Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders,
gelet op:
-artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en;
-de Participatiewet;
overwegende dat:
-het college het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet kan worden verstrekt en geweigerd en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;
besluit:
vast te stellen, de navolgende Beleidsregels Bijzondere Bijstand Albrandswaard 2026.
Hoofdstuk 3 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand
3.1 Algemene voorwaarden recht op bijzondere bijstand
3.1.1 Algemeen
Als eerste geldt dat de belanghebbende recht op bijstand heeft van het college van de gemeente waar hij zijn woonplaats heeft. Dat moet in het algemeen blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen. Verder geldt voor het recht op bijzondere bijstand dat de belanghebbende moet:
1Nederlander zijn of een daaraan gelijkgestelde vreemdeling; en
2in Nederland verblijven.
3.1.2 In Nederland opgekomen en aan Nederland gebonden
Artikel 11 van de wet bepaalt ook dat het voor een beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand van belang is dat de kosten voortvloeien uit een in Nederland opgekomen noodzaak en deze kosten aan Nederland zijn gebonden. Een belanghebbende - die in Nederland woont - kan bijvoorbeeld wel gebruiksgoederen in het buitenland kopen voor gebruik in Nederland. Echter er is voor bijstandsverlening in de kosten van een reis naar en vanuit het buitenland geen plaats, behoudens voor zover de reis wordt gemaakt over Nederlands grondgebied.
3.1.3 Aanvraag tijdig indienen
Artikel 44 lid 1 van de wet bepaalt dat in principe niet eerder bijstand wordt verleend dan tegen de datum waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor de aanvraag. Dat sluit aan bij het aanvullende karakter van de bijstand. Het college maakt in deze beleidsregels een uitzondering voor de bijzondere bijstand.
Terugwerkende kracht
Voor aanvragen om bijzondere bijstand geldt dat deze met terugwerkende kracht kunnen worden ingediend en dat het college dan beoordeelt of er aanspraak bestaat op bijzondere bijstand. Aanvragen kunnen worden ingediend binnen zes maanden na het daadwerkelijk maken van de kosten.
Geen terugwerkende kracht
Dit geldt niet voor:
•verhuiskosten;
•inrichtingskosten;
•duurzame gebruiksgoederen; en
•tandartskosten voor zover het college de aanvraag op grond van artikel 35 van de wet beoordeelt. Voor deze kosten geldt dat een aanvraag altijd moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt.
3.1.4 Jongmeerderjarigen
Omdat ouders tot 21 jaar onderhoudsplichtig zijn voor hun kinderen geldt voor de bijzondere bijstand dat een jongmeerderjarige eerst een beroep moet doen op zijn ouder(s). Overigens kan de jongmeerderjarige vanaf 18 jaar wel zelfstandig een beroep doen algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud.
Daarvoor geldt een lage norm die is afgeleid van de hoogte van de Kinderbijslag en is de onderhoudsplicht voor de ouder(s) niet van toepassing. Voor het overige geldt dat wanneer geen beroep kan worden gedaan op de ouder(s) het college bijzondere bijstand kan verlenen.
Voorwaarden
Artikel 12 van de wet bepaalt onder welke voorwaarden bijzondere bijstand mogelijk is. Dat is het geval als de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongmeerderjarige meer bedragen dan de voor hem geldende norm én voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op zijn ouders, omdat:
a.de middelen van de ouder(s) daartoe niet toereikend zijn; of
b.de jongmeerderjarige redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.
3.1.5 Geen bijstand voor schulden
Artikel 13 lid 1 aanhef en onderdeel g van de wet bepaalt dat geen bijstand wordt verleend voor de aflossing van schulden, tenzij sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49 onderdeel b van de wet. Het college heeft de bevoegdheid om bijstand onder borgtocht te verlenen (bij afwijzing van een saneringskrediet).
3.1.6 Geen noodzakelijke kosten
Het college mag alleen bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke kosten van het bestaan die voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden van het individuele geval. De Participatiewet beschrijft echter niet wat (precies) onder noodzakelijke kosten wordt verstaan. Alleen in artikel 14 van de wet staan een limitatief aantal kostensoorten genoemd die in ieder geval niet noodzakelijk zijn. Voorbeelden zijn een boete en geleden of toegebrachte schade. Dit betekent dat voor de hier bedoelde kosten geen bijzondere bijstand mogelijk is.
3.1.7 Voorliggende voorziening
Algemeen
Artikel 5 onderdeel e van de wet omschrijft een voorliggende voorziening als elke voorziening buiten de Participatiewet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken - dan wel een beroep kan doen - ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. In het algemeen kunnen voorliggende voorzieningen zowel privaatrechtelijke als ook publiekrechtelijk van aard zijn. Voorbeelden van privaatrechtelijke voorzieningen zijn een gemeentelijke kredietbank en de aanvullende (collectieve) zorgverzekering. Daarvoor geldt dat een dergelijke voorziening ‘aanwezig moet zijn’ wil deze als voorliggende voorziening aangemerkt kunnen worden. Voorbeelden van publiekrechtelijke voorzieningen zijn: de Wet langdurige zorg en de Wet op de rechtsbijstand. De Zorgverzekeringswet is een privaatrechtelijke schadeverzekering met een publiekrechtelijke waarborg. Dat laatste heeft te maken met een verzekerbaar recht op zorg.
Specifiek
Artikel 15 van de wet bepaalt de bevoegdheid tot bijstandsverlening in relatie tot de voorliggende voorziening. Er bestaat geen recht op bijstand voor zover de belanghebbende een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die - gezien de aard en doel daarvan - toereikend en passend wordt geacht. Ook bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Dit geldt ook als de voorliggende voorziening voor een specifieke situatie oordeelt dat de kosten niet noodzakelijk zijn. Voorbeelden van voorliggende voorzieningen zijn: de Zorgverzekeringswet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Medische en paramedische zorg
De Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg worden voor de kosten van (para)medische zorg in beginsel als een aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In voorkomende gevallen moet het college onderzoek doen of de kosten op grond van de Zorgverzekeringswet zijn aan te merken als bijvoorbeeld mondzorg, een hulpmiddel of paramedische zorg. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat: dieetkosten, pedicurekosten en de kosten van een personal trainer om af te vallen niet op grond van artikel 15 van de wet afgewezen mogen worden. De kosten moeten beoordeeld worden op grond van artikel 35 van de wet.
Aanvullende (collectieve) zorgverzekering
De aanvullende (collectieve) zorgverzekering vergoedt doorgaans geheel of gedeeltelijk kosten die niet door de Zorgverzekeringswet worden vergoed omdat deze kosten niet noodzakelijk worden geacht. In het algemeen mag worden verwacht dat men zich afdoende verzekert tegen zorgkosten. Als er door omstandigheden geen aanvullende verzekering is en er noodzakelijke kosten worden gemaakt is bijstandsverlening als maatwerk oplossing mogelijk. Van belanghebbende wordt verwacht zich in te spannen om de situatie duurzaam op te lossen. Te denken valt aan het vragen om hulp bij financiële problemen.
Overstappen verplicht
Het college kan de (toekomstige) bijzondere bijstand weigeren als belanghebbende zonder (meer)kosten daadwerkelijk kan overstappen naar een collectieve (aanvullende) zorgverzekering die de betreffende kosten zal gaan vergoeden. Het gaat alleen om kosten die het college moet beoordelen op grond van art. 35 van de wet (niet-medische kosten). Daarbij kan een uitzondering gelden wanneer belanghebbende bepaalde zorgkosten heeft die door zijn aanvullende zorgverzekering worden vergoed maar niet door de collectieve aanvullende zorgverzekering (CZM) worden vergoed.
3.1.8 Zeer dringende redenen
Artikel 16 van de wet is van toepassing op personen die zijn uitgesloten van het recht op bijstand. De uitsluitingsgronden zoals hier bedoeld zijn neergelegd in de artikelen 11, 13 lid 1 en 2 en 15 van de wet. Het is echter niet zo dat vreemdelingen, die niet zijn gelijkgesteld met een Nederlander, toch in aanmerking kunnen komen voor bijstand. Dat staat in artikel 16 lid 2 van de wet. Onder zeer dringende redenen vallen situaties van levensbedreigend aard of die blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kunnen hebben.
Ernstig letsel kan ook psychisch letsel omvatten. In de praktijk doen zich dergelijke situaties zelden voor.
Minderjarige kinderen
Betreft het een aanvraag voor een minderjarig kind, dan geldt dat het college ook de financiële mogelijkheden van de wettelijk vertegenwoordiger als voogd zal moeten beoordelen en dat het doen van een aanvullend beroep op de onderhoudsplichtige ouder(s) door de wettelijke vertegenwoordiger in principe kan worden gevergd.
Medisch advies
Het college kan om medisch advies vragen voor de beoordeling van de aanvraag.
3.2 Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand
3.2.1 Bijzondere omstandigheden: reserveringscapaciteit
In beginsel moeten incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden voldaan uit iemands middelen via reservering dan wel via gespreide betaling achteraf. De hier bedoelde kosten zijn in principe voorzienbaar. Dat wil zeggen ze komen algemeen voor; iedereen kan met deze kosten worden geconfronteerd. Het kan ook gaan om kosten die niet vaak voorkomen maar die te maken hebben met een keuze. Denk bijvoorbeeld aan notariskosten voor een testament. Dat zijn in principe geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Voorbeelden van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn in ieder geval: duurzame gebruiksgoederen, legeskosten, aanschaf of vervanging van een identiteitsbewijs, verhuiskosten, et cetera. Dit betekent dat er in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor deze kosten.
Individuele toeslagen
De Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag maken ook onderdeel uit van het oordeel over de reserveringscapaciteit. Het staat belanghebbenden uiteraard vrij om deze toeslagen te besteden naar eigen wens, maar de keuzes die daarbij worden gemaakt kunnen niet op de bijzondere bijstand worden afgewenteld.
Schulden
Het niet of onvoldoende kunnen reserveren vanwege de aflossing op schulden is in principe geen bijzondere omstandigheid. Daaronder vallen ook de situaties dat: beslag is gelegd op het inkomen (ook de bijstandsuitkering), een WSNP-traject of gemeentelijke schulddienstverlening wordt gevolgd. Het college beoordeelt of de noodzakelijke kosten in het individuele geval voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
Uitzonderingen
Een oordeel over de reserveringscapaciteit heeft logischerwijs ook te maken met de vraag of de kosten van de belanghebbende plotseling zijn opgekomen en daarom niet voorzienbaar waren. Ook kan de periode, waarover men geacht wordt te reserveren, te kort zijn geweest. Het kan ook voorkomen dat de periode waarover men geacht wordt te kunnen reserveren te kort is gelet op de hoogte van de kosten. Denk bijvoorbeeld aan een lange periode van detentie bij een aanvraag om inrichtingskosten. Daarnaast kan het voorkomen dat belanghebbende in de te beoordelen periode te maken heeft gehad met een cumulatie van noodzakelijke voorzienbare kosten. Gelet op de aard en omvang van die kosten kan dat met zich meebrengen dat er geen of onvoldoende reserveringsmogelijkheden zijn. Het ligt op de weg van belanghebbende om dat aan te tonen.
Beoordeling
Het college beoordeelt bij de aanvraag om bijzondere bijstand of:
•de kosten noodzakelijk zijn;
•gebruik kan worden gemaakt van garantiebepalingen (consumentenrecht);
•er ten tijde van de te maken kosten aflossingen zijn;
•de belanghebbende in (een deel van) de reserveringsperiode een gebrek aan inkomen (niet door beslag of schulden) heeft of heeft gehad;
•de belanghebbende een of meerdere individuele inkomenstoeslagen (voorheen langdurigheidstoeslag) heeft ontvangen;
•de kosten voorzienbaar zijn;
•de kosten als gevolg van een plotselinge noodzaak zijn opgekomen.
3.2.2 Bijzondere omstandigheden: overig
Er kan niet altijd op voorhand worden gezegd of de kosten waar bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd incidenteel of periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Het zijn in ieder geval kosten die niet als ‘algemeen’ worden aangemerkt en waar dus niet het karakter van vervanging dan wel voorzienbaarheid in besloten zit. Voor dergelijke kosten geldt geen reserveringsplicht. Voorbeelden van incidenteel of periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn: wettelijke eigen bijdragen, bewindvoeringskosten, dieetkosten, meerkosten voor stoken van de woning, et cetera.
3.5 Hoogte van de bijzondere bijstand
3.5.1 Richtprijzen
Voor het vaststellen van de hoogte van de individuele bijzondere bijstand kan het college gebruik maken van richtprijzen. Die richtprijzen kunnen worden gebaseerd op bepaalde bronnen zoals:
•De NIBUD-Prijzengids
•De Wet Inkomstenbelasting 2001
•De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
•De Regeling zorgverzekering
•Openbaar Vervoer
•Zorgpolis voor minima
3.5.2 Duurzame gebruiksgoederen
Voor de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen gelden de volgende uitgangspunten:
•belanghebbende verstrekt een concreet overzicht van de aan te vragen duurzame gebruiksgoederen;
•belanghebbende verstrekt een aantoonbare verifieerbare kostenopgave op basis van tweedehands richtprijzen (kringloop of markplaats);
•de hoogte van de bijzondere bijstand voor niet-tweedehands duurzame gebruiksgoederen bedraagt in principe niet meer dat 75% van de Nibud richtprijs en wordt in principe verstrekt in de vorm van een lening;
•bij een volledige inrichting die niet volledig bestaat uit tweedehands duurzame gebruiksgoederen dan hanteert het college in principe 50% van de Nibud richtprijs;
•het college kan bij duurzame gebruiksgoederen in de vorm van witgoed afwijken van hetgeen is bepaald over tweedehands richtprijzen.
3.5.3 Opknapkosten
Aan de belanghebbende kan bijzondere bijstand voor de kosten van het opknappen van de woning worden verleend. De opknapkosten bedragen maximaal € 300,- en wordt om niet verleend.
3.5.4 Nadere regels over verhuizen bij wijziging gezinssituatie/gezinshereniging
Voorzienbare verhuizingen zijn verhuizingen die voortvloeien uit een wens om van woning of buurt te veranderen, of groter te gaan wonen. In deze gevallen is er geen sprake van een noodzakelijke verhuizing en wordt geen bijstand verstrekt.
Soms verkeren mensen in zodanige omstandigheden dat bijstandsverlening noodzakelijk is. Als er een lening is verstrekt voor de inrichting van de woning kan het voorkomen dat binnen de aflostermijn van 3 jaar er een wijziging plaatsvindt in de gezinssituatie waardoor er extra kosten moeten worden gemaakt. Als deze wijziging niet voorzienbaar was, er geen reservering mogelijk was en bijstandsverlening is noodzakelijk, wordt er individueel bekeken wat de extra noodzakelijke kosten zijn conform deze beleidsregels. Dit betreft een nieuwe lening met een nieuwe aflostermijn.
Bij gezinshereniging van vergunningshouders is er een uitzondering; als de hereniging binnen 24 maanden na de eerste vestiging in de gemeente plaatsvindt, wordt de extra lening bij de bestaande lening gevoegd en is er geen sprake van een nieuwe lening met een nieuwe aflostermijn. Is er een hereniging na 24 maanden dan is er wel een nieuwe lening met een nieuwe aflostermijn.
3.5.5 Kosten van medische aard
Bij kosten van medische aard gaat het college uit van de richtprijzen die door de aanvullende zorgverzekering van de zorgpolis voor minima als bedoeld in 4.5 van deze beleidsregels wordt gehanteerd. Daarbij geldt de voor de belanghebbende meest gunstige richtprijs.
3.6 Vorm van de bijzondere bijstand
3.6.1 Lening
Voor incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geldt de reserveringsplicht. Een aanvraag voor dergelijke kosten wordt in principe afgewezen. Het college kan een belanghebbende tegemoetkomen in geval van een acute noodzaak. In dat geval wordt het recht op bijstand vastgesteld op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de kosten van het bestaan. De vorm van de bijzondere bijstand is dan een lening op grond van artikel 48 lid 2 van de wet.
3.6.2 Duurzame gebruiksgoederen
Artikel 51 lid 1 van de wet bepaalt een dwingende volgorde voor de vorm van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen. Afhankelijk van de individuele omstandigheden van belanghebbende geldt:
1borgtocht, als alleen onder deze voorwaarde een lening wordt verstrekt voor de kosten;
2lening, als borgtocht niet mogelijk is; en
3om niet, als bovengenoemde vormen niet aan de orde zijn.
3.6.3 Vorm duurzame gebruiksgoederen en een schuldtraject
Het college verleent de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen om niet als:
a.de belanghebbende is toegelaten tot de intakefase van schulddienstverlening (Plangroep) en volledig meewerkt aan de totstandkoming van een minnelijk traject; en/of
b.de belanghebbende zit aantoonbaar nog minimaal een jaar in een wettelijk schuldtraject; en/of
c.aan de bijzondere bijstand de verplichting wordt verbonden dat geen nieuwe schulden mogen worden gemaakt; en
d.de bijzondere bijstand wordt verleend op basis van tweedehands richtprijzen.
3.6.4 In natura
Is het college van oordeel dat belanghebbende niet in staat is tot verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand, dan kan het die bijstand in natura verlenen onder toepassing van artikel 57 van de wet.
Problematische schulden of een dreigend afglijden door psychosociale problemen, dakloosheid of verslaving kan daarvoor aanleiding zijn. Bijstand in natura kan bestaan uit de kosten voor:
•woonruimte met gebruik van water, gas en licht;
•verzekeringen;
•duurzame gebruiksgoederen; en
•kleding.
Hoofdstuk 4 Kostensoorten bijzondere bijstand
4.2 Bijzondere bijstand levensonderhoud
4.2.1 Levensonderhoud bij dwangopname Wlz -instelling en/of penitentiaire inrichting
Voor de hieronder genoemde situaties is bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van het levensonderhoud. Het betreft belanghebbenden die:
a.gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ);
b.door de rechter onvrijwillig zijn geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.); of
c.door de rechter, na ontslag van alle rechtsvervolging, op grond van artikel 37a, 37b lid 1 of 38a Sr onvrijwillig zijn geplaatst in een Tbs-inrichting.
Hoogte
De hoogte van de periodieke bijzondere bijstand voor belanghebbenden gemeld onder a en b, is gelijk aan de bijstandsnorm bij verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 lid 1 en 2 van de wet. Voor belanghebbenden genoemd onder c, is de norm gelijk aan de bijstandsnorm bij verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 lid 1 van de wet. Omdat de geneeskundige zorg voor deze categorie personen door het Ministerie van Justitie wordt betaald bestaat er voor hen geen recht op de verhoging als bedoeld in artikel 23 lid 2 van de wet. De bijzondere bijstand wordt inclusief vakantietoeslag uitbetaald, er wordt dus geen vakantietoeslag gereserveerd.
4.2.2 Jongmeerderjarigen
De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zijn vaak verbonden aan zelfstandige huisvesting van de jongmeerderjarige. Het college beoordeelt of zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. Dat kan het geval zijn als de jongmeerderjarige:
•ouderloos is of de ouders (onbereikbaar) in het buitenland wonen, dan wel anderszins onbereikbaar zijn;
•buiten het gezinsverband van de ouder(s) is geplaatst in het kader van de Jeugdwet;
•niet verantwoord nog langer bij de ouder(s) kan wonen;
•op de datum van de aanvraag al geruime tijd niet meer op het adres van de ouder(s) woont. Daaronder wordt een periode van twaalf maanden of langer verstaan; of
•de zorg heeft voor één of meer ten laste komende kinderen.
Hoogte bijzondere bijstand
De hoogte van de bijzondere bijstand voor zelfstandige huisvesting bedraagt in principe niet meer dan het verschil tussen de jongerennorm en de bijstandsnorm voor 21 jaar en ouder. Voor andere kostensoorten gaat het college uit van de hoogte van de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd.
Verhaal op de ouder(s)
Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de te verlenen bijzondere bijstand te verhalen op de ouder(s).
Hoofdstuk 5 Draagkrachtregels
5.1 Algemene beleidsuitgangspunten
5.1.1 Bekostigd uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm
Het college heeft een beperkte beoordelingsvrijheid om te beoordelen dat de kosten kunnen worden bekostigd uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de individuele omstandigheden. Denk bijvoorbeeld bij reiskosten aan de frequentie van het gewenste bezoek (eens per maand), de duur van de detentie, bij detentie in het buitenland en het oordeel over de vraag of belanghebbende verplichte aflossingen heeft of er beslag ligt op het inkomen.
5.1.2 Geen kostendelersnorm
Bij het vaststellen van de draagkracht (inkomen en vermogen) is de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet niet van toepassing.
5.1.3 Individuele toeslagen
De Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag worden niet in aanmerking genomen bij de draagkracht.
5.1.4 Draagkrachtperiode
De periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld wordt de draagkrachtperiode genoemd. Deze periode wordt in beginsel vastgesteld voor twaalf maanden. De draagkrachtperiode begint op de eerste dag van de maand waarop de kosten betrekking hebben. Dit betekent dat over de draagkrachtperiode moet worden berekend hoe groot de ruimte in het inkomen en/of het vermogen is. De hoogte van de draagkracht wordt in mindering gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.
Kortere periode
Afhankelijk van de kostensoort of situatie kan het college de draagkrachtperiode ook voor minder dan twaalf maanden vaststellen.
5.1.5 Wijziging draagkracht
Het inkomen en/of het vermogen kunnen wijzigen tijdens de draagkrachtperiode. Denk aan de beëindiging van een studie of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het kan ook zijn dat zich een wijziging voordoet in de gezinsomstandigheden, zoals een huwelijk, echtscheiding of overlijden. Het college stelt in voorkomende gevallen de draagkracht voor het resterende deel van de draagkrachtperiode opnieuw vast. Wanneer bij de vaststelling van de draagkracht(periode) een inkomenswijziging kan worden voorzien, wordt deze zoveel mogelijk meegenomen. Het ligt voor de hand dat het college de draagkrachtperiode voor een kortere periode dan twaalf maanden vaststelt.
5.1.6 Drempelbedrag artikel 35 lid 2 van de wet
Het college kan gebruik maken van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet tot een maximum van 134 euro per 12 maanden. De gemeente maakt hier geen gebruik van.
5.2 Regels rondom inkomen
5.2.1 Verhoging kindgebonden budget
De verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders, de zogeheten alo-kop wordt niet in aanmerking genomen.
5.2.2 Beschikken en redelijkerwijs beschikken
Voor de draagkracht moet het college uitgaan van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over inkomen (of vermogen). Personen die zich in een WSNP-traject bevinden kunnen, volgens vaste rechtspraak, niet beschikken over hun inkomen. Voor belanghebbenden die zich in het minnelijke traject bevinden op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ligt dat anders. Zij kunnen redelijkerwijs beschikken over hun inkomen boven het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB). Dat betekent echter wel dat het schuldhulpverlening traject zal worden stopgezet, met alle gevolgen van dien. Het college stelt zich in principe op het standpunt dat deze belanghebbenden, zolang wordt voldaan aan de voorwaarden van het schuldhulpverleningstraject, redelijkerwijs niet over hun inkomen kunnen beschikken.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
6.1 Situaties met een niet-rechthebbende partner
6.1.1 Algemene kosten van het bestaan
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de situaties bedoeld in het onderdeel 6.1 van deze beleidsregels. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de hoogte van de zogeheten alo-kop (met ten laste komen kinderen) of het verschil tussen de hier bedoelde 50% norm en de bijstandsnorm die geldt voor een (echte) alleenstaande.
Nadere verplichtingen; Het college kan aan de bijzondere bijstand die onder toepassing van art. 16 van de wet wordt verleend nadere verplichtingen verbinden dat de belanghebbende tegen afwijzing of herziening van de Awir-toeslagen in bezwaar gaat. Het gaat dan om het aanvechten van het standpunt van de Belastingdienst-Toeslagen dat toekenning van deze toeslagen een onaanvaardbare doorkruising is van het zogeheten koppelingsbeginsel.
6.2 Vrijstellingen bij inkomens- en vermogenstoets
6.2.1 Vrijstelling Participatiewet
De inkomens- en vermogensbestanddelen uit artikel 31 lid 2 Participatiewet worden voor de bijzondere bijstand niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.
6.2.2 Vrijstelling voor gedupeerden van de toeslagenaffaire
Alleen de eenmalige hardheidstegemoetkoming die gedupeerden van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van artikel 49 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt niet gerekend tot het inkomen en vermogen van de aanvrager bij de uitvoering van de bijzondere bijstand (inclusief de Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag) in het jaar waarin deze tegemoetkoming is ontvangen. De vrijstelling voor vermogen geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2025 voor zover de “hardheidstegemoetkoming voor de toeslagenaffaire” nog niet is besteed door de gedupeerde c.q. aanvrager van de bijzondere bijstand. Het aankopen van beleggingsproducten en crypto’s wordt ook als een besteding aangemerkt. Alle inkomsten verkregen uit deze “hardheidstegemoetkoming voor de toeslagenaffaire” worden wel beschouwd als middelen bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.
Toelichting bij Artikel 4.10 Kosten bewindvoering
Bij het bepalen van de hoogte en ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de beloningssystematiek van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Deze regeling bepaalt dat de jaarbeloning voor curatoren en mentoren in maandtermijnen wordt uitbetaald, waarbij de ingangsdatum afhankelijk is van de benoemingsdatum:
•Benoeming van 1 t/m 15 van de maand: beloning vanaf de 1e van die maand
•Benoeming van 16 t/m einde maand: beloning vanaf de 16e van die maand
Toelichting bij Artikel 6.2.2 Vrijstelling voor gedupeerden toeslagenaffaire
Dit artikel geldt alleen voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van maximaal 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze hardheidstegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2025 niet tot het vermogen gerekend.
Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag.
De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijstelling past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag.
Eventuele andere tegemoetkomingen of correctiebetalingen een gedupeerde heeft ontvangen van de Belastingdienst worden wel aangemerkt als inkomens- en vermogensbestanddelen.
Toelichting bij Artikel 4.14 Woonkostentoeslag voor een huurwoning
Voor de belanghebbende die buiten zijn schuld de eerste huurtoeslag later ontvangt dan de ingangsdatum van de huur, wordt de woonkostentoeslag berekend volgens de systematiek van de huurtoeslag. Overige huurders zijn voor hun woonkosten in beginsel aangewezen op de huurtoeslag.