Gemeentelijke regelgeving

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

Gemeente Aalten · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De Raad van gemeente Aalten;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2025;

gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Jeugdwet; de Participatiewet, de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, de Leerplichtwet 1969, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

Besluit:

Vast te stellen de Verordening Sociaal Domein Gemeente Aalten 2026.

Hoofdstuk 2. De manier waarop hulp kan worden verkregen.

§ 2.1 Het verkrijgen van hulp op grond van de Wmo.

2.1.1 Het melden van een hulpvraag op grond van Wmo

Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.

2.1.2 Doel en procedure bij een melding op grond van de Wmo

Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek, tenzij dit niet nodig is. In de uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag.

De gemeente geeft informatie over de mogelijkheid voor inwoners om zonder kosten hulp te krijgen van een onafhankelijke deskundige clientondersteuner. Daarnaast informeert de gemeente de inwoner over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin hij uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dit noemen we een persoonlijk plan).

2.1.3 Noodzakelijke gegevens

De gemeente verzamelt voor het gesprek alle gegevens die nodig zijn over de situatie van de inwoner en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

2.1.4 Het gesprek na de melding op grond van de Wmo

Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. De medewerker maakt een afspraak voor het gesprek. De medewerker zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk en maximaal binnen 6 weken na de melding plaatsvindt. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. De medewerker informeert de inwoner bij dat gesprek over de gang van zaken. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner, van zijn hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulp wil bereiken. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner kan iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

2.1.5 De inhoud van het gesprek

1De medewerker bespreekt met de inwoner welke hulpvraag hij heeft en welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker:

a.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?

b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?

c.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van de hulpvraag?

d.de omgeving van de inwoner: welke hulp kunnen huisgenoten of andere mensen in het sociaal netwerk of organisaties bieden, en hoe kan er met de gemeente worden samengewerkt om de inwoner goed te helpen?

2De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (Pgb), zie § 7.3. De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.

3Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Het kan dan gaan om deskundigen, een onafhankelijke cliëntondersteuner, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een of meer mantelzorgers of familie. Als de inwoner mantelzorg krijgt gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.

2.1.6 Het verslag

1Binnen 2 weken na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een ondersteuningsplan met daarin een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner.

2Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het ondersteuningsplan, waardoor dit niet binnen 2 weken kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd.

3Uit het ondersteuningsplan blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.

4De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het ondersteuningsplan kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.

2.1.7 De aanvraag voor hulp op grond van de Wmo.

Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft.

1Als de inwoner een maatwerkvoorziening van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende ondersteuningsplan. De gemeente ziet het ondersteuningsplan als een aanvraag.

2De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. Een apart onderzoek naar en een gesprek over die andere vormen van hulp zijn dan niet nodig.

2.1.8 De aanvraag voor een maatwerkvoorziening

1Vraagt de inwoner een maatwerkvoorziening aan, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

a.De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in artikel 1.1 genoemde wetten te bereiken;

b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp of mantelzorg van huisgenoten, hulp van andere personen uit het sociaal netwerk of met hulp van andere voorzieningen of organisaties; en

c.De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner;

d.Het is een individuele voorziening (maatwerkvoorziening).

2De maatwerkvoorziening is voldoende in inzet en van kwaliteit, zodat de inwoner het gewenste effect kan bereiken.

3De maatwerkvoorziening is niet duurder dan nodig, duurt niet langer dan nodig en is passend om langdurig het gewenste effect te bereiken.

4De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij dit had kunnen voorzien. De gemeente kan een maatwerkvoorziening ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft zonder dat de gemeente daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (“onevenredig nadeel ervaart”), dan kan de gemeente de maatwerkvoorziening wel toekennen.

2.1.9 Advisering

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding en aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

2.1.10 De beoordeling van de aanvraag

1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:

a.de behoeften van de inwoner;

b.de (on)mogelijkheden van de inwoner;

c.de persoonlijke situatie van de inwoner;

d.de mogelijkheden van het sociaal netwerk, andere organisaties en de gemeente.

2Het gespreksverslag en een eventueel persoonlijk plan vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag

3Om te bepalen of de gemeente hulp verleent houdt de gemeente onderstaande volgorde aan:

a.De gemeente kijkt wat de precieze hulpvraag is en stelt vast welk resultaat de inwoner wil bereiken;

b.De gemeente onderzoekt welke problemen iemand heeft met zelfredzaamheid, deelname aan de maatschappij of bij het zichzelf redden in de samenleving;

c.De gemeente bekijkt welke soort en hoeveel ondersteuning nodig is, zodat de inwoner weer goed voor zichzelf kan zorgen, kan meedoen in de maatschappij en zich kan redden in de samenleving;

d.De gemeente onderzoekt of eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk of een algemene of voorliggende voorziening voldoende is om de hulpvraag op te lossen;

e.De gemeente controleert of er verder nog iets moet worden gecompenseerd met een maatwerkvoorziening.

4Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner ervan op de hoogte welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.1.11 Afstemming met andere vormen van hulp.

De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner worden gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over:

•procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;

•communicatie met andere organisaties;

•afbakening van taken en verantwoordelijkheden;

•een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en de maatwerkvoorziening;

De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.

2.1.12 De beslistermijn

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval binnen 8 weken na de melding.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en hij hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

2.1.13 De inhoud van het besluit

1De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.

2In Hoofdstuk 7 is beschreven wat in de beschikking in ieder geval moet worden vastgelegd.

§ 2.2 Het verkrijgen van hulp op grond van de Jeugdwet.

2.2.1 De aanvraag voor jeugdhulp

1Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij de gemeente.

2Het eerste contact over de hulpvraag wordt direct aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als die voldoet aan de daarvoor geldende eisen.

3De gemeente merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 2.2.5 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.

4Als een jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wil inkopen met een Pgb dan dient hij daartoe een Pgb-budgetplan in als bedoeld in artikel 7.3.1. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend Pgb-budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een Pgb.

2.2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

1Als bij de gemeente een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend, voert de gemeente in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met de gemeente kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag tijdens het onderzoek wijzigen.

2De gemeente wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wmo.

3Voordat het onderzoek van start gaat kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) de gemeente een familiegroepsplan verstrekken. De gemeente brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het familiegroepsplan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken zorgt de gemeente voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

4De gemeente kan in overleg met de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.

5De gemeente bespreekt met de inwoner de vraag om ondersteuning en het effect dat de inwoner met de vraag om ondersteuning wil bereiken. De gemeente onderzoekt:

a.De behoefte van de inwoner: wat is er nodig?

b.De persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit? En wat betekent dit voor het effect dat de inwoner wil bereiken?

c.De (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?

d.Andere mogelijkheden: kan de inwoner gebruik maken van voorzieningen uit andere wetten, algemene (of vrij toegankelijke) voorzieningen of voorliggende voorzieningen.

e.De omgeving van de inwoner: welke ondersteuning kan het sociale netwerk bieden?

f.De rol van de gemeente: welke ondersteuning kan de gemeente bieden?

g.De rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner?

6Als de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger een familiegroepsplan aan de gemeente hebben overhandigd, betrekt de gemeente dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

7Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger meegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een Pgb. Zij worden in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

2.2.3 Voorbereiding van de besluitvorming, deskundig oordeel en, advies

1De gemeente wint, met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

2De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die de aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om de aanvraag goed te kunnen behandelen. De medewerker die aanvragen voor jeugdhulp beoordeelt is in ieder geval SKJ of BIG geregistreerd. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

3De gemeente zorgt ervoor dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Dit betekent in ieder geval dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden niet ook zelf het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

2.2.4 Identificatie

1Bij het onderzoek stelt de gemeente de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen getoond document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

2Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt de gemeente voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

a.een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

b.een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

c.een buitenlands paspoort; of

d.een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

2.2.5 Het verslag

1Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt de gemeente aan de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger worden aan het verslag toegevoegd.

2De gemeente vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

3Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag door deze ondertekend teruggestuurd naar de gemeente.

4Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen kracht of door gebruik van een vrij toegankelijke (algemene) voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. Als er al een aanvraag was ingediend geldt het ondertekende verslag als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.

2.2.6 Criteria voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening door de gemeente

1Een jeugdige of zijn ouder(-s) kan in aanmerking komen voor een door de gemeente verleende individuele voorziening. Dit kan als de gemeente vindt dat jeugdhulp nodig is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. De gemeente verleent alleen een individuele voorziening als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een vrij toegankelijke of andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

2Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp in artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige of ouder die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd.

3Een vrij toegankelijke of andere (voorliggende) voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

a.daadwerkelijk beschikbaar is; en

b.passend en toereikend is voor de hulpvraag.

4Als een individuele voorziening noodzakelijk is verstrekt de gemeente de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

5Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt de gemeente door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

6Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als ‘erkend’ in:

a.de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

b.de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

c.de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

2.2.7 De beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen

1Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van de gemeente uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

2Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en het welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

3Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

4Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen geldt als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) zelf ligt. Dit wordt ook bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De hulp die daarvoor nodig is moet in beginsel dus door de ouder(s) geleverd worden. Dit geldt ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen en gedragsproblemen of beperkingen. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

a.geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

b.een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

c.overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

5Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt de gemeente ook rekening met:

a.de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

b.de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

c.de planbaarheid van de hulp;

d.de benodigde ondersteuningsintensiteit;

e.de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

f.de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

2.2.8 Afstemming met andere vormen van hulp.

De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over:

•procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;

•communicatie met andere organisaties;

•afbakening van taken en verantwoordelijkheden;

•een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en de maatwerkvoorziening;

De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.

2.2.9 De beslistermijn

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en deze hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

2.2.10 De inhoud van het besluit

1De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.

2In Hoofdstuk 7 is beschreven wat in de beschikking in ieder geval moet worden vastgelegd.

2.2.11 Uitzondering: Jeugdhulp via arts en anderen [Jeugdwet, Awb]

1De gemeente zorgt er ook voor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt.

2De gemeente maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen.

3De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief (een beschikking) naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.

2.2.12 Uitzondering: Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner direct/tijdig de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. De gemeente legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:

a.het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;

b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;

c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning,

d.schuldhulpverlening / inkomensondersteuning.

Hoofdstuk 3 Gezond en veilig opgroeien

§ 3.1 Uitgangspunten jeugdhulp

3.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet]

1Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener zoveel als mogelijk rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders.

2De hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociaal netwerk.

3De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet.

4Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente.

5Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociaal netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de welzijnsorganisatie of het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een individuele voorziening (maatwerkvoorziening) ingezet.

De gemeente legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

§ 3.2 Preventie [Jeugdwet]

3.2.1 Preventieve jeugdhulp

1De volgende vormen van preventieve jeugdhulp zijn beschikbaar:

a.Het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving;

b.Informatie, advies en trainingen over opvoeding en ouderschap;

c.Jeugdgezondheidszorg;

d.Jongerenwerk;

e.Ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes;

f.Onafhankelijke cliëntondersteuning;

g.Peuter- en voorschoolse vroegtijdige educatie;

h.Mantelzorgondersteuning;

i.Een vertrouwenspersoon via Jeugdstem;

j.Onafhankelijke cliëntondersteuning.

2Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen besluit van de gemeente nodig en ook geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts.

3De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat er ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden.

3.2.2 Leerplicht

Als er sprake is van verzuim op school worden de mogelijkheden ingezet die de Leerplichtwet biedt. De leerplichtambtenaar kijkt of er sprake is van een zorgvraag en biedt ondersteuning met als doel dat de leerling weer naar school gaat. De leerplichtambtenaar werkt volgens de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS). De werkwijze staat beschreven in de ambtsinstructie Leerplicht.

§ 3.3 Individuele voorzieningen jeugdhulp

3.3.1 Individuele voorzieningen [Jeugdwet]

De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is:

1Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien:

a.Ondersteuning individueel;

b.Ondersteuning groep.

2Een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk)

niet mogelijk is.

3Specialistische jeugdhulp

a.Behandeling individueel;

b.Behandeling groep;

c.Behandeling groep orthopedisch dagcentrum;

d.Behandeling basis GGZ;

e.Behandeling specialistisch GGZ;

f.Behandeling hoog complex GGZ;

g.Behandeling diagnostiek;

h.Medicatiecontrole;

i.Ambulante spoedhulp.

4Hulp bij persoonlijke verzorging.

5Logeeropvang.

6Crisishulp.

7Hulp bij ernstige enkelvoudige dyslexie.

8Jeugdbescherming.

9Jeugdreclassering.

10Integrale hoog specialistische hulp met verblijf.

3.3.2 Duur en frequentie.

De volgende individuele voorzieningen hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie:

1Ondersteuning groep: Ondersteuning groep wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet.

2Behandeling individueel: Behandeling jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam.

3Behandeling groep: Behandeling groep jeugdigen wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week. Behandeling duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam.

4Behandeling basis GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het lokale toegangsteam en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag.

5Behandeling specialistisch GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het lokale toegangsteam en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag.

6Ambulante spoedhulp: ASH wordt ingezet voor de duur van maximaal 28 dagen.

3.3.3 Vervoer

1Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jongere van en naar de jeugdhulpaanbieder.

2Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

3Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van de gemeente is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van die voorziening.

4De gemeente beoordeelt, overeenkomstig artikel 3.3.1 in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

5Als naar het oordeel van de gemeente een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

3.3.4 Dyslexie

1De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet.

2Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de toegang naar de gecontracteerde aanbieders op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek of de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.

§ 3.4 Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 3.4.1 Voorliggende voorzieningen

1De gemeente verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

a.met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;

b.naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo; of

c.gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

2Als er meer oorzaken zijn voor de problematiek en daardoor op grond van de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet een soortgelijke voorziening kan worden verkregen als die op grond van de Jeugdwet moet het college de voorziening op grond van de Jeugdwet verstrekken.

3De jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

4Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld.

Artikel 3.4.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Deze afspraken kunnen onder andere gaan over:

•Procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp

•Communicatie met andere organisaties

•Afbakening van taken en verantwoordelijkheden

•Een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en ondersteuning–op-maat

De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of andere geschikte vorm.

§ 3.6 Overgang van 18- naar 18+

3.6.1 Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet]

1De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen uit de jeugdhulp als ze 18 jaar worden wanneer nodig ondersteuning houden.

2De gemeente en de aanbieder van de jeugdhulp zorgen samen voor een plan voor de jeugdige waarin in ieder geval aandacht is voor:

a.scholing, werk of participatie;

b.wonen;

c.inkomen;

d.zorg en ondersteuning;

e.vrije tijd;

f.het netwerk van de jongere.

3Pleegzorg of verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan.

4Jeugdhulp kan worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan onderdeel van het plan. Er is een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als:

a.de jongere al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp kreeg en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt;

b.na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een termijn van half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

c.als blijkt dat andere hulp niet toereikend en/of passend is;

d.de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering.

Hoofdstuk 4 Wonen in een veilige en gezonde omgeving

§ 4.1 Uitgangspunten [Wmo]

4.1.1 Uitgangspunten

1De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 en van dit hoofdstuk. De hulp moet een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.

2Voor hulp op maat op basis van de Wmo moet de inwoner onder de doelgroep van de Wmo vallen. Dit betekent dat de inwoner een beperking, een langdurig psychisch probleem en/of een psychosociaal probleem heeft, én:

a.hierdoor niet goed voor zichzelf kan zorgen, en/of;

b.hierdoor ondersteuning nodig heeft bij het voeren van een huishouden, en/of;

c.niet voldoende kan meedoen in de maatschappij.

Ook als de inwoner opvang nodig heeft kan de inwoner daarvoor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo krijgen.

3De gemeente geeft geen maatwerkvoorziening, als:

a.de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken;

b.de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening, van eigen kracht of van zijn sociaal netwerk;

c.de voorziening een therapeutisch doel heeft;

d.de voorziening niet grotendeels op de individuele inwoner is gericht;

e.de aanvraag is voor een hulpmiddel dat aan de inwoner al eerder is afgegeven op grond van een wettelijke regeling. Het moet dan gaan om een hulpmiddel waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Dit geldt niet als:

i.de eerder afgegeven voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om;

ii.de inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

iii.de eerder afgegeven voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner.

§ 4.2 Zelfstandig en veilig wonen

4.2.1 Geschikte woning [Wmo]

1De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening of woningaanpassing, als:

a.het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en

b.verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening of woningaanpassing.

De woonvoorziening of woningaanpassing houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt.

Als verhuizing voorgaat komt de inwoner die verhuist naar een geschikte woning in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Deze vergoeding is vastgelegd in het actuele Financieel besluit Sociaal Domein van de gemeente Aalten.

2De inwoner die tijdelijk een andere woning nodig heeft om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de extra kosten van de tijdelijke huisvesting. De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Financieel besluit Sociaal Domein.

3De gemeente verstrekt niet altijd een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening of woningaanpassing. De gemeente geeft geen maatwerkvoorziening in de volgende situaties:

a.De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.

b.De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen.

c.De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte.

d.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.

e.De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing.

f.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen. Dit is anders als de gemeente daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven.

g.de inwoner heeft iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij kon dit ook voorzien.

4Een woonvoorziening of woningaanpassing die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als:

a.de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven;

b.de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of

c.de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.

5Voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen gelden afschrijvingstermijnen. Als de noodzaak of functionaliteit van een op basis van de Wmo gerealiseerde en in bruikleen gegeven woonvoorziening binnen de voor die voorziening geldende afschrijvingstermijn vervalt kan het college die woonvoorziening terugvorderen.

6Het college kan nadere regels stellen omtrent afschrijvingstermijnen en het terugvorderen van niet afgeschreven voorzieningen.

4.2.2 Een schone en leefbare woning [Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking.

2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de maatwerkvoorziening ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

3De maatwerkvoorziening houdt in dat de inwoner de voorziening Huishoudelijke ondersteuning aangeboden krijgt. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Wanneer dat nodig is wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding en/of het aanleren van huishoudelijke vaardigheden.

4.2.3 Wmo wonen [Wmo]

1De inwoner behoort tot de doelgroep van een maatwerkvoorziening Wmo Wonen als hij 18 jaar of ouder is en er sprake is van complexe psychische en/ of psychosociale problematiek op meerdere levensterreinen. De inwoner kan zijn zorgvraag niet (uit)stellen. Hierdoor heeft de inwoner 24-uurs toezicht of bereikbaarheid van een professionele organisatie nodig. De gemeente stelt vast of de inwoner behoort tot de doelgroep van Wmo Wonen.

2Wmo wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Wmo wonen kan hierbij nodig zijn om:

a.de zelfstandigheid van de inwoner te vergroten en hem beter mee te laten doen in de samenleving;

b.het psychosociale functioneren van een inwoner te verbeteren;

c.een psychiatrisch ziektebeeld te stabiliseren;

d.maatschappelijke overlast te voorkomen; of

e.de inwoner geen gevaar voor zichzelf of zijn omgeving te laten zijn.

3De gemeente heeft beleidsregels voor WMO wonen gemaakt. Hierin staat waar inwoners die beschermd wonen nodig hebben zich kunnen melden en hoe er wordt omgegaan met de uitvoering van beschermd wonen.

4.2.4 Maatschappelijke opvang [Wmo]

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang als:

a.de inwoner de thuissituatie heeft verlaten en deze opvang nodig is omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen; of

b.er sprake is van dreiging van huiselijk geweld.

Inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben kunnen zich rechtstreeks melden bij de centrumgemeente Doetinchem.

Hoofdstuk 5 Participatie

§ 5.1 Werk [PW]

5.1.1 Werk

Werk is een belangrijke vorm van dag invulling. Mensen die niet werken maar dit wel kunnen worden door Laborijn geholpen bij het vinden van passend werk. De voorzieningen die hierbij worden ingezet moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. De regels over deze voorzieningen zijn beschreven in de verordeningen die over de Participatiewet gaan. In deze verordening worden deze regels niet opnieuw benoemd.

§ 5.2 Meedoen [Wmo]

5.2.1 Integrale ondersteuning

De inwoner die de dag niet goed kan invullen of die de normale dagelijkse activiteiten niet zelf kan doen, kan in aanmerking komen voor integrale ondersteuning. Dat kan alleen als andere voorzieningen niet geschikt of niet voldoende zijn. De hulpverlener helpt dan bij de dagelijkse gang van zaken en bij terugkerende activiteiten. Ook kan de hulpverlener de inwoner helpen om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. Ook kan de inwoner bijvoorbeeld meedoen aan sociale, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Als de inwoner daarbij vervoer nodig heeft, kan de gemeente ook helpen.

5.2.2 Persoonlijke verzorging [Wmo]

Persoonlijke verzorging richt zich op het helpen bij, inslijten en/of aanleren van Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg. Persoonlijke verzorging is gericht op het aanleren, oefenen en bestendigen van vaardigheden en gedrag. Zodat de inwoner deze taken (weer) zelfstandig of met behulp van zijn/haar omgeving kan uitvoeren.

5.2.3 Contact met anderen [Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. De hulp houdt in dat inwoners geholpen worden bij vervoer dichtbij huis. Zo kunnen zij meedoen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen doen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van:

a.de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer (ZOOV)

b.een taxi;

c.een scootmobiel, of

d.het gebruikmaken van een ander vervoermiddel.

2Als de inwoner van het voorgaande geen gebruik kan maken kan de gemeente de inwoner een bijdrage in de kosten geven voor:

a.het gebruik van een eigen auto;

b.het gebruik van een (rolstoel)taxi.

3Het moet gaan om:

a.het zich verplaatsen rondom de woning;

b.het zich verplaatsen over een langere afstand tot 20 kilometer van huis; of

c.het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit in de gemeente.

5.2.4 Rolstoel [Wmo]

1De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel, als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik.

2De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder sportvoorziening komt eens in de 3 jaar in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van aanschaf van een sportrolstoel.

5.2.5 Vervanging vervoermiddel en rolstoel [Wmo]

Als de inwoner een maatwerkvoorziening wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekte rolstoel of vervoermiddel, dan doet de gemeente dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel:

a.technisch is afgeschreven;

b.verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of

c.geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dicht bij huis.

5.2.6 Terugvordering verstrekte hulpmiddelen

1Als de noodzaak of functionaliteit van een op basis van de Wmo in bruikleen verstrekt hulpmiddel vervalt binnen de voor dat hulpmiddel geldende afschrijvingstermijn kan het college het hulpmiddel terugvorderen.

2Het college kan nadere regels stellen omtrent afschrijvingstermijnen en het terugvorderen van nog niet volledig afgeschreven hulpmiddelen.

§ 5.3 Mantelzorg

5.3.1 Ondersteuning mantelzorger [Wmo]

De gemeente biedt aan alle mantelzorgers, zowel jeugdigen als volwassen inwoners, allerlei mogelijkheden voor ondersteuning:

Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente.

5.3.2 Maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning [Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken; of

2Als het voor een korte periode niet meer lukt om de mantelzorg vol te houden en de mantelzorg niet overgenomen kan worden door vrijwilligers kan de maatwerkvoorziening worden gegeven in de vorm van een professional die de mantelzorg tijdelijk overneemt.

5.3.3 Mantelzorgwaardering

1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers (volwassen en jonge mantelzorgers) voor inwoners in de gemeente Aalten met een zorgbehoefte. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven.

2Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door of namens de inwoner die mantelzorg ontvangt.

Hoofdstuk 6 Inkomensondersteuning en schulden

6.1 Armoedebeleid en schuldenbeleid

In deze § wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken en uitvoeren van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan.

6.1.1 Uitgangspunten [PW, Wgs, Gemeentewet]

1De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen (preventie) en te bestrijden.

2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.

3De gemeente richt het armoedebeleid en schuldenbeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen ondersteund worden.

4De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid en schuldenbeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, inburgering, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

5De gemeente zorgt ervoor dat gemeentelijke inkomensondersteunende voorzieningen en toeslagen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.

6.1.2 Preventieve Maatregelen [PW, Wgs Gemeentewet]

De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.

§ 6.2. Bijzondere bijstand

6.2.1 Vangnet [PW]

1De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorliggende voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer:

a.extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald; en

b.voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.

2Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de uitgangspunten van het gemeentelijke armoedebeleid die bij artikel 6.1.1. beschreven zijn.

3De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening of borgstelling.

4De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand.

6.2.2 Zorgkosten

Voor inwoners met veel medische kosten heeft de gemeente de volgende regelingen:

a.bijzondere bijstand zorgkosten;

b.vergoeding eigen risico zorgkosten.

6.2.2.1 Doelgroep [Pw, Gemeentewet]

Inwoners van de gemeente Aalten met veel medische kosten komen in aanmerking als zij een inkomen hebben dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Ook als het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm kunnen inwoners in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vergoeding. Hoeveel dit is hangt af van de hoogte van het inkomen, de zorgkosten en de gezinssamenstelling.

6.2.2.2 Bijzondere bijstand zorgkosten [PW]

1De gemeente kan vanuit deze regeling extra noodzakelijke kosten vergoeden die de inwoner moet maken door ziekte of beperking. De kosten kunnen eenmalig zijn, maar ook wekelijks of maandelijks terugkomen.

2De inwoner krijgt geen vergoeding als de kosten al vergoed worden, bijvoorbeeld door de zorgverzekeraar.

6.2.2.3 Vergoeding eigen risico zorgkosten [Gemeentewet]

De eerste € 100,- van het verplichte eigen risico van de zorgkosten betaalt de inwoner zelf. Van het resterende bedrag kan de inwoner tot 50% vergoed krijgen van de gemeente.

6.2.3 Vergoeding kosten zwemlessen

Water is overal om ons heen en een ongeluk zit vaak in een klein hoekje. Het is dus belangrijk dat inwoners leren zwemmen. Inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer kunnen daarom (voor hun kinderen) in aanmerking komen voor vergoeding van de kosten van de zwemlessen voor het behalen van zwemdiploma A en B.

§ 6.3 Collectieve zorgverzekering [PW]

6.3.1 Collectieve zorgverzekering

Voor inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm heeft de gemeente een collectieve zorgverzekering afgesloten. In beleidsregels staat wanneer en hoe deze inwoners kunnen meedoen aan de collectieve zorgverzekering. Inwoners kunnen zich aanmelden via een Externe link: www.gezondverzekerd.nl.

§ 6.4 Individuele inkomenstoeslag

6.4.1 Doelgroep [PW]

De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die:

a.in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm;

b.geen financiële buffer heeft; en

c.geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Bij een minimale overschrijding van de inkomensgrens kan het college besluiten toch een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.

6.4.2 Hoogte van de toeslag [PW]

1De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar vastgesteld voor:

a.een alleenstaande;

b.een alleenstaande ouder;

c.gehuwden of samenwonenden.

2Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als één van de partners geen recht heeft op individuele inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid van de Participatiewet.

3De gemeente bekijkt elk jaar of de individuele inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.

§ 6.6 Meedoenregeling

6.6.1 Doel [Gemeentewet]

De Meedoenregeling is bedoeld voor sociale, sportieve, culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten.

6.6.2 Doelgroep [Gemeentewet]

a.De inwoner die een laag inkomen en geen goede financiële buffer heeft kan in aanmerking komen voor de Meedoenregeling. Inwoners hebben in ieder geval een laag inkomen als zij een inkomen hebben dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Ook als het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm kunnen inwoners in aanmerking komen voor een gedeeltelijke vergoeding. De bijdrage van de gemeente is een vastgesteld maximaal bedrag per jaar. De regeling is voor zowel jeugdige als volwassen inwoners.

b.De gemeente heeft beleidsregels armoedebeleid. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor de meedoenregeling.

§ 6.7 Schuldhulpverlening

6.7.1 Samenwerking en toegang [Wgs]

1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.

2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden.

3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is.

4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.

6.7.2 Schuldhulpverlening [Wgs]

1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt.

2De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven en welke voorwaarden daarvoor gelden.

Hoofdstuk 7 De vorm van de hulp

§ 7.1 Zorg in natura [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet]

7.1.1 Zorg in natura

1De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt.

2De gemeente zorgt ervoor dat de aanbieder van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.

3De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over het product.

4De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een dienst de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over de dienst.

7.1.2 Inhoud van de beschikking over Zorg in natura

De gemeente legt in het besluit in ieder geval vast:

a.waarvoor de hulp bedoeld is;

b.wat de hulp inhoudt of welke zorgaanbieder het zorgplan samen met de inwoner maakt;

c.wanneer de hulp in gaat en hoelang de hulp duurt;

d.door wie de hulp wordt gegeven;

e.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden;

f.of en, zo ja, welke eigen bijdrage de inwoner moet betalen.

§ 7.2 Hulp in geld (financiële tegemoetkoming, onkostenvergoeding)

7.2.1 Hulp in de vorm van geld

1De inwoner ontvangt van de gemeente hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald.

2Als zorg in natura of Pgb geen adequate oplossing biedt kan aan degene die vanuit een sociale relatie aan een inwoner informele hulp verleent per kalendermaand een financiële tegemoetkoming en, voor zover van toepassing, een onkostenvergoeding voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten worden gegeven. De tegemoetkoming biedt de inwoner een mogelijkheid om zijn sociaal netwerk in te zetten zonder dat er sprake is van een zorgovereenkomst. Daarnaast kan bij hulp in de vorm van geld ook worden gedacht aan een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten, de kosten van tijdelijke vervangende woonruimte of een tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel.

3De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen 2 weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling of als aan de voorwaarden is voldaan.

4De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon/organisatie betalen.

5De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen, als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een terugbetaling op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

6De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd, als bij de overboeking voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom de betaling wordt gedaan.

7.2.2 Inhoud van de beschikking over hulp in de vorm van geld

De gemeente legt in het besluit in ieder geval vast:

a.Hoeveel geld wordt gegeven;

b.voor welk doel of resultaat het geld wordt gegeven;

c.wanneer het geld wordt betaald;

d.hoe vaak het geld wordt betaald;

e.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden;

f.of en, zo ja, welke eigen bijdrage de inwoner moet betalen.

§ 7.3 Hulp in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb)

7.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo]

1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een Pgb krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat. Hiervoor moet wel voldaan zijn aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen. Het Pgb kan worden verstrekt als een bedrag ineens of in de vorm van een budget waaruit periodiek betalingen kunnen worden verricht.

2De gemeente kent een Pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner of zijn Pgb-vertegenwoordiger in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het Pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren.

3De inwoner moet aangeven waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en hij een Pgb wenst in plaats van een maatwerkvoorziening in natura. De inwoner moet alle informatie aan de gemeente geven die nodig is. Hieronder valt bijvoorbeeld het doorgeven wie namens de inwoner zijn belangen behartigt, wie de hulp gaat verlenen, op welke wijze de kwaliteit van de maatwerkvoorziening voorziening is gewaarborgd en wat de kosten van de hulp zijn in aantal eenheden en tarief. De inwoner doet dit in een Pgb-budgetplan, dat door de gemeente moet worden goedgekeurd.

4Het Pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het Pgb kan niet worden besteed aan kosten: artikel 21 Model geïntegreerd.

a.voor bemiddeling, tussenpersonen of belangbehartigers;

b.voor het voeren van een Pgb-administratie;

c.voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb-administratie;

d.voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s);

e.die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

f.voor een aanvraag Verklaring Omtrent Gedrag.

5Bij een wijziging van het Financieel besluit Sociaal Domein in het nadeel van de cliënt hanteert de gemeente een afbouwregeling of kan de cliënt tijdig schriftelijk van een voor hem of haar te wijzigen situatie op de hoogte worden gebracht.

6Het college nadere regels stellen aan de kwaliteit van voorzieningen en de eisen met betrekking tot de deskundigheid.

7.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociaal netwerk [Jeugdwet, Wmo]

1De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociaal netwerk van de inwoner zijn. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken.

2Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociaal netwerk gezien.

7.3.3 Gronden waarop een Pgb kan worden geweigerd of ingetrokken

In hoofdstuk 2 zijn enkele voorwaarden genoemd waaraan een aanvraag moet voldoen. Daarnaast geldt voor het Pgb dat deze ook kan worden geweigerd of ingetrokken als:

1de ondersteuning, de hulpmiddelen, de woningaanpassing of de andere voorziening die de inwoner met het Pgb wil inkopen volgens de gemeente van onvoldoende kwaliteit is of niet genoeg helpt om het resultaat te bereiken dat in het ondersteuningsplan is genoemd;

2de inwoner onder druk is gezet om de ondersteuning, de hulpmiddelen, de woningaanpassing of de andere voorziening te betrekken van een bepaalde persoon of organisatie.

3het Pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hiervoor speciaal toestemming heeft gegeven;

4de inwoner het Pgb niet zelf kan beheren en de door hem daarvoor aangewezen Pgb-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als degene die de hulp gaat verlenen. Dit geldt niet voor ouders die jeugdhulp geven aan een eigen minderjarig kind. Deze ouders kunnen voor die jeugdhulp wel een Pgb beheren.

5het gaat om Hoog Complexe Weinig Voorkomende Zorg met Verblijf (Jeugdhulp);

6het gaat om een jeugdige die een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel heeft gekregen of is opgenomen in een gesloten accommodatie;

7de Pgb-houder of Pgb-aanbieder geen of onvoldoende medewerking verleent aan een verzoek als bedoeld in artikel 7.3.4. lid 1;

8er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de (jeugd-) hulp of ondersteuning, wat zich in ieder geval voordoet als deze in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

a.fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

b.betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

c.veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;

d.op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder of;

e.een Bibob onderzoek hiertoe aanleiding geeft.

7.3.4 Verantwoording en uitbetaling Pgb [Jeugdwet, Wmo]

1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het Pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad.

2Als een inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.

3Het Pgb wordt uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of door de gemeente als het een bedrag ineens betreft.

7.3.5 Inhoud van de beschikking over hulp in de vorm van een Pgb

Geeft de gemeente hulp in de vorm van een Pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

a.waarom de hulp niet in natura kan worden verstrekt;

b.waarvoor het Pgb bedoeld is en welk effect daarmee bereikt moet worden;

c.hoe hoog het Pgb is;

d.of het bij het Pgb gaat om een bedrag ineens of om een budget waaruit periodiek betalingen worden gedaan;

e.als het Pgb bedoeld is voor de aanschaf van een voorziening: of en wanneer die voorziening eigendom wordt van de inwoner;

f.als het Pgb een budget is waaruit periodiek betalingen worden gedaan: voor welke termijn het Pgb geldt, waarbij de termijn maximaal 2 jaar mag bedragen;

g.welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het Pgb;

h.wie het budget beheert en hoe de inwoner duidelijk maakt op welke wijze het Pgb is besteed;

i.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het Pgb gelden;

j.of en, zo ja, welke eigen bijdrage de inwoner moet betalen;

7.3.6 Opschorten van het Pgb [Jeugdwet, Wmo]

De gemeente kan aan de SVB vragen om betalingen uit het Pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het Pgb voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als:

a.de inwoner onjuiste of onvolledig informatie heeft verstrekt, terwijl het verstekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;

b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een Pgb horen; of

c.de inwoner het Pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.

§ 7.4 De hoogte van de hulp in geld, de hoogte van het Pgb en de eigen bijdrage [Wmo, Jeugdwet]

7.4.1 De hoogte van het Pgb, van andere financiële tegemoetkomingen en van onkostenvergoedingen [Jeugdwet, Wmo]

1De inwoner maakt een plan voor de besteding van het Pgb. Dit is het Pgb budgetplan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het Pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en stelt daarna het Pgb vast.

2Het Pgb wordt als volgt berekend:

a.Voor professionele, niet gecontracteerde ondersteuning Wmo en Jeugdhulp: het Pgb-tarief bedraagt maximaal het voor adequate zorg gecontracteerde tarief voor het desbetreffende product”. Het tarief is lager als op basis van het door de inwoner ingediende Pgb-plan passende en toereikende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

Bij Wmo-wonen kan het zijn dat de inwoner woonkosten moet betalen. Bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb wordt daarmee rekening gehouden.

b.Voor professionele, niet gecontracteerde huishoudelijke ondersteuning: het Pgb-tarief wordt bepaald door op het geldende ZIN-tarief voor huishoudelijke ondersteuning 15 % overheadkosten in mindering te brengen.

c.Voor informele ondersteuning (sociaal netwerk): De hoogte van het Pgb voor niet-professionele hulp, met uitzondering van logeren, wordt als volgt vastgesteld:

i.hulp bij het huishouden: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren

ii.individuele ondersteuning en persoonlijke verzorging: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De hoogte van het Pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijke minimumloon.

iii.is er sprake van een arbeidsovereenkomst waarbij werkgeverslasten afgedragen moeten worden, wordt het Pgb verhoogd met deze werkgeverslasten.

d.Voor een woonvoorziening, woningaanpassing en hulpmiddel: de hoogte van het Pgb komt overeen met de laagste kostprijs voor een veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorziening volgend uit (minimaal) 2 offertes. Daarnaast geldt dat:

i.het Pgb nooit hoger is dan de gebruikelijke kostprijs van de voorziening of het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de voorziening (kostprijs zorg-in-natura). Wanneer de offerte hoger is dan een van deze maximumbedragen vergoedt de gemeente de meerprijs niet;

ii.De gemeente houdt bij de bepaling van het Pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.

3Het college stelt de maximale bedragen en tarieven Pgb, financiële tegemoetkomingen en onkostenvergoedingen jaarlijks vast in het Financieel besluit Sociaal Domein gemeente Aalten.

7.4.2 Wat is de eigen bijdrage

1Ongeacht inkomen of vermogen betaalt de inwoner een vaste eigen bijdrage in de kosten voor bepaalde Wmo-maatwerkvoorziening voorzieningen zolang de inwoner gebruik maakt van de hulp of voor de periode waar voor een Pgb is verstrekt. Uitgangspunt is dat als eigen bijdrage het op basis van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 toegestane maximumbedrag in rekening wordt gebracht. Gaat het om een product dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. Voor welke voorzieningen de gemeente een eigen bijdrage vraagt staat in het Financieel besluit Sociaal Domein. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK).

2De eigen bijdrage is niet hoger dan de kostprijs van een voorziening. In het geval van een hulpmiddel worden ook de kosten voor onderhoud meegenomen. De eigen bijdrage is niet verschuldigd voor elke volledige kalendermaand waarin feitelijk geen ondersteuning heeft plaatsgevonden. De inwoner moet dit zelf melden bij de gemeente.

3Gaat het om kosten voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie in ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek), en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner.

4De inwoner die tegen Wmo-tarief gebruik maakt van het collectief taxivervoer is aan de gemeente een jaarlijkse bijdrage in de kosten verschuldigd. De hoogte van de jaarlijkse bijdrage is vermeld in het Financieel besluit Sociaal Domein gemeente Aalten.

Hoofdstuk 8 Afspraken tussen inwoner en gemeente

§ 8.1 Hoe gaan we met elkaar om?

8.1.1 De rol van de gemeente [Gemeentewet, Awb]

1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, recht op een gesprek op het gemeentekantoor of bij hem thuis.

c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

d.Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een maatwerkvoorziening voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

e.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

f.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.

g.De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

h.De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.

2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

i.zijn rechten en plichten;

ii.wat er van hem wordt verwacht;

iii.welk gedrag niet deugt;

iv.wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

v.waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren.

c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

i.de ernst van het gedrag;

ii.de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

iii.de persoonlijke situatie van de inwoner.

d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het ontoelaatbare gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

8.1.2 De rol van de inwoner [Gemeentewet, Awb]

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. Hij gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft (eigen kracht). De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociaal netwerk aan als dat nodig is.

2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.

b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.

c.De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren.

d.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

3Als de inwoner naar het oordeel van de gemeente niet of onvoldoende meewerkt kan de omvang van de benodigde hulp niet goed worden vastgesteld. De gemeente kan dan besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

§ 8.2 Wijziging, beëindiging en terugvordering voorziening

8.2.1 Wijziging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet]

Soms is een wijziging van het Financieel besluit Sociaal Domein in het nadeel van een inwoner. In dat geval wordt hij daarvan zo vroeg mogelijk schriftelijk op de hoogte gebracht. Dan heeft hij voldoende tijd om zich op de gewijzigde situatie in te stellen. Lukt dat niet dan past de gemeente een afbouwregeling toe.

8.2.2 Intrekking, wijziging, opschorting of beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet]

1De gemeente kan een maatwerkvoorziening voorziening (in natura of Pgb) opschorten, intrekken, wijzigen of beëindigen als:

a.de voorziening niet langer passend, toereikend of nodig is, bijvoorbeeld wanneer de inwoner niet langer in staat is de voorziening op een veilige manier te gebruiken;

b.de inwoner een voorziening in de vorm van een product opzettelijk of door grove nalatigheid zodanig gebruikt of behandeld dat daardoor de voorziening beschadigd raakt of te niet gaat of dat dreigt te gebeuren;

c.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

d.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

e.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;

f.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;

g.de inwoner niet binnen de gestelde termijn (verschilt per voorziening) gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen;

h.bij jeugdhulp: als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder;

i.de inwoner met het Pgb hulp betrekt van een aanbieder waarover twijfels bestaan wat betreft zijn integriteit. Het college kan hierover nadere regels stellen; of

j.de inwoner tijdelijk verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

k.een Bibob onderzoek hiertoe aanleiding geeft.

2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).

3Als de gemeente een goede reden heeft om te denken dat er de situatie genoemd in het eerste lid onder a, c, d of i aan de orde is dan kan zij de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd vragen de betalingen uit het Pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijke te onderbreken.

8.2.3 Terugvordering voorziening [Wmo, Burgerlijk Wetboek]

De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment dat is vastgesteld dat er één of meer redenen voor beëindiging zijn (zie artikel 8.2.2). Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

Als een maatwerkvoorziening voorziening (in natura of Pgb) volledig wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt vanaf het moment van de toekenning van de voorziening tot aan het moment dat de voorziening is stopgezet.

3Als een maatwerkvoorziening voorziening (in natura of Pgb) gedeeltelijk wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt in de periode dat de inwoner ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de voorziening.

4Als het recht op een bij een inwoners in bezit zijnde of in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, wordt ook die voorziening teruggevorderd.

5Bij zorg in natura kan de gemeente ervoor kiezen het contract met de zorgaanbieder te verbreken.

8.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

8.3.1 Controle [Jeugdwet, Wmo, PW]

1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner (nog) recht heeft op een voorziening. En of hij de juiste voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:

a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;

b.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst, andere gemeenten en aanbieders;

c.signalen en tips van organisaties of andere inwoners;

d.andere passende onderzoeksmethoden.

2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier en voor het juiste doel wordt gebruikt.

3Bij de controle van voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.

4Bij beëindiging van een voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging en of er een vervolgactie nodig is. De gemeente kan ook nagaan of de voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

8.3.2 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo]

De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een passende manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen.

8.3.3 Beleidsplan en beleidsverslag [Jeugdwet, Wmo, PW]

1De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).

2In het beleidsplan staat in ieder geval:

a.wat de gemeente doet om fraude te voorkomen;

b.wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over zijn rechten en plichten (voorlichting);

c.welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en

d.hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.

3De gemeente stelt na afloop van de periode waarvoor het beleidsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor die periode zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

8.3.4 Privacy [Jeugdwet, Wmo]

Bij het doen van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

8.3.5 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, Awb]

De gemeente wijst een of meer medewerkers aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

Hoofdstuk 9 Inspraak en inwonerparticipatie

§ 9.1 Inspraak van inwoners [Jeugdwet, Wmo, Wgs, PW, Gemeentewet]

9.1.1 Inspraak van inwoners

1De gemeente geeft inwoners inspraak bij de uitvoering van de volgende wetten:

a.Jeugdwet;

b.Wmo;

c.Participatiewet;

d.Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

2Inwoners kunnen inspraak hebben bij:

a.plannen voor beleid en regels;

b.de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert;

c.de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening);

d.de manier waarop aanbieders hun taken uitvoeren.

3Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid of andere regels.

4De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven:

a.via de Sociale Raad;

b.door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld via sociale media, via inwonerpanel ‘U Spreekt’ of via de kinderraad; of

c.door samen met inwoners een plan te ontwerpen.

5De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep die het betreft en zorgt ervoor, dat inwoners zo snel en goed mogelijk inspraak kunnen hebben.

§ 9.2 Sociale Raad [Jeugdwet, Wmo, Wgs, PW, Gemeentewet]

9.2.1 Sociale Raad

1Het doel van de Sociale Raad is om inwoners te betrekken bij de ontwikkeling van gemeentelijk beleid en gemeentelijke regels en bij de uitvoering van de wetten waarop dat beleid en die regels zijn gebaseerd. Het gaat om de wetten die in artikel 9.1, eerste lid, zijn genoemd.

2De Sociale Raad is, zover redelijkerwijs mogelijk, zo samengesteld dat de leden een binding hebben met de doelgroepen binnen het Sociaal Domein.

3De leden van de Sociale Raad wonen in de gemeente Aalten. Het college kan hiervan afwijken als er geen geschikte kandidaten worden gevonden. Die kandidaten moeten dan aantonen dat ze binding hebben met de gemeente Aalten en de doelgroepen binnen het Sociaal Domein.

4De leden van de Sociale Raad treden op als vertegenwoordigers van de doelgroepen binnen het Sociaal Domein.

5De Sociale Raad bestaat uit maximaal 12 leden plus een secretaris en onafhankelijk voorzitter.

a.De leden en de voorzitter, worden benoemd door het college.

b.De leden worden aangedragen door de Sociale Raad voor benoeming. Als noodzakelijk zorgt de gemeente voor werving van leden via een gemeentelijke publicatie.

c.De Sociale Raad kiest uit haar leden een vicevoorzitter, secretaris en penningmeester.

6De leden van de Sociale Raad worden benoemd voor een periode 4 jaar. Deze periode kan eenmaal worden verlengd met maximaal 4 jaar.

7Bij ernstig disfunctioneren van een of meer leden van de Sociale Raad kan door de meerderheid van de Sociale Raad het vertrouwen worden opgezegd. De Sociale Raad kan dan het college vragen te beslissen.

8De Sociale Raad vergadert elk jaar ten minste 6 keer.

9De gemeente zorgt ervoor dat de Sociale Raad gebruik kan maken van een vergaderruimte en van andere voorzieningen die nodig zijn om de taken goed te kunnen uitvoeren.

10De gemeente evalueert elk jaar ten minste één keer met de Sociale Raad hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De Sociale Raad stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college.

9.2.2 Taken en bevoegdheden Sociale Raad

1De Sociale Raad adviseert de gemeente over plannen om beleid of regels daarvan bij te stellen en over de kwaliteit van de uitvoering van de dienstverlening.

2De gemeente zorgt ervoor, dat:

a.op het moment waarop inspraak kan worden gegeven de Sociale Raad voldoende mogelijkheden heeft om invloed te hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan; en

b.de Sociale Raad deskundig wordt ondersteund door een medewerker van de gemeente, om de Sociale Raad te helpen zijn werk goed te doen.

3De gemeente zorgt ervoor dat de Sociale Raad op tijd alle informatie krijgt die nodig is om zijn taak goed te kunnen doen.

4De Sociale Raad kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan.

5De Sociale Raad zorgt ervoor dat adviezen binnen 6 weken worden gegeven, zodat de gemeente deze adviezen kan betrekken bij voorgenomen besluiten. Gemeente en Sociale Raad kunnen in overleg afwijken van deze termijn.

6De gemeente neemt adviezen van de Sociale Raad over of geeft de redenen aan waarom een advies niet wordt overgenomen. Gaat het om besluiten van de gemeenteraad, dan worden het advies van de Sociale Raad en de reactie van de gemeente (burgemeester en wethouders) aan de gemeenteraad gestuurd, zodat deze informatie bij de besluitvorming kan worden betrokken.

7Alle adviezen, informatieverzoeken en verbetervoorstellen die door de Sociale Raad schriftelijk worden verstrekt, worden door het college beoordeeld. De gemeente geeft binnen 4 weken een schriftelijke, gemotiveerde reactie.

8De Sociale Raad bespreekt geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen die over individuele personen gaan.

9Ieder lid van de Sociale Raad kan onderwerpen op de agenda van een vergadering zetten.

10De Sociale Raad kan derden uitnodigen in verband met een agendapunt van de vergadering.

11Alle leden zijn, met uitzondering van de onafhankelijk voorzitter, stemgerechtigd. Alle besluiten worden met een meerderheid van stemmen genomen, op voorwaarde dat tweederde van de leden aanwezig is.

12Voor de besluitvorming is geen unaniem standpunt van de leden vereist. Afwijkende standpunten kunnen gemotiveerd in het advies aan de gemeente worden opgenomen. Daarbij wordt vermeld voor welke doelgroep(en) het afwijkende standpunt is bedoeld.

13De vergaderingen van de Sociale Raad zijn openbaar. De stukken voor de vergadering zijn in principe 5 dagen voor de vergadering voor derden beschikbaar. De agenda wordt gepubliceerd in de gemeenterubriek van de lokale weekkranten.

14De Sociale Raad kan alleen besluiten tot het houden van een besloten vergadering als het de behandeling van privacygevoelige zaken betreft.

15De Sociale Raad kan besluiten (tijdelijk) uit zijn eigen middelen een of meer commissies of werkgroepen te vormen. De onkosten komen ten laste van het budget van de Sociale Raad.

16De leden van de Sociale Raad ontvangen per vergadering een vergoeding tot maximaal 12 vergaderingen per jaar. De gemeente stelt vast hoe hoog de vergoeding is.

17Het college stelt voor de Sociale Raad een jaarlijks budget beschikbaar, bedoeld voor het functioneren van de Raad. Hiervoor is een stichtingsbestuur dat deze gelden beheert. Deze bestaat uit de vicevoorzitter, secretaris en penningmeester van de Sociale Raad.

§ 9.3 Inspraak bij aanbieders [Jeugdwet, Wmo]

9.3.1 Inspraak bij aanbieders

1Aanbieders die jeugdhulp of Wmo-hulp geven, zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken.

2De gemeente controleert of de aanbieder zich houdt aan de regels voor inspraak.

Hoofdstuk 10 Kritiek op de uitvoering [Awb, Gemeentewet]

10.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure

1De gemeente ziet een klacht of bezwaar als:

a.een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoner te verbeteren;

b.een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;

c.een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken;

d.een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en

e.een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren.

2De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting niets toevoegt.

3De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachtenprocedure of bezwaarprocedure. De gemeente volgt daarbij de wettelijke regels.

4De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.

5De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.

10.2 Klachten over de gemeente [Awb, Gemeentewet]

1De inwoner kan bij de gemeente een klacht indienen over:

a.het gedrag van medewerkers en bestuurders en de manier waarop hij is behandeld;

b.de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld;

c.de manier waarop de gemeente voorzieningen heeft verstrekt.

2De inwoner moet een klacht zo snel mogelijk indienen bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt.

10.3 Klachten over andere personen of organisaties [Awb, Gemeentewet]

1De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld.

2De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of organisaties die hulp verlenen volgens een besluit van de gemeente, wordt nageleefd.

3Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de hulpverlenende persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.

4De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die hulp verlenen volgens een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld.

10.4 Klachtbehandelaar en vertrouwenspersoon [Gemeentewet, Jeugdwet]

1De gemeente zorgt ervoor, dat de inwoner, die aan de gemeente een hulpvraag heeft gesteld, de klachtbehandelaar kan spreken. De inwoner kan bij deze klachtbehandelaar terecht voor knelpunten die de inwoner ervaart in het contact met de gemeente binnen het Sociaal Domein.

2Jaarlijks maakt de gemeente een verslag van het aantal klachten in het afgelopen kalenderjaar, de soort klachten, de afhandeling en de maatregelen die zijn genomen.

3Naast de klachtbehandelaar kan de inwoner, via Jeugdstem, ook een vertrouwenspersoon spreken als het gaat om jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan de inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op zijn verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen over de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).

10.5 Bezwaar [Gemeentewet, Awb]

1Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit.

2De inwoner die het niet eens is met een besluit van de gemeente, kan binnen 6 weken bezwaar maken volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 11 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]

11.1 Kwaliteit

1Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste effect voor de inwoner wordt bereikt.

2De producten en diensten:

a.passen bij de hulpvraag van de inwoner;

b.zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner;

c.voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;

d.respecteren de rechten van de inwoner;

e.worden afgestemd op andere producten of diensten die aan de inwoner worden geleverd;

f.worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.

3De gemeente kan aanvullende kwaliteitseisen en andere voorschriften vaststellen en controleert of deze eisen door aanbieders worden nageleefd.

11.2 Inkoop en aanbesteding

1De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de producten en diensten in het kader van deze verordening gegarandeerd is.

2Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 11.1, het tweede lid.

3De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door een vaste reële prijs te bepalen in samenwerking met een onafhankelijk deskundig bureau. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder.

4De gemeente bewaakt de kwaliteit van de producten en diensten door het vaststellen van een kwaliteitskader Jeugdwet en Wmo. Dit kwaliteitskader is bedoeld voor alle vormen van ondersteuning die de gemeente inkoopt. Op alle producten en diensten die de gemeente inkoopt in het kader van deze verordening is de actuele versie van het Kwaliteitskader Wmo 2015 en Jeugdwet van toepassing.

5Bij inkoop en aanbesteding van producten en diensten wordt van een aanbieder verwacht dat deze reële tarieven hanteert en dat er transparantie is in de opbouw van de tarieven.

11.3 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders, jeugdbescherming en jeugdreclassering

1In het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding baseert de gemeente de tarieven die zij hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

a.cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

b.cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

c.overheadkosten;

d.kosten voor indexering.

2De gemeente heeft voor de start van de aanbesteding jeugdhulp en Wmo/wonen een kostprijsanalyse uitgevoerd in samenwerking met een onafhankelijk deskundig bureau.

3De gemeente hanteert voor de jeugdbescherming en jeugdreclassering de landelijke tarieven.

4De gemeente hanteert voor de Essentiële Functies het intensiteitenmodel. Dit is een objectief tariefmodel, waarmee er ruimte ontstaat om voor groepen met een verschillende begeleidingsintensiteit een verschillend tarief te hanteren. Het intensiteitenmodel werkt met genormeerde kostprijselementen, waarbij het geheel van de elementen aanbieders de mogelijkheid biedt kostendekkend te kunnen werken.

5De gemeente bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

6Het eerste en tweede lid gelden bij subsidies slechts voor zover deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

Hoofdstuk 12 Over deze verordening

12.1 Onderzoek naar de werking van de verordening [Gemeentewet]

1De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die zij wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om dit goed te kunnen onderzoeken. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

2De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is.

12.2 Uitvoeringsregels [Gemeentewet]

De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.

12.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) [Gemeentewet]

De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als dit zou betekenen dat er een onredelijke uitkomst is voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.

12.4 Intrekken oude verordeningen [Gemeentewet]

De volgende verordening wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:

Verordening Sociaal Domein Gemeente Aalten 2025.

12.5 Overgangsrecht [Gemeentewet]

1Een lopende voorziening die op grond van een ingetrokken verordening is verstrekt, blijft ook na de ingangsdatum van deze verordening doorlopen. Deze voorziening loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening heeft genomen.

Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, die is ingediend vóór de ingangsdatum geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.

2Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening worden beoordeeld op grond van de onder artikel 12.4 genoemde verordening, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de inwoner van worden afgeweken als heroverweging op grond van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst.

3Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de onder artikel 12.4 genoemde verordening te herzien:

a.op de gronden, vermeld in de voorheen geldende verordening;

b.als uit een door de gemeente uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

c.als de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.

4Het college heeft de bevoegdheid om een Pgb dat is verstrekt op grond van de onder artikel 12.4 genoemde verordening terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden.

12.6 Ingangsdatum en naam [Gemeentewet]

1Deze verordening wordt genoemd: Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026.

2Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.