering
Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar.
10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering
Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de
(aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder
maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal
plaatshebben.
10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering
De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken
dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt.
Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde
heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die
aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe
aanslagen nog niet zijn verstreken.
Artikel 11 Aanmaning
11.1. De geadresseerde van de aanmaning
De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt.
Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige
die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het
adres van de wettelijke vertegenwoordiger.
Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning naar de
gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij
een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk.
11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden
Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een
aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd.
Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid
van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan
hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen.
11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning
Tussentijdse vervolging wordt door de Gemeente niet toegepast.
11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning
Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt
voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe
aanmaning voorafgegaan.
11.5. Betalingsherinnering
Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden.
Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een aanmaning.
Bij de verzending van de aanmaning wordt eveneens de mogelijkheid geboden tot het laten vervallen van de kosten van de aanmaning, indien ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1de betaling van een belastingaanslag vindt plaats binnen 14 kalenderdagen na dagtekening van de aanmaning; en
2de belastingaanslag wordt door de betaling in zijn volledigheid voldaan binnen het bovengenoemde termijn.
11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg
Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de ontvanger over tot het uitbrengen
van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een
ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een aanmaning.
De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd.
Artikel 12 Dwangbevel
12.1. Onderwerp van het dwangbevel
De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een
aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen.
Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit voor
het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden.
De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met:
•de inmiddels gedane betalingen;
•verleende verminderingen;
•bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend.
12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel
De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als
de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk
blijken op welke gronden dit gebeurt.
Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan
brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij
niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen.
Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde
nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen.
Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van
artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam
en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot
uitdrukking.
Artikel 13 Betekening van het dwangbevel
13.1. Betekening dwangbevel per post
De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post
bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het
dwangbevel met bevel tot betaling.
Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het
afschrift aan Post NL of ander postbedrijf. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum
van de ter post bezorging.
De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te
betekenen.
13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen
13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder
Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat
de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door
de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de
belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv.
Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het
afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de
belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken.
Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar
de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het
dwangbevel is uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente.
13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel
Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is
betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de
wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig
zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke
vertegenwoordiger voorafgaan.
Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het
adres van het verplicht gekozen domicilie.
Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel
14.1. Tenuitvoerlegging algemeen
Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 14, eerste lid, van de wet).
Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14,tweede lid van de wet).
Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de wet).
In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het
dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats
te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van
de wet , terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, van de wet).
14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving
14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn
14.2.21 Relaas van onttrekking
14.2a. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens
1De belastingdeurwaarder neemt zo nodig in het proces-verbaal van inbeslagneming van een motorrijtuig of aanhangwagen op de voet van artikel 442, eerste lid, Rv, een instructie op inzake het afgeven van het motorrijtuig of de aanhangwagen, als bedoeld in artikel 442, eerste lid, onder e, Rv. Daarin vermeldt de belastingdeurwaarder de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden.
2Als de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet inlevert volgens de in het eerste lid bedoelde instructie, stelt de belastingdeurwaarder eenmalig opnieuw een inlevermoment vast en stelt hij de geëxecuteerde hiervan schriftelijk op de hoogte. De belastingdeurwaarder vermeldt in de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden.
14.3. Beslag op onroerende zaken
14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken
14.4. Beslag onder derden
14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf
14.5. Beslag op schepen
Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel
17.1. Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet
Als de belastingschuldige zich in rechte verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel,
houdt de ontvanger de (verdere) tenuitvoerlegging van het dwangbevel aan, tenzij:
•de gronden van het verzet naar het oordeel van de ontvanger kansloos zijn; en
•de belangen van de gemeente zich verzetten tegen schorsing van de tenuitvoerlegging.
17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering
Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een
onjuist adres is verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk.
Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 19 Doen van een vordering
19.1. Vordering algemeen
Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter besparing van kosten aan dit
eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag.
Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van
penningen is, moet al naar gelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van
derdenbeslag de voorkeur verdient.
19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot
19.2. De faillissementsvordering
19.2.3. Opkomen in faillissement
19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen
19.3.9. Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden
19.4 Beslagvrije voet en overheidsvordering
Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing van de
overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, een lager bedrag aan
bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt
de ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in zoverre ongedaan met
inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de
gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de
banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk
na de overheidsvordering kon beschikken.
Ongedaan making blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van
de belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid,
van de wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel
19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij
van toepassing. Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige
op het moment dat de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder
begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige
onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende
beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het meerdere.
19.5 Vrij te laten bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland
Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft en geen vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft, stelt de ontvanger een vrij te laten bedrag vast, als bedoeld in artikel 1cbis.2, tweede lid, van de URIW 1990. In het geval de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger geen vrij te laten bedrag vast.
De belastingschuldige, zijnde een natuurlijk persoon, bij wie de ontvanger een betalingsvordering doet, kan een verzoek indienen als bedoeld in artikel 1cbis.2 van de URIW 1990. Indien de belastingschuldige in dit verzoek aantoont wat zijn leefsituatie is, stelt de ontvanger alsnog het (volledige) voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast en stelt dit beschikbaar aan de belastingschuldige nadat op de vordering is afgedragen, ten hoogste tot het verschil tussen het eerder vastgestelde vrij te laten bedrag en het na het verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag.
19.6. Vordering en energietoeslag
Als de ontvanger bij een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, in de 12 maanden voorafgaand aan de vordering een energietoeslag heeft ontvangen, een overheidsvordering doet of een betalingsvordering doet, geldt het volgende.
Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het daarop afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 22 Bodemrecht
22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht
Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of onroerende zaken, kunnen
hun rechten op die zaken - op de voet van de artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv -
geldend maken. Op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag verzetten.
Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende
zaken waarop voor een belastingschuld beslag is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging
van die zaken in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het
college van de gemeente.
Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een eigendomsrecht beroepen,
maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend
beroepschrift op de voet van artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege
op.
Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van verzet in rechte tegen de
inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt
men het bodemrecht van de fiscus. Dit voorrecht kan de ontvanger van de gemeente niet toepassen.
22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
22.3. Overbetekening bodembeslag
Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken mogelijk in eigendom toebehoren aan
een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken,
dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de
belastingdeurwaarder.
Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de mogelijkheid heeft een
beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan het college.
De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip - maar
vóór de geplande verkoopdatum - kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken
mogelijk eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en
de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het
vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.
22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
22.7. Bodemrecht en voorrang
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
22.8. Verzet en beroep
Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 24 verrekening
24.1. Wanneer verrekening
De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan niet tot verrekening
wordt overgegaan.
Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde belastingteruggaaf of een ander uit
te betalen bedrag met een bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan
willigt de ontvanger dit verzoek altijd in, tenzij het niet mogelijk is de vordering te
verrekenen en/of het verzoek dusdanige administratieve rompslomp met zich meebrengt dat de
ontvanger een andere betaalwijze aan de belastingschuldige voorstelt.
Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd of het uit te
betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval schort de ontvanger de invordering echter niet zonder
meer op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te
verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (zie artikel
25.3 van deze leidraad).
24.1.1. Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet
24.2. Betwiste schuld en verrekening
In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te betalen bedrag dat de
belastingschuldige betwist en waarvoor de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend op grond
van artikel 25.2 van deze leidraad.
De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is dat
vrees voor onverhaalbaarheid bestaat.
24.3. Reikwijdte van de verrekening
Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen niet
automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de
ontvanger bevoegd is om in gevallen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, van de wet binnen
de betalingstermijn te verrekenen.
Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een termijnbetaling is verstreken, kan de
ontvanger alleen verrekenen voor zover de termijn is verstreken.
Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet. Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van
de aanslag vanaf het moment dat zich één van de genoemde situaties voordoet.
Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, kan
plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de ontvanger is opgedragen.
24.4. Bekendmaking verrekening
Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij beschikking. De
beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een
kennisgeving.
24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding
Artikel 25 Uitstel van betaling
25.1.0. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid
25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen
25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag
25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag
25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag
25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag
25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen
25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance
25.5. Betalingsregeling voor particulieren
25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden
25.6. Betalingsregeling voor ondernemers
25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie
25.7. Administratief beroep
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen
26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid
Gelet op artikel 255 van de Gemeentewet, artikel 26 van de Invorderingswet 1990, de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden heeft de gemeente beleidskeuzes gemaakt. Deze zijn vastgelegd in de Verordening kwijtschelding gemeentebelastingen. De beleidskeuzes hebben betrekking op:
-De belastingsoorten waarvoor geen kwijtschelding wordt verleend;
-De te hanteren norm kosten van bestaan voor belastingschuldigen onder de pensioengerechtigde leeftijd;
-De te hanteren norm kosten van bestaan belastingschuldigen van pensioengerechtigde leeftijd;
-Het onder bepaalde voorwaarden in aanmerking nemen van de netto kosten van kinderopvang als uitgaven in de berekening van de betalingscapaciteit.
-Het uitsluiten van de mogelijkheid om aan natuurlijke personen, die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, voor de privébelastingen kwijtschelding te verlenen.
-De mogelijkheid om het totale bedrag aan financiële middelen te verhogen met een maximaal bedrag van € 2.000.
26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen
26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren
26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland
26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers
26.3.9 Betaling bedrag saneringsakkoord
26.4. Administratief beroep
26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding
26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding
Vervallen
26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding
Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar de ontvanger
voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal
treffen. Tegen het besluit van de ontvanger om geen invorderingsmaatregelen meer te treffen staat geen administratief beroep open.
Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen voor de nog
openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de
belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.
De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog
openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden
met de buiten de invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt
bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit
minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. De
ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen, zal hij in zijn
beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke
beschikking herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de
ontvanger een nieuwe beschikking waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan
hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen
de eerdere beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of
de tijdsbepaling is voldaan.
26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding
De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheid van geautomatiseerde kwijtschelding. Er wordt getoetst in het laatste kwartaal van het jaar voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel kan worden verleend.
De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van jaarlijks vastgestelde criteria.
Deze criteria worden vastgesteld door het Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing
geen recht bestaat op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium alsnog een
individueel verzoek worden ingediend.
Artikel 27 Verjaring
27.1. Versnelde invordering en verjaring
Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet begint de
verjaringstermijn te lopen op het moment dat de belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle
bedrag invorderbaar werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring
geen belang meer.
27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring
Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige
verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag terzake waarvan aansprakelijk is gesteld,
eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.
27.3. Stuiting van de verjaring
Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht
de ontvanger de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is
kosteloos.
Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend.
Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.
27.4. Schorsing van de verjaring
Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de
gehele belastingaanslag.
27.5. Afstand van verjaring
Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger beroept zich echter
alleen op afstand van verjaring, als zonder meer duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk
bedoelt afstand van de verjaring te doen.
27.6. Rente en kosten en verjaring
De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de belastingaanslag
verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus ook
voor de rente en kosten invordering en verrekening achterwege.
27.7. Na verjaring geen civiele invordering
Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de mogelijkheid om een
belastingschuld in te vorderen door middel van een dagvaarding.
27.8. Verjaring van belastingteruggaven
Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 28 Invorderingsrente
28.1. Cheque buitenland en invorderingsrente
Vervallen
28.2. Correctie berekende invorderingsrente
De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook
voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een
ander aanvangstijdstip voor de renteberekening.
Daarnaast wordt invorderingsrente gecorrigeerd in de volgende gevallen:
Voor zover na het in rekening brengen van de invorderingsrente een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen en geen rente wordt vergoed op grond van artikel 28b van de wet. Deze situatie zal zich voordoen:
-bij vermindering van belastingaanslagen, en;
-als een positieve belastingaanslag wordt gevolgd door een negatieve belastingaanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.
28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente
Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening brengt, kan er slechts
in uitzonderlijke situaties aanleiding bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van
mening zijn dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan de
belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk en onbillijk is.
De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de verschuldigde rente
verminderen.
28.4.
Vervallen
28.5.
Vervallen
28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk
Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De ontvanger doet ook geen
toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger
kwijtschelding verleent of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of buiten
invordering laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze leidraad.
28.7.
Vervallen
28.8. Drempelbedrag
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
28.a en 28.b
Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en 28b van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente
30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar
Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.
30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling
Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing voor de gemeente.
Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de verplichting om de
invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid van
artikel 25 van deze leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing.
30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen
32.1. Keuze aansprakelijkheid
In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een
aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt
in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.
In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in beginsel
doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in
de gelegenheid is zich te disculperen.
32.2. Gemeenschapsschulden
Vervallen
Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen
33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid
De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde als bij de heffing van de
diverse belastingen.
33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid
Vervallen
33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid
De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet doelt, kan -
behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook
worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.
Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding - bedoeld in de vorige
volzin - geacht zich te hebben voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.
Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het
voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde
'leeg' maken van het lichaam.
33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid
Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste
lid, onderdeel c, van de wet, maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat
van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is.
De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de belastingschuld is te wijten aan
kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk
onbehoorlijk bestuur in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.
33.5.
Vervallen
33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid
De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de belastingschuld waarvoor
hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze
periode materieel is ontstaan.
33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers
Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend
lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in
Nederland gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij bewijzen dat de niet-betaling
niet aan hen is te wijten.
Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van
de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer,
hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het
hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is
begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn
voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.
Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere gebeurtenis, bijvoorbeeld een
niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur.
Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële
basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen.
Er zijn in deze leidraad op artikel 33a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen
48.1. Beneficiaire aanvaarding
Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening
van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging
van zijn rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).
Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege.
48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege
Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke
erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder
dan € 23 moet worden ingevorderd achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag betreft.
Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te
laten.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling
49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete
De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete opnemen in
dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld
bekendmaakt. De ontvanger moet dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de
aansprakelijkstelling voor de boete berust.
Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het voornemen tot
een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel
dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte
stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van artikel 49,
eerste lid, van de wet.
49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente
Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, dan wordt
de rente berekend over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.
Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan
invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht.
49.2a. Vooraankondiging aansprakelijkstelling
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn
49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’
49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en Inlenersaansprakelijkheid
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden
Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de ontvanger de
aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting
waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.
Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk
geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb .
Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld.
Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere
gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht
voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.
De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde -
vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.
Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is
goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft
op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze
gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als
hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van
bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende
beslissingen.
49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige
De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen van de
belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de vermogensbestanddelen van de
aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste volzin, van de leidraad.
49.7. Volgorde van aansprakelijk stellen
Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan één fiscale of
civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen.
Hetzelfde geldt als de ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van
verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.
Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is bepaald.
49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling
49.8.2.
49.9. Overgangsrecht
Vervallen
Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid
51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar
Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om uitstel van betaling in
verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan verleent de ontvanger alleen uitstel van
betaling als er zekerheid wordt gesteld.
Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling
52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling
Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van de
aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de vermindering en deelt dat
mee aan de aansprakelijkgestelde.
Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding
53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld
Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige
verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.
53.2.Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid
De ontvanger verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is van verwijtbaarheid van
de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling.
De vraag of sprake is van verwijtbaarheid beoordeelt de ontvanger op basis van gedragingen van
de aansprakelijk gestelde. Dit betekent dat als de aansprakelijkstelling van een bestuurder is
gebaseerd op artikel 36, vierde lid, van de wet, het enkele feit dat het lichaam niet op de juiste wijze
heeft gemeld niet in de weg hoeft te staan aan ontslag van betalingsverplichting.
Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde
54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling
De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet -
aan gedurende vier weken na de dagtekening van de schriftelijke mededeling aan de
belastingschuldige.
In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de aansprakelijkheidsschuld
op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen onder de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf.
In de derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het bedrag van de
teruggaaf moet betalen.
Er zijn in deze leidraad op artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde
58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure
Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen instellen, nadat de rechter
de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde
stellingen, indien en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat
bewijs te kunnen leveren.
58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden
Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van de
belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.
58.3 Toevoegen Leidraad RBD?
Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen
60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie
De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de gegevens en inlichtingen of het
ter beschikking stellen van de gegevensdragers.
Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.
60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen
Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt,
herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid, van de wet
correcte en concrete gegevens.
Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen, beoordeelt de
ontvanger of hij een civiele procedure begint of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet
toepast.
Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In uitzonderingssituaties kan de
ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering
zorgt de ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.
Zin over verzuimboete toevoegen Leidraad RBD
Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen
61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens
De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en gegevensdragers die hem
inzicht verschaffen in de financiële positie van de belastingschuldige.
Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens gescheiden. Als het
onvermijdelijk is dat de ontvanger privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de
verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De
ontvanger is op grond van artikel 67, eerste lid, van de wet gehouden tot geheimhouding van die
gegevens.
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 62a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 62bis is niet van toepassing voor de gemeente.
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63, 63a, 63aa en 63ab van de wet geen beleidsregels gemaakt
Artikel 63b Bestuurlijke boeten
63b.1. Algemene uitgangspunten
Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk VIIA van de wet zijn, naast
de bepalingen van de AWR die in artikelen 63b van de wet worden genoemd, de voorschriften van
titel 5.1 en titel 5.4 van de Awb van toepassing.
63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen
Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij de boete wordt
gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting.
Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet kan de ontvanger een
boete opleggen van 5 procent van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde
belasting tot het wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op € 50,00.
In afwijking hiervan kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, eerste
lid, van de wet genoemde maximum opleggen, zonder rekening te houden met de genoemde 5
procent. De opgelegde verzuimboete wordt niet verlaagd bij latere wijziging van het bedrag
waarover die boete is berekend.
Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met betrekking tot die
aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet voorkomen. Als
er meerdere dergelijke verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling van de
hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger alleen rekening met de belasting
die betrekking heeft op de desbetreffende betalingstermijn.
De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een
eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.
63b.3. Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt
Ter zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet kan de ontvanger een
verzuimboete opleggen van 50 procent van het in dat artikel genoemde wettelijk maximum. In
afwijking hiervan kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, tweede lid, van de
wet genoemde maximum worden opgelegd. De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn
verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingschuldige.
De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een
eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf
65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf
De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te weinig belasting wordt ingevorderd.
Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 67 Geheimhoudingsplicht
67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige
De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan degene op wie zij
betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze gegevens door of namens hem zijn
verstrekt. Ook het verstrekken van informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf
valt niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede worden
verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of erfgenaam.
67.2. Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering
De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens noodzakelijk is voor
de uitvoering van de Invorderingswet 1990. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als
bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een
aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder
dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt geschonden.
67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
Artikel 73 Insolventieprocedures
73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures
73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement
73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering
73.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd
73.3. Insolventieprocedure en surséance
73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance
73.3a. WHOA-Akkoord
73.3a.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming
73.4. Insolventieprocedure en faillissement
73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP
73.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of Gemeenten
73.5.7 Na de toepassing van de MSNP
73.6. Insolventieprocedures en akkoorden
73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord
73.7. Wettelijk breed moratorium
Gedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de ontvanger lopende invorderingsmaatregelen op.
Verrekeningen met belastingteruggaven vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats,
ongeacht de periode waarin die teruggaaf is ontstaan. De afkoelingsperiode is niet van invloed op
een eventueel verleend uitstel van betaling of een voorwaardelijk verleende kwijtschelding. Hierop
blijft het in deze leidraad opgenomen beleid op de artikelen 25 en 26 van de wet van toepassing.
Gedurende de afkoelingsperiode schort de ontvanger de uitbetaling aan een derde op in verband
met een executoriaal beslag op belastingteruggaven van de belastingschuldige.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 75 Kosten van vervolging
75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten
De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan onderscheidenlijk sprake is in
artikel 2 en artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen) is te verstaan als het
belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is uitgevaardigd, dus zonder de
vervolgingskosten en eventuele - pro memorie opgenomen - rente.
75.2. Aan derden toekomende bedragen
Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de
belastingschuldige in rekening worden gebracht, vallen:
–de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen;
–de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde derden;
–de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in artikel 444 Rv;
–de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter plaatse van de in beslag genomen zaken;
–de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars, deskundigen en afslagers;
–de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van in beslaggenomen roerende zaken;
–de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen zaken als de verkoop elders plaatsvindt.
Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening gebracht als de
verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige elders gebeurt dan wel als daarbij
voornamelijk zijn belang is gediend. Eventuele gemaakte reiskosten door de gemeente voor de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op de belastingschuldige
worden verhaald, evenals mogelijke porti- en telefoonkosten.
75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger
overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken.
De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de
Kostenwet relevant zijn.
Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op grond van artikel 6:16
Awb niet de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de akte van vervolging.
Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van
deze leidraad van overeenkomstige toepassing.
75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar
Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening gebrachte kosten wordt
aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van
overeenkomstige toepassing.
75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten
In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van exploten geen
vervolgingskosten in rekening:
•herhaalde betekening van een dwangbevel;
•(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring;
•betekening van een vordering;
•betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht;
•betekening van een beslissing van het college op een beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag;
•betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van de belastingschuldige.
75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel
een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen:
–als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden;
–voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van belastingaanslagen;
–als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan:
-een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;
-een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits volledig ingevuld;
-een ingediend verzoekschrift bij het college, de raad of de ombudsman.
–volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten. In dat geval komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.
Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening gebracht als sprake is van trainering van de invordering;
–als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend;
–als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in artikel 14.4.1 van deze leidraad;
–als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd;
–als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd;
–als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld betaalt.
De beslissing om de kosten terug te brengen tot het juiste bedrag dan wel de kosten terug te
betalen, gebeurt ambtshalve dan wel na een daartoe ingediend verzoekschrift.
75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten
In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de in rekening gebrachte
vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen als de belastingschuldige hier
schriftelijk om verzoekt.
Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben
verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en
bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke
geval- onredelijk en onbillijk is.
75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten
Als invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de beslagkosten.
75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten
Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn van
invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn genomen, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten
Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. De
ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd.
Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel kosten buiten invordering
worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten.
Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.
75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel
Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige
gestelde dwangbevelen worden betekend en de betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen
dan het maximumbedrag als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Kostenwet invordering
rijksbelastingen, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit maximumbedrag.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.
Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen
80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel
Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de
belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.
80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen
Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb (Vaststelling en inhoud van de
verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is
vastgesteld of ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor
betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen
geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij
aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de
naheffingsaanslag.